Waagdrager

Vervoerde kazen naar de waag, plaatste ze op de weegschaal en vervoerde ze van de waag naar de koper. De waagdragers, die lid waren van een waagdragersveem noemde men ook waagdragersveemman, degeen die niet lid was van een veem was een waagtdragersvrijman.

Waagkroder, waagkruier

Vervoerde kazen en andere te wegen objecten per kruiwagen naar en van de waag.
Waagman

Arbeider bij de waag die behulpzaam was bij het wegen van de verschillende koopmansgoederen.
Waagmeester, weegmeester

Beëdigd weger van koopmansgoederen, die het verschuldigde waaggeld int en de weegbrieven afgeeft.

Waagwerker

Persoon, werkzaam bij een waag, waagknecht.

Waaierbenenmaker

Ivoorwerker, gespecialiseerd in het vervaardigen van de waaierbenen.

Waaiermaker, waaiermaaktster

Vervaardiger/vervaardigster van en handelaar in waaiers. Deze waaiers, veelal gebruikt door vrouwen, waren opvouwbare halfcirkelvormige schermen, waarmee ze zich koelte toewaaiden (ook werden er heimelijke signalen mee gegeven). In de 18de eeuw had de waaier het toppunt van zijn populariteit waardoor er een grote vraag ontstond. Bij de waaiermakers kan men verschillende groepen onderscheiden, zoals degenen die de waaiers monteerden en degenen die de wapens beschilderden.

Waaierschilder

Persoon die waaiers beschilderde.

Waakmeester

  1. Belast met het toezicht op poorten en wallen en het uitzetten van de wachten.
  2. Bestuurder van een gilde, die moest controleren of de leden wel hun waakplicht vervullen.
  3. Persoon die bij watersnood het toezicht heeft over een deel van een dijk en de hulpmiddelen om eventuele schade te verhelpen.
Waakster

Oppaster bij zieken, eventueel kraamvrouwen.
Waakvrouw

Vrouw, ingehuurd om bij een overleden persoon te waken.
Waakzuster

Verpleegster in een ziekenhuis, die ’s nachts dienst had.
Waarborgambtenaar

Ambtenaar, die na het testen een keurmerk aanbrengt op voorwerpen, vervaardigd uit edele metalen. Aan dat keurmerk kon/kan men tevens het gehalte aan edele metalen zien.

Waard, waardin

Herbergier, kastelein, kroegbaas. Vr. herbergierster, kasteleinse, kroegbazin, echtgenote van de herbergier.

Waardeerder, waardeerster

Functionaris, die belast is met het toezicht op de kwaliteit van waren, werkstukken, keurmeester.

Waardijn

  1. Keurder (en opzichter) bij een lakengilde, die de laatste keuring verrichtte.
    De proefmeester of waardijn was de persoon bij een gilde die de kwaliteit beoordeelde van de keurder (en opzichter) bij een lakengilde, die de laatste keuring verrichtte.

  2. Keurmeester belast met het toezicht op het onderzoek en de waardebepaling van de metalen die voor de munten, die geslagen werden, zouden worden gebruikt.

Nieuwe leden van gilden dienden een meesterproef in te leveren waaruit de bekwaamheid van de betrokkene bleek. Bij eerder ingeschreven gildenleden controleerde de proefmeester de handhaving van de binnen het gilde overeengekomen kwaliteit.

Waardgelder

Een waardgelder is een huursoldaat of huurling in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
Het woord komt van het Duitse woord wartegeld wat wachtgeld betekent. In de 16e en 17e eeuw werden waardgelders aangesteld door de stadsbestuur ter bescherming van de stad tegen onlusten of aanvallen, als de eigen schutterij de situatie niet aankon.
Het had hiervoor toestemming nodig van de Staten-Generaal, die over de defensie van de Unie gingen.

Waardmeester

Opzichter over de waarden, de ingedijkte landen langs een rivier (uiterwaarden zijn de niet ingedijkte landen).

Waarschout 

Functie overeenkomend met een dijkgraaf.

Waarsman
meerv. waarsluiden.

Lokale ambtenaar, toegevoegd aan dijkgraaf of heemraden, belast met het toezicht op o.a. dijken, meestal gekozen in de dorpen of districten om bij de dijkgraaf de belangen van het dorp of district te behartigen.

Bron:
WNT

Wachtaanzegger, wachtbesteller

Persoon die de wachten oproept en hun vergoeding uitbetaalt.

Wachtbestuurder 

De wachtbestuurder is belast met het toezicht op het functioneren van de nachtwachten.

Wachter

(Nacht)waker, bewaker, persoon die waakdiensten verricht, o.a. als stadswacht, poortwachter, torenwachter, op schepen, in/bij gebouwen, in gevangenissen, als lijfwacht enz.
Vrouwelijke vorm: wachtster, wachteres.

Bron:
o.a. WNT

Wachtmeester (wagtmeester)

  1. Hoofd van de wachtdienst van een stad.

  2. Onderofficier bij de marechaussee.

Wachtschipper 

Schipper op een wachtschip. Dat is o.a. een schip dat de kust en de zeehavens bewaakt.

Wadvaarder

Schipper op een vaartuig met geringe diepgang.

Wafelbakker, wafelbakster 

Bakker/bakster van wafels (met behulp wan een wafelijzer).

Wafelmeisje

Verkoopster van wafels.

Wafelmeisje 19e eeuw.

Wagenaar, wagene(e)r, waeghener, waeghenman


mv. wagenaars of wagenaren
(slechts eenmaal aangetroffen. t.w. in Ned. Jaerb.1749. 986).
Hij die een wagen ment of bestuurt, voerman; bij personenvervoer veelal: koetsier; bij goederenvervoer: vrachtrijder), waeghenman, wagenaar. (oeroud.) voerman.

Dat van nu voorteen niemand als Wageneer met een wagen of ander rytuyg, de menschen van de Stad Amsterdam. na de voorsz. Maliebaan . . ., en vice versa, sal mogen rijden buyten twaelf voerluyden, daer toe in dit Wagenveer aentestellen. Handt. v. Amst. 1657a (17121). Verplichting van Schippers, Wagenaeren. en van alle die gene die eenig Zout of gezouten Vleesch of Spek vervoeren, zoo binnen als naer buiten deze Provintie. Ned. Jaerb. 1749. 986. Ten aanzien der Voerlieden . . . wagenaars en zoortgelyke Persoonen, welke gewoonlyk van de eene plaats tot de andere gaan.

Wagenaars genoten destijds vaak geen al te beste faam en werden dikwijls voorgesteld of beschouwd als ruw, onbeschoft, lawaaierig. drankzuchtig e.d. ‑ Een wagenaar wordt ook wel als blind voorgesteld, wat mogelijk wijst op al te vaak voorkomende gebreken als roekeloosheid en/of onoplettendheid.

Wagenjongen

Persoon in dienst van een kruidenier, die met een handwagen de bestellingen bij de klanten afleverde.

Wagenlichter

Arbeider in dienst van de spoor- of tramwegen, belast met het de- en monteren van de onderstellen van de wagons en zo nodig het repareren daarvan.

Wagenloper

Persoon, die een wagen begeleidt, eventueel het paard, c.q. de paarden bij de toom houdt.

Wagenmaker

Bouwer van allerlei soorten wagens voor personen- en of goederenvervoer.

Wagenmeester

  1. Voerman

  2. Opzichter over de postwagens en verantwoordelijk voor de postwagendienst.

  3. Officier belast met het transport van het materieel van een legeronderdeel.

Wagensmeerder

Werkman, belast met het onderhoud van wagens.

Wagenvoerder

Voerman.

Wagtmeester
Zie wachtmeester.

Walbaas

Ladingmeester, de persoon die de goederen in ontvangst neemt die in een schip moeten worden vervoerd.

Walgeldenpachter

Persoon, die de walgelden  heeft gepacht. De walgelden waren verschuldigd door de schippers gedurende de tijd dat ze aan de wal lagen om te laden of te lossen.

Walkapitein

Oudkapitein die voor een rederij toezicht hield op de bevoorrading van haar schepen en eventueel op eventuele reparaties.

Walker

Walken is treden, eigenlijk kneden met de voeten, o.a. in de aardewerkindustrie, bij de leerbereiding en in de textielindustrie; ook iemand in de wollenstoffenindustrie, die een walkmachine bedient.

Walmeester

Persoon in dienst van een stad, belast met het toezicht op de wallen en verdere verdedigingswerken.

Wanne(n)maker, wanne(n)breier

Vlechter van wannen, gevlochten platte rieten manden met twee handvatten.
Zie ook wanner voor het gebruik.

In Alkmaar bestond in de zeventiende eeuw het wan- en mandenmakersgilde.


Wanne(n)lapper 

De wannenlapper trok langs de boeren om de kapotte wannen te repareren.

Wanner

Na het dorsen van koren werd het door de wanners van kaf ontdaan. Het koren werd oorspronkelijk op wanmanden geschept en dan geschud en opgeworpen, waardoor het kaf door de wind werd weggeblazen. Reeds in de zestiende eeuw trachtte men dit proces te mechaniseren en ontstonden de eerste wanmolens. Met een handzwengel werd een schoepenrad in een gesloten trommel rondgedraaid, waardoor een luchtstroom ontstaat. Het graan viel vanuit een voorraadbak langzaam naar beneden, waarbij het kaf werd weggeblazen. Later werd de wanmolen ook nog uitgerust met schudzeven, waardoor ook grovere verontreinigingen (bijv. steentjes) (via een grovere zeef) en onkruidzaden (via een fijne zeef) van het koren werden gescheiden. De zeven werden geschud, eerst via een houten klopper, later met een nokkenas. Later werd de wanmolen aangedreven door een locomobiel of tractor. Nog later ook door een elektromotor. Tegenwoordig wordt het wannen in dezelfde werkgang als het oogsten gedaan met een maaidorser.

Wanthaler

De wanthaler had op een vissersboot de taak de netten (het want) uit het ruim of uit zee te trekken.
Wantslager 

Touwslager die speciaal touw voor scheepswanten vervaardigt.

Wantsnijder

  1. Verkoper van laken per el (destijds de gebruikelijke maat) in o.a. de lakenhal of als lakenwinkelier.

  2. Kleermaker, speciaal voor matrozen.

Wapencontroleur 

Persoon, belast met het controleren van draagbare vuurwapens.
Wapengraveerder 
Zie ook Wapen(steen)snijder, -steker.

Graveerde en sneed familie- en overheidswapens voor zegelringen en zegelstempels.
Wapenheraut 

Ceremoniemeester en woordvoerder aan een hof of verbonden aan een ridderorde en belast met de registratie en controle van de adeldom van de deelhebbende personen.
Wapenslager 

Wapensmid.
Wapen(steen)snijder, -steker (signetsnijder) 

Graveur van heraldische wapens in metaal of (edel)stenen, bijv. t.b.v. een zegelring of een zegelstempel.
Warandeerder 

Keurmeester van uiteenlopende producten, o.a. bij de saai-industrie maar ook van bijv. vlees en brood.

Warandijn

Ambtenaar bij de Munt, belast met de controle van het gehalte van het muntmateriaal.

Warmoesknecht 

Warmoesknecht is een tuindersknecht. Warmoes is groente. Een warmoezier (warmoezerier) is een tuinder die groentes teelde (en verkocht). Soms werd ook de groenteverkoper warmoez(en)ier genoemd.
(vr. warmoezierster, warmoezenierster).

Warmoezier, warmoezenier, warmoesman

Tuinder, kweker van groenten voor de verkoop.

Wasbleker

  1. Bleker van wasgoed

  2. Persoon die ruwe gelige was bestemd voor de vervaardiging van waskaarsen omzet in witte was.

Wasdoekmaker 

Vervaardiger van wasdoek, d.w.z. jute, katoenen of linnen weefsel, bestreken met lijnolievernis en kleurstoffen, dat door napersen van een patroon wordt voorzien en vervolgens gelakt.
Wasdraaier, wasgieter 

Vervaardiger van waskaarsen en toortsen.
Waskoper 

Handelaar in kaarsen en toortsen.
Wasmanger 

Handelaar in bijenwas.
Wasser, vr. waster 

Was/is een functie bij uiteenlopende takken van bedrijvigheid: o.a. bordenwasser, vellenwasser, wolwasser, wasser in een steenfabriek, in een zeemleerfabriek.

Wastrekker

Vervaardiger van wasstokken (flambouwen) en lange kaarsen door lange pitten een aantal malen in vloeibare was te dompelen.

Wasvrouw

Vrouw die beroepsmatig de was voor anderen doet. Dit kunnen burgers zijn, maar ook militairen. Evenals andere beroepswerkzaamheden heeft ook dit wassen een ontwikkeling gehad. Daar waar het wassen van het vuile wasgoed aan wasvrouwen werd uitbesteed werd het op de zolder of in een schuur gedeponeerd tot de wasvrouw het inzamelde. Na de vroege middeleeuwen toen althans de elite nog gaarne gebruik van badhuizen maakte, daalde het peil van de lichaamsverzorging. Onderkleding bijv. droeg men bij wijze van spreken zolang dat het versleten van het lijf viel. De onfrisse lucht bestreed men door het gebruik van reukwaters. Een kroniekschrijver uit de zestiende eeuw vermeldt van een zeer aanzienlijk persoon uit zijn dagen, dat hij – als zovele anderen stonk als rotte vis, dank zij zijn tekort aan wassen en baden. Het zich ontkleden en naakt baden zag men als een verval van goede zeden.1)

Oorspronkelijk werd het ter plaatse gewassen of meegenomen, veelal op een kruiwagen, naar geschikt water: rivier, meer, sloot, beek of gracht waar stenen of vlonders beschikbaar waren. Kon er bij/in huis gewassen worden dan werd er zo mogelijk gebruik gemaakt van heet water. Het wassen op een steen, eigendom an de wasvrouw of gehuurd, werd minder op prijs gesteld gezien een verordening van de raad van Neurenberg in de zestiende eeuw: “Een wasvrouw, die in loon voor anderen wast, mag niet op een steen wassen, aangezien het ter reiniging gegeven wasgoed hierdoor ernstig beschadigd kan worden.”1)

Elders moest worden volstaan met pompwater. Eerst werd het wasgoed natgemaakt en op stapels neergelegd. Vervolgens werd het ingezeept. Een zeepachtig product was hier te lande reeds bekend tijdens het begin van onze jaartelling. In de zeventiende eeuw was zeep zo duur dat alleen de rijken er gebruik van konden maken. Bij thuiswas werd het op een houten wasbord geboend in een houten tobbe en met een soort spatel (een plat stuk rond of vierkant hout met een handvat er aan) geslagen om het vuil er uit te krijgen. Als het voldoende gereinigd en gespoeld was, werd het ter droging en bleking op gras uitgespreid of aan lijnen of droogrekken gehangen. Aan huis/boerderij kon eventueel naast het opvouwen ook gestreken worden met strijkijzers die op de kachel werden verwarmd of waarin een kooltje vuur kon worden gedaan.

Waar mogelijk werd later gebruik gemaakt van warm water.

Ook het leger kende wasvrouwen, die met het leger meetrokken (kampvolgsters). Ze moesten officieel aangesteld zijn. Als regel moesten zij gehuwd zijn met een onderofficier of mindere. Als regel waren er een of twee per compagnie/ford aangesteld. Hun werkwijze was in principe gelijk aan die van de andere wasvrouwen, maar te velde moest er geďmproviseerd worden.

1) Ben van Eysselsteyn, De geschiedenis van de zeep.

Waterdrager, waterdraagster

Man, resp. vrouw die water aandroeg, o.a. voor vismarkten. Ook in glasfabrieken had men waterdragers nodig om de waterbakken van de glasblazers te vullen.
Waterhaler, waterschipper 

Deze haalde met zijn schip schoon water van buiten de stad (Amsterdam) o.a. ten behoeve van de bierbrouwerijen.

Waterklerk

  1. Ambtenaar belast met het innen en administreren van de verschuldigde water- en dijkpenningen.

  2. Bediende van een cargadoor of rederij die ten behoeve van binnenkomende schepen de noodzakelijke formaliteiten vervult, o.a. bij de loodsdienst en tolkantoren.

Waterlansier 

Functie in Amsterdam, waar hij met een lange stok allerlei troep ui de grachten moest vissen.

Watermeester

Ambtenaar belast met het toezicht op de wateren waarover de stad zeggenschap heeft en de kwaliteit van het water.

Watermolenaar

  1. Molenaar in een door waterkracht aangedreven molen.

  2. Molenaar van een molen, die dient om het waterstand in een polder op peil te houden.

Men onderscheidt twee typen watermolens: molens met een vijzel of met een scheprad.

Het beroep van watermolenaar werd veelal van vader op zoon uitgeoefend.
Meerdere watermolens werden langer dan een eeuw door eenzelfde familie bemalen.
Zo nodig moest ook ’s nachts of op zondagen gemalen worden.

Literatuur:
A. Bicker Caarten, Molenleven in Rijnland, Uitg. A.W.Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij, 1946.
C. Visser en J. Pieterse, Hollandsch molenboek, Uit. N.V. Holdert & Co, Amsterdam, zjt.

Waterschapsbode

Bode in dienst van een waterschap.

Waterschipper

  1. Schipper op een waterschip, een vaartuig dat op de voormalige Zuiderzee in gebruik was en voorzien was van een bun, gevuld met water, waarin de gevangen vis levend kon worden aangevoerd (in Amsterdam). Dit omdat de joodse bevolking uitsluitend levende vis wenste. Zie ook schommeljongen.

  2. Schipper, die met zijn schip of zoet water aanvoerde voor o.a. de brouwerijen (Amsterdam) of zoutwater voor de zoutwinning (zoutpannen).

Waterschout

De waterschout was belast met  de rechtspraak, die met de scheepvaart te maken had, zoals geschillen tussen reders, schippers en varend personeel. Tevens had hij het toezicht op de monstering van zeelieden waarbij ook nogal eens dubieuze praktijken voorkwamen.

Waterstoker, waterstookster

Man, resp. vrouw, die in een daartoe geschikt zijnde ketel water verwarmde en dat per emmer aan de huisvrouwen verkocht, die dit gebruikten voor de wekelijkse was. Als regel verkocht hij of zij nog allerlei artikelen, zoals borstels om voldoende inkomen te genereren.

Waterverkoopster

Verkoopster van schoon water.

Waterverkoper, waterboer

Verkoper van schoon water.


Watteerder

  1. Persoon die dekens met watten, d.w.z. afval van katoen en wol, vulde. Gevulde dekens waren vroeger populair voor het dekbed in zwang kwam.

  2. Persoon, de jassen enz. met watten voerde als bescherming tegen de kou.

Webbekoper 

Handelaar in webbe, een soort weefsel. Het woord webbe werd ook in het vroeg Middelnederlands gebruikt voor het weeftoestel. Wat voor weefsel webbe is heb ik nog niet kunnen achterhalen (HML) 
Wedman 

Functie in prov. Groningen. Gerechtsdienaar uit en door de stemgerechtigde ingezetenen gekozen.
Weefmeester 

Leiding gevende persoon in een weverij of de weefafdeling van een textielfabriek.
Weegmeester 

Waagmeester, persoon belast met het toezicht op het wegen en de controle op producten waarvoor bepaalde gewichten/een bepaalde kwaliteit zijn voorgeschreven zoals brood.
Weerglasmaker 

Vervaardiger van weerglazen oftewel barometers.
Weerglazenkoop 

Verkoper van weerglazen.
Weervisser 

Visser die gebruik maakt wan weren, d.w.z. en het water geplaatste gevlochten rijswerken waardoor de vissen in de richting van de fuiken worden geleid.
Weesmeester 

De weesmeester is als lid van de weeskamer belast met het toezicht op de wezen en weeshuizen.
Weesmoeder, weesmoer 

Vrouw, die naast de weesvader het hoofd is van een weeshuis.
Weesvader  

Man, die naast de weesmoeder het hoofd is van een weeshuis.
Weggenbakker, weggenbakster 

Bakker, resp. bakster van weggen, een wigvormige broodsoort, meestal gebakken van fijn tarwemeel.

Wegmeester, Wegopzichter

Ambtenaar, belast met het toezicht op de wegen.

Wichelroedeloper/loopster, wichelroedeganger

Man, resp. vrouw die met een wichelroede zoekt naar metaal- of wateraders. Ook wel naar aardstralen ter voorkoming van ziektes.

Bron:
H. v. Rijnenburg; WNT

Wieldraaier

Persoon, werkzaam in een lijnbaan met als functie het draaien van het wiel waardoor de touwstrengen om elkaar gedraaid werden.

Wielendraaier, wielenmaackere, wielmaker 

Vervaardiger van (spinne)wielen (dikwijls in combinatie met hout- en stoelendraaier); persoon die wielen voor treinen, trams enz. afwerkt.
Wielwerker 

Vervaardiger van wagenwielen.

Wierhaler, wiermaaier, wierschipper



Tegenwoordig wordt zeewier gezien als nuttig voedselelement en kent men er ook een medische (homeopathische) werking aan toe. Oorspronkelijk gebeurde het wierzeilen ten behoeve van versterking van de zeedijken, een van de oudste dijkvormen in ons land. Ook werd het gebruikt als afdichtings- en geluiddempingsmateriaal in huizen. Verder werd er op gegeven ogenblik kool van gemaakt om vieze lucht te bestrijden. Men denke daarbij aan de slechte leef- en woonomstandigheden van de arbeiders in de negentiende eeuw.
In het begin kende men alleen het geviste zeewier, d.w.z. het zeewier dat na rijping was losgeraakt en dat met stokken en harken aan boord werd gehesen. Na 1838 ging men om een betere kwaliteit te krijgen over tot het maaien van zeewier dat o.a. als vulling voor matrassen, kussens en stoelzittingen werd gebruikt. Het oogsten van het groene, nog niet rijpe zeewier begon eind juni en eindigde half augustus. Het wiermaaien, dat bij laagwater plaats vond waarbij de maaiers, meestal twee mannen in zware hoge z.g. broeklaarzen, met een gewone zeis tegen de stroom in, het wier maaiden.
Door het bouwen van de afsluitdijk veranderden de zeestromen rondom Wieringen waardoor het wier aan de zuidkant van Wieringen afstierf, waardoor de vissers en de verwerkers van het zeewier hun werk kwijtraakten.

Bron:
Nedhis mei 1991

Wijnmaker

Voor de Napoleontische tijd werd ook hier te lande wijn verbouwd. Om concurrentie met de Franse druiventelers te voorkomen, heeft Napoleon in ons land alle wijnstokken laten ruimen. Tegenwoordig worden er ook in ons land op verschillende plaatsen druiven gekweekt en diverse wijnen bereid. Voor het geheel van het proces van wijnbereiding zijn heel wat stappen nodig, afhankelijk van de wijnsoort die men wil(de) bereiden. Over de teelt van de wijndruiven en de verwerking tot de verschillende wijnen is inmiddels heel veel informatie verschenen, zowel in gedrukte vorm als via het internet, waar naar in dit geval wordt verwezen.

Witmaker, witmaecker, witleerbereider

De witmaker looide met behulp van aluin of andere minerale zouten of olie (schapen)huiden tot witleer of zeemleer (neringe ofte ambachte van de witmaeckerije). Witleer werd o.a. gebruikt voor het maken van boekbanden en bij de vervaardiging van kledij. Ook de vervaardiging van perkament werd tot de witmakerij gerekend. Ook komt als verklaring vilder voor met een opsomming van de vergoedingen die hij kreeg voor het afstropen van verschillende soorten huiden.

Bron:
o.a. WNT

Witwerker

Vervaardiger van “losse werken van week en sagt hout”.

Wolkaarder/wolkammer

Na het wassen en drogen van de wol werd deze gekamd of gekaard. Aangezien de haartjes dikwijls in elkaar waren gedraaid tot klitten, werd de wol vaak nog ingesmeerd met olie of vet reuzel). Dit werd smouten genoemd.
In het algemeen werd de betere kwaliteit wol gekamd (kamgaren). De korte haren werden gekaard met behulp van borstels die over staken met kaarden of metalen weerhaakjes beschikten. Deze wol werd voornamelijk gebruikt voor het vervaardigen van gemengde stoffen.

Wollewever 

Wever van wollen stoffen.
Via de gilden waren hun werkzaamheden streng gereglementeerd. Zo bepaalde het Wolleweversgilde te Utrecht in 1548 bijv. onder meer het volgende over de werktijden:
Ïtem waer enich giltbroeder, wesende een wollewever van zijn ambocht, die anders werckende bevonden wworde dan alleen by dachlicht, ende hy daerop bekuert worde, zal alsdan verbeuren vier stuvers tot desen gilde behoeff; ende dat soe menichmael hy daerop bevonden worde. Welverstaende dat sy des wynters by de keersse zellen moegen wercken van vyff urren tsmorgens beghinnende ende des avonts tot acht urren toe."
Wolverver 

Na het wassen werden de betere kwaliteiten wol geverfd. In de late middeleeuwen waren er reeds gespecialiseerde rood- en blauwververs (zie aldaar), veelal meesters in het gebruik van vooral plantaardige kleurstoffen.
Wolwasser 

Na de eerste sortering van de wol, soms los, soms ook in de vorm van schapenvellen, moesten de wolwassers de wol van het ergste vuil ontdoen door deze te wassen. Vroeger gebeurde dat in de standsgrachten.
Wringermaker

Vervaardiger van wringers, toestellen om het water uit het linnengoed te persen door het tussen twee rollen, die onder een zekere druk staan, door te voeren. Ze werden ook mangels genoemd (de voorlopers van de latere wringers).

Wroeger, wrougher 

Gemachtigde in een buurschap of mark, die overtreders aanbracht.

Wronger

Waarschijnlijk functie bij de sajetfabricage. Dan zelfde als sajetkammer.