Uitdrager, uytdraegher, vr. uitdraagster

Opkoper en verkoper van tweedehandse kleding en gebruikte huisraad, zowel in een winkel (uitdragerij) of langs de deuren.
“De Out-kleerverkoopers ende uytdragers sullen alle goederen geen uytgesondert, dan die sy in openbare erf of boedelhuysen sullen hebben gekocht, drie geheele dagen onbedeckt ende onverandert voor hare deuren ten thoon moeten hangen ofte setten (Keuren van Leyden 199, ed. 1658.

Uitgever

  1. Uitbesteder van weefwerk aan thuiswerkers.

  2. Persoon die boeken, tijdschriften, kranten (nieuws- en advertentiebladen) e.d. laat drukken en verspreidt.

  3. Rentmeester, administrateur die land in huur, leen of pacht uitgeeft.

Uitgloeier

Persoon die glasgloeilichtkousjes uitgloeide in een gasgloeilichtkousjes fabriek.

Uithaler

  1. Arbeider die in een (dak)pannenbakkerij de pannen uit de over haalt.
  2. Uitdrager van lijken.
Uitloger, uitloogster

Man, resp. vrouw die linnen bleekte door het met loog te behandelen.
Uitmaner, uitmaander, uytmaaner

Persoon die van stadswege aangesteld is om betalingen te vorderen.
Uitmeester

Bestuurder van een gasthuis die uitwonend is.
Uitmeter, vr. uitmeetster

Persoon belast met het (na)meten van goederen die belast zijn met accijnsen.
Uitmijner

Persoon die in het openbaar goederen veilt, o.a. boelgoederen (boeldag, bijv. na een overlijden).

Uitreder

  1. Meester, die de geweven lakens afwerkte d.w.z. kromp, perste, vouwde en inpakte.
  2. Degeen die een schip of een vloot uitrust voor de vaart, hetzij door optuiging, bemanning, bevrachting en/of bewapening.

Bron:
WNT

Uitrustmeester

  1. Persoon, die zorg droeg voor de uitrusting van een krijgsmacht.
  2. Persoon, die zorg droeg en verantwoordelijk was voor het uitrusten, reisklaar maken van schepen.
Uitslager

Persoon, werkzaam bij een waag, belast met de aan- en afvoer van de te wegen produkten.

Uitslijter, vr. uitslijtster

Kleinhandelaar, die als wederverkoper allerhande levensmiddelen e.d. of slechts enkele bepaalde zoals sterke drank in het klein verkoopt.

Bron:
WNT

Uitsnijder

  1. Slagersknecht, die de geslachte dieren uitbeent en verwerkt.
  2. Persoon die in een confectiefabriek de te verwerken delen uitsnijdt.
Uitsteker

Graveur, beeldhouwer of -snijder.
Uitvaartbeschikker

Persoon belast met de verzorging van een begrafenis
.
Uitventer

Persoon die in het klein koopwaar aanbiedt, meestal langs de huizen of op markten.
Uitwieder

Persoon belast met het verwijderen van onkruid of het uitdunnen van gewassen.
Uitzegger

Ambtenaar belast met uitzeggen, het verbannen van personen uit een bepaald gebied zoals een stad.

Uitzetter

  1. Arbeider die stenen uit de oven haalt.
  2. Verkoper in het groot, grossier.
  3. Commissionair.
Utermeester

Meester, die geen deel uitmaakt van een gilde
.

Uurglasmaker

Vervaardiger van glaslopers (zand- of water), waarbij de inhoud een uur nodig heeft om van de ene helft naar de andere te lopen.

Uurwerkmaker

Vervaardiger van uurwerken.
Uurwerksteller

Steller van de uurwerken van torenklokken.