Taalman, taalsman, taelman

Redenaar, spreker.
“Hier quam een taalman by, die met een droeve stem, En deftig lijk-geschrey quam maken over hem (Cats 2, 285 b.)
Iemand die in rechte voor een ander spreekt, zijn zaak bepleit, een advocaat; soms ook voor een procureur gebezigd.
“Omme als voirspraick, ofte taelman voor den Vierschare van Amsterdam te dienen (629a, anno 1559).
Later taalkundige.

Bron:
WNT

Taalmeester

Leraar in vreemde talen.

Taander, taender, taenman

Visnetten en zeilen van vissers- en binnenvaartschepen werden vroeger vaak in taan gekookt, waardoor ze sterker en duurzamer werden.
Taan is een geelbruine verfstof bereid uit taan oftewel run (eikenschors).
Men onderscheidde de taander of taanbaas en de taanknecht.

Taanmolenaar 

De taan- of runmolenaar maalde eikenschors (run) tot poeder ten behoeve van de taander.

Tabakker, tabaksteler, tabaksplanter

In de periode van ongeveer 1620 tot 1750 was de markt voor agrarische producten niet zo gunstig, zodat naar alternatieven werd gezocht. Een daarvan was de tabaksteelt. De eerste tabak zou omstreeks 1615 verbouwd en geoogst zijn in Zeeland en te Amersfoort. Deze teelt verspreidde zich snel vooral op de Veluwe. Het was vooral voor kleinere boeren een belangrijke bron van bestaan. Een gezin met twee kinderen kon al leven van de opbrengst van een stukje tabaksland van 0,4 ha. De meeste tabak ging naar de tabakskervers en tabaksspinnerijen in Amsterdam, waar de tabak tot pijptabak werd verwerkt. De tabak uit ons land was in het buitenland in trek. Weliswaar was de kwaliteit van de uit Engeland geëxporteerde tabak beter, maar veel duurder omdat die tabak uit Amerika gehaald moest worden.
Het zaaien en het opkweken van het plantgoed vergde veel zorg. Omstreeks half mei werd het plantgoed uitgeplant op bedden die beschermd werden door hagen van els of wilg of door heggen begroeid met klimbomen om de tabaksplanten tegen windschade te beschermen. Na het planten werd het groeiproces begeleid.. Dit begon met het “inschoppen”, het aanaarden van de planten, waardoor ze steviger kwamen te staan. Verder werden de planten “getopt” (het met de vingers afknijpen van de toppen of harten van de plant met de bloemtros, waardoor de voedingsstoffen de bovenste bladeren ten goede kwamen, die daardoor zwaarder, dikker en breder werden). Als de planten getopt waren, vormden zich zijscheuten uit de knoppen in de bladoksels. Ook deze moesten worden verwijderd. Deze handeling werd “suikeren”genoemd.
Het plukken of afsnijden van de bladeren na de groeiperiode noemde men het breken van de tabak. Eind juli en in augustus werden de onderste bladen, het “zandgoed” en het “aardgoed”, die het eerst rijp waren, geoogst. Deze bladen werden gebruikt voor het binnenwerk en het dekblad van sigaren. Het bovengoed of bestgoed, de bladen die het hoogst aan de stengel zaten waren in september rijp en werden dan geplukt. Dit blad was geschikt voor pruimtabak. Vervolgens werden de nog aanwezige zijscheuten, de zuigers geoogst.

De geoogste tabaksbladen moeste verder worden verwerkt. De geplukt bladen werden in een mand of op een kruiwagen naar de schuur gebracht. Daar werd van de bladen van het zand- en eerdgoed in het onderste deel van de middennerf een insnijding gemaakt van ongeveer 10 cm. De dikke nerf kon hierdoor beter drogen.
De ingesneden bladen werden door de ingesneden spleet aan (tabaks)spijlen, aangepunte stokken van essen- of wilgenhout, 150 – 180 cm lang en ± 2 ½ cm dik geregen. Na dit opspijlen werden de bladen over de spijl verschoven, zodat zij onderling op gelijke afstanden kwamen te hangen en elkaar nergens raakte. Daarna werden de spijlen opgehangen om de bladen te laten drogen Dit noemde men het schokkeren of schokeren van de tabak.
De tijd om af te rijpen voor het bovengoed was in onze korte zomers nauwelijks voldoende en de niet geheel gerijpte bladen droogden moeilijk. Het bovengoed werd daarom niet direct aangespijld, maar onderging een voorbehandeling: het zweten. De bladen werden daartoe gedurende acht dagen bedekt met stro of met een wollen deken. Hierbij moest men wel opletten dat de bladen niet gingen rotten.
Het droogproces duurde 4 tot 6 weken, waarbij de bladen langzaam afstierven om een goede kleurzetting te krijgen. Als het in de nazomer en herfst vochtig was stookte men vuren in de schuren en op andere plaatsen waar tabak werd gedroogd. Op plaatsen waar geen schoorstenen waren was dit in verband met brandgevaar verboden. Later ging men speciale vuurpotten gebruiken die minder gevaarlijk waren.
Wanneer de bladen zo droog waren dat ze niet meer gingen rotten of schimmelen, terwijl ze nog voldoende vocht bevatten voor de latere verwerking tot echte tabak, reeg men de bladen van enkele spijlen opeen, zodat de bladen dicht tegen elkaar zaten. Deze dicht bezette spijlen werden dan vlak bij elkaar opgehangen. Ook legde men de spijlen op elkaar zodat ze vierkante stapels of putten vormden. Men dekte deze af tot men ging opbossen, waarbij men ook de beschadigde bladen uitsorteerde.
Oorspronkelijk hing men de tabaksbladen te drogen op alle plaatsen waar maar ruimte was. Zo werd in 1651 op de zolder van de St. Joriskerk tabak gedroogd. Omstreeks 1660 is men begonnen speciale tabaksschuren te bouwen om het droogproces goed te kunnen regelen door meer of minder te ventileren. Reeds in de zeventiende eeuw heeft men de wanden van deze tabaksschuren van draaibare luiken (kleppen) voorzien, zodat men de luchtstroom kon versterken, verzwakken en bij vochtig weer kon afsluiten.
De productierisico’s bij de tabaksteelt waren groot en de oogstopbrengsten waren sterk fluctuerend. De teelt was ook erg arbeidsintensief.

Bron:
O.a. Tweestromenland, Inlandse tabak.

Tabakskerver

Het tabaksblad was niet zonder meer geschikt voor consumptie. Het werd eerst verwerkt door winkeliers en grossiers die er bruikbare producten van maakten. Zij sneden, kerfden daartoe de tabaksblaren. Kerftabak was een gewild halfproduct voor de vervaardiging van sigaren. Kerftabak was verder geschikt als pijptabak, pruimtabak en later voor sigaretten en shag. Vroeg in de negentiende eeuw werd het handwerk vervangen door machinale productie.
In de Amst. Crt. Van 27 maart 1798 komt de volgende advertentie voor:
In de fariek van Van Pastuning en Compagnie op de Nieuwe Heeregragt over de Plantagie in no. 561 te Amsterdam, zyn te bekomen alle soorten van gesneeden tabak van 7 ½, 9, 11, 12, 14, 16 tot 100 stuivers het pond met 10 pond over; snuif van f 20 tot f 70 de 100 pond; ook fraai Amerikaansch meel, daar men alle soorten van tabak, groene fariable tot een egaale roodrype kleur mede kan brengen en niet ongezond voor den rooker of pruimer, voor f 6 de 100 pond. Men kan monsters bekomen, maar niet minder dan 5 pond van de tabak1.

1. De firma had 17 Juni 1797 reeds dit tabaksmeel tot verving aanbevolen.

Tabaksmeleerder

Iemand die de verschillende soorten tabaksbladeren bij elkaar zoekt om tot de juiste melange te komen.


Jacob Oord
tabaksmeleerder in Joure (Fr.)

Bron:
J. Oord jr
.

Tabaksspinner, tabaksspinder, toebaccospinder 

De tabaksspinner draait tabak tot rollen en banden ineen tot karotten.
Tabakspijpmakers 
Zie pijpmakers.

Tafelhouder

  1. Iemand die geld uitleende tegen onderpand.
  2. Iemand die gelegenheid biedt tot het gebruiken van maaltijden.
Tafelmeester 

Persoon die het toezicht heeft over en opdrachten geeft aan de tafelbedienden.
Tagrijn, scheeps-tagrijn

Handelaar in tweedehands scheepsbenodigdheden.

Tallyklerk

Klerk die bij het laden en lossen van schepen de te lossen of te laden colli telt.

Talmeester, telmeester

Rekenmeester, meester in de cijferkunst.

Talschipper

Schipper van tal- of rondhout.

Taludbaas

Opzichter, die bij het afgraven van grond toezicht hout op het in acht nemen van het juiste talud (helling ter zijde van een weg, dijk, kade of wal, glooiing, beloop) om afschuiving te voorkomen. Het talud wordt geregeld naar de meerdere of mindere samenhang van de grondsoorten.

Taludwerker

Arbeider die de glooiingen van aardwerken op hun talud brengt
.

Tammaker, tammer, tammissier, teemsenmaker

Zevenmaker. Zeven dienden o.a. om verontreinigingen uit meel en melk te verwijderen.

Tand- en/of kiesmeester, tantist

Voorloper van de tandarts.
Het trekken van tanden en/of kiezen vond vroeger als regel door rondtrekkende kwakzalvers plaats, die er vaak een hele show van wisten te maken. Uiteraard gebeurde dat trekken zonder verdoving.
In 1818 werd deze titel ingesteld en als titel bij de wet verleend. Het afleveren van behoorlijke getuigschriften van bekwaadheid, aan alle degenen die tot … vroedmeester …, oogmeester, tandmeester en drogist ---- wenschen bevorderd te worden, Wet v. 14 Maart 1818 (Staatsbl. 160, a. 4 b. Alleen de oog- en tandmeesters, die in het Rijk gevestigd zijn, zullen de bevoegdheid hebben, om, op een getuigschrift van bekwaamheid, verkregen bij eene provinciale kommissie, hunne kunst in het geheele Rijk uit te oefenen. Reglem, a. 19, bij Besl.v. 31 Mei 1818 (Staatsbl. 25).

Tangenmaker

Oorspronkelijk smid die gespecialiseerd was in de vervaardiging van allerlei tangen voor verschillende doeleinden waarbij het vast te pakken voorwerp niet zonder meer kon worden vastgepakt zoals bijv. een kooltje vuur, een in de juiste maat/vorm te smeden hoefijzer of voorwerpen waarbij handkracht niet toereikend was.

Tapisserie- of tapijtwerker

  1. Vervaardiger en verkoper van (wand)tapijten. Anders dan door de borduurwerkers werden de wandtapijten, tafelkleden en stoelbekledingen geweven. In Nederland kwam deze tak van industrie van de grond door Vlaamse tapijtwevers. De vervaardiging vindt plaats door een bepaalde weeftechniek, eigenlijk een techniek die tussen weven en borduren in staat. Er wordt gebruik gemaakt van twee soorten weefgetouwen, die echter in principe gelijk zijn. Bij de ene staat de ketting verticaal, bij de andere ligt ze horizontaal. Met een groot getouw konden tapijten van bijv. 5 meter breedte worden gemaakt. De modellen voor de wevers werden vervaardigd door kartonschilders.
    Het borduren op stramien wordt soms ook als tapisserie omschreven, maar hoort qua middeleeuwse handwerkslieden thuis bij de borduurders.

    Info o.a.: W.R. Sevensma, Wanttapijten

  2. Behanger en/of tapijtlegger.

Tapper

Verkoper van bier, gedistilleerd en wijn.

Tapster

Verkoopster van bier, gedistilleerd en wijn.

Tar-, tarra-, tarremeester

Alle de tarbrieven, binnen deselve tijd uytgegeven ende by den tarmeesteren ondergeteyckent, sullen by de voorgeschreven vollers aen haer voorschreven verdient arbeytsloon voor gelt moeten aenghenomen werden werden ende daeraen cortinge laten strecken (Posthumus, Leidsche Textielnijverheid, 1639); “Dat, soo wanneer eenige beschadigtheyt van Rot, Nat, Mot of  anders, aan eenige Baal … bevonden mogte  werden, den Verkooper gehouden sal zijn de voorsz. Beschadigdheyt by behoorlyke Tarrabrieven te laten korten” (Handv. V. Amsterd., 1ste Verv. 67 a, anno 1686).
Dat de tarra-meesters met alle vlijt ende naerstiheyt de Lakenen voor haar gebracht besigtigen, ende de gebreken daer inne bevonden getrouwelick taxeren sullen (Handv. v. Amsterd. 1133 a, anno 1590.; de Tarremeesters sullen van elck Laken voor haer salaris ontvangen vier stuyvers” (1334 a).
Ende sullen de voorschreven tarrameesteren de straffen ende tarren met soodanige boeten ende straffen, als syluyden sullen goetvinden, waar naer henluyden so de noppers als trapiers ende coopluyden sullen moeten gedraghen ende tevreden houden (Posthumus, Leidsche Textielnijverh.,1647).

Tasker, tasscher

Optaster, stapelaar in een steenbakkerij, tichelwerk.
Taslegger

Persoon die in een tas de korenschoven of het hooi optast.
Tassenmaker, tassier

Vervaardiger van leren tassen, beurzen, aaszakken en veelal ook riemen.
Taververnier, taverniester

Houder/ster van een taveerne, koffiehuis.
Teekenmeester

Iemand die onderwijs in de tekenkunst geeft.
Teeldraaaier

De teeldraaier vervaardigt op een draaibank houten telen, teilen en kommen.
Teenbosser

Tenen, dunne takken, voornamelijk van wilgen, maar ook wel van populieren, worden tot bossen gebonden om verder be- en verwerkt te worden (o.a. mandenmakers en kuipers).
Teerkoker, teerkuiper

Producent van teer. Deze donkerkleurige vloeistof werd door droge destillatie gewonnen uit hout en steenkool en werd gebruikt voor het verduurzamen van hout- en touwwerk en voor verlichtingsdoeleinden (teertonnen).
Teerlingmaker

Vervaardiger van dobbelstenen.

Telegrafist

Voor dat de telex, automatische radioapparatuur en computer met al zijn mogelijkheden tot ontwikkeling kwam maakte men onder meer gebruik van telegrafie. Een semafoor was een optische telegraaf die met behulp van seintorens een afstand van tien tot twintig km kon overbruggen. Later kwam de elektrische telegraaf tot ontwikkeling waarbij de telegrafist tekst omzette in een elektrische code, als regel gebaseerd op morsetekens. Later werden deze tekens verzonden via de radio (radiotelegrafist). Een radiotelegrafist werd ook marconist genoemd. Men kon ongeveer honderd lettertekens per minuut verwerken.

Telexist

Na de ontwikkeling van de telegraaf kwam de telex tot ontwikkeling. Dit was typen op afstand. Wat op de ene typemachine werd ingetikt, werd elders uitgetypt.
In Nederland begon de PTT met een telexdienst in 1932.

Tichel-

Het basiswoord tichel kent verschillende betekenissen: dakpan (zowel vlak als een vloertegel, maar dikker) en halfrond, baksteen voor metselwerk, vierkante vlakke vloersteen, soms muurtegel.

Tichel-, tiggel-, tegel-, (dak)pannenbakker
Zie steenbakker voor de vervaardiging..

Tichelaar, tichelwerker
Arbeider bij een tichelwerk.

Tichelbaas
Baas, hoofd van een tichelarij

Ticheldekker
Persoon die een tegeldak maakte, dakwerker, dakpannenlegger (Zuid Nederland).

Tichelmeester
Door de lokale overheid aangestelde personen, belast met het toezicht, veelal jaarlijks door het stadsbestuur gekozen. (Utrecht: tichelmeister) In Zwolle stond in hun instructie dat ze behalve enkele andere  werkzaamheden “sullen den tychelsteen koepen ende brengen op ’t werk, off dair dit belegen ende bequeemst is, ende den tycheloven mytten huswe in opsien hebben. De naam tichelmeester leidde echter gemakkelijk tot verwarring omdat de steenbakker veelal ook meester was en zowel meester ticheler als tichelmeester genoemd kon worden.

bron:
De steenbakkerij in de Nederlanden tot omstreeks 1560, auteur dr. J. Hollestelle

Tichelstrijker
Tegel-, steenvormer.

Tiendbloker

Persoon aangesteld door de notaris om de tienden op te nemen en om er inlichtingen over te geven.

Tiendgaarder

Persoon belast met het innen van de tienden in geld of in natura.

Tiendheer

De tiendheer bezig het recht een of meer tienden te heffen. De heffing van tienden is een vorm van belastingheffing van tien procent op gewassen, gegroeid op grond van de tiendheer en/of van de jongen van dieren, geworpen op grond, die door pachters in gebruik was. Deze vorm van belastingheffing is ontstaan in navolging van het Joodse gebruik tienden af te dragen aan de priesters. Verschillende vroegere kerkvaders drongen er op aan dit gebruik na te volgen. Zo ontstond in Europa het zakelijk recht op deze vorm van belastingheffing, dat door overdracht ook in handen kwam van wereldlijke gezagsdragers als vorsten en andere gezagsdragers. Tot in de negentiende eeuw werden dergelijke rechten gevestigd. In 1907 werd dit instituut afgeschaft. Op verschillende plaatsen in ons land kent men nog tiendwegen, die herinneren aan deze vorm van belastingheffing.

Tiendpachter

Pachter van de opbrengst van een of meer tienden.

Tiendschatter

Persoon die schat wat de tienden in een bepaald jaar kunnen opbrengen.
In de Heerlijkheid Oudshoorn en Gnephoek bood Pieter Adriaan, baron van Reede en Oudshoorn aan Huibert van Doorn bij diens jubileum als tiendschatter in 1865 een geschenk aan.

Tijdingkramer

Rondtrekkend koopman in nieuwstijdingen, gedrukte nieuwsberichten en vliegende blaadjes waaruit de kranten zijn voortgekomen. Het woord tijding leeft nu nog voort in woorden als doodstijding, jobstijding en scheepstijding.

Tijkenmaker

Vervaardiger van beddentijken, overtrekken van beddenkussens, peluwen, veren bedden enz.

Bron:
WNT

Tijkenwever

Wever van stof voor de vervaardiging van tijken, een min of meer grove damastachtige stof, geheel of gedeeltelijk van katoen.

Tijnsmeester

Ontvanger van tijnsgelden.
Tijns is een periodieke, aanvankelijk doorgaans onafkoopbare uitkering tegen welke enig goed door de eigenaar in vastgebruik is uitgegeven.

Bron:
WNT

Tinnegieter

Tinnen voorwerpen hebben eeuwenlang een belangrijke plaats ingenomen in de huishoudingen.
Door het lage smeltpunt (plm 230 gr. C.) kan het betrekkelijk gemakkelijk in allerlei vormen worden gegoten zoals eet- keukengerei en siervoorwerpen. De mallen, voor het gieten gebruikt, zijn van brons.
De diverse onderdelen van gecompliceerdere tinnen voorwerpen werden/worden los gegoten en werden/worden daarna aan elkaar gesoldeerd.
Het tin dat ruw en dof uit de vormen kwam/komt werd/wordt gepolijst.
Naast gegoten tin werd platwerk vervaardigd uit tinnenplaten. In dit beroep ontstonden verschillende specialisaties.

Bron:
B. Dubbe, Tin en tinnegieters in Nederland, 2e druk 1978

Tinnenlepelgieters

Tinnegieter, gespecialiseerd in het gieten van tinnen lepels.

Toetser

Ook proef- of keurmeester. Bij goud- en zilverwerken wordt het gehalte bepaald met behulp van een toetssteen of toetsnaalden.

Toetuigersbaas

Ook toetuiger. Optuiger van schepen, ze van want (touwwerk) voorziet.

Tolbaas

Beheerder van een tol.

Tolgaarder

Inner van tolgelden. Er werd tol geheven op vele manieren, zowel in ons land als elders zowel te land als te water. Bekend  zijn bijv. de Sonttollen, nu bekend als belangrijke historische bron, o.a. voor genealogen.
Het heffen van tolgelden was alom verbreid. Zowel op wegen, bruggen als op waterwegen werd op vele plaatsen tot geheven.
Personen, dieren, voertuigen en schepen waren tolplichtig. Waar weinig passanten waren, kon een enkele tolbaas (met zijn gezin) volstaan. Op drukke (scheepvaart)routes had men een uitgebreide bezetting nodig.

Tolheffer

Degeen, die het recht heeft om tol te heffen. Dit kan bijv. een vorst of andere heerser zijn, maar bijv. ook een waterschap. Vaak werd het tolrecht verpacht, een enkele keer verkocht.

Tolhouder

Eigenaar of pachter van een tol.
Tolknecht

Werkzaam bij een tol.

Tolschrijver

Persoon, in overheidsdienst die de ontvangen tolgelden administreert.

Tonnenlegger

Persoon die zich bij contract verbonden heeft voor de zorg voor rijksbebakening, het aanbrengen en onderhoud van  de betonning in scheepvaartroutes.

Tonnenman, tonnenwerker, tonneur

Arbeider de privaattonnen plaatste, leegde en reinigde. Een vak waarover de nodige smeuige verhalen de ronde deden. Zoals van een tonneur, die zijn gebit in een ton liet vallen, het er weer uitviste, het in de gracht schoon spoelde en het toen weer in zijn mond stopte. Of van de kwajongen die een paar keer een gevulde ton omstootte, waarna de tonneur de vieze boel moest opruimen. Een volgende keer stelde de tonneur zich verdekt op en toen de jongen de ton weer wilde omgooien greep hij hem en “zeepte” zijn gezicht goed in met de inhoud van de ton. Een handeling die afdoende was.

Tonnenmeester, bakenmeester

Deze is belast met het opzicht op de zeetonnen, de bakens op scheepvaartroutes.

Tonner, tonnist (ook vrouwen, tonsters)

Arbeider/ arbeidster die tonnen vulde, o.a. bij het lossen van schepen bijv. granen als gerst, rogge en tarwe, zaden als raap- en hennepzaad, vruchten als appels en ook turf. Al deze werkzaamheden waren streng gereglementeerd.

Toommaker 

Vervaardiger van paardentomen, het geheel van gebit, hoofdstel en leidsels om paarden te mennen.
Torenblazer 

Torenwachter, tevens belast met het blazen van de uren.

Torenmeester

Bewaker van de in torens in walmuren, kastelen of anderszins opgesloten gevangenen.

Tornster 

Vrouw die naai- of stikwerk lostornde met behulp van een tornmesje. O.a. in de papierindustrie, die oorspronkelijk als grondstof voor het fijne papier linnen vodden gebruikte en voor het grauwe papier o.a. grovere vodden. Deze vodden moesten ontdaan worden van ongerechtigheden als knopen en haken. Verder werkten ze in een stoffenververij en in schoenfabrieken bijv. om verkeerd gestikte of beschadigde schoenschachten los te tornen.
Touwbaas 

Persoon die toezicht houdt en op leiding geeft in een weverij bij (het instellen van) weefgetouwen (gewoonlijk over 100 touwen).

Touwdraaier, touwslager (touwdraeyer)

  1. van dun werk of lijndraaier
  2. van scheeps- en ander zwaar touwwerk

Touwslagerijen behoorden hier te lande tot de voornaamste takken van nijverheid. Keurmeesters zorgden er voor dat de hennep, destijds de grondstof, voor er touw van werd geslagen, aan bepaalde voorwaarden voldeed. Bij keuren werd bepaald, hoeveel vademen van de verschillende touwsoorten er uit een pond hennep gesponnen moest worden. Het touw, dat gereed was, werd opnieuw gekeurd en gemerkt.

Het vervaardigen van touw is van oudsher in de handen van touwslagers in de touwslagerij oftewel lijnbaan. Voor het in elkaar draaien van de hennepvezels werd gebruik gemaakt van het (houten) baanderswiel met een brede velg dat met de hand rondgedraaid werd door de baandersjongen. Dit draaien moest vrij snel en regelmatig gebeuren. Het was een saai en vermoeiend werk. De jongen mocht daarom op een houten bankje zitten dat bij het toestel stond. Eerst werden strengen vervaardigd. Op regelmatige afstanden waren bossen hennepvezels beschikbaar voor de touwdraaier. Deze had ook om zijn middel een jute zak vol hennepvezels om zijn middel hangen van waar hij achteruitlopend de streng liet ontstaan. Als zijn voorraad op was kon hij die door de klaarliggende vervangen.

Afhankelijk van de dikte van het te vervaardigen touw werden dan groepjes strengen aan haakjes het wiel bevestigd. Aan de andere kant werd het aan een haak, het lammeroen, van de z.g bok, vastgezet. De bok was een tweewielig karretje met een over de grond slepend uiteinde, waarop gewichten konden worden geplaatst om de kracht waarmee de touwen in elkaar werden gedraaid te regelen. De strengen werden door de touwdraaier met behulp van een klos, een taps toelopend en ingekerfd stuk hout,  tot touw gedraaid. Het aantal kerven werd bepaald door het aantal strengen, waaruit het touw werd gedraaid. Voor dikker touw werden dunnere touwen op gelijke wijze in elkaar gedraaid. Het draaierswiel stond als regel onder een afdakje, de baan was al dan niet (gedeeltelijk) afgedekt.

Men onderscheidde twee soorten touwslagerijen: scheepstouw- en boerentouwslagerijen. De eersten leverden touw ten behoeve van de scheepvaart, de boerentouwslagers vervaardigden touw ten behoeve van de boeren als paardenleidsels, koeientouwen en ook touw ten behoeve van de binnenscheepvaart, bijv. trekschuiten.

Naast de touwslagerijen, die het hele produkt leverden, waren er ook groot- oftewel grofgarenbanen, waar het grovere garen als halffabrikaat werd geslagen ten behoeve van grote lijnbanen voor de scheepvaart. (Daarnaast waren er klein- of fijngarenbanen waar het fijnere garen werd vervaardigd voor visnetten).

De inwoners van Oudewater hadden als bijnaam “geelbuiken”, ontleend aan de bundels gele hennep die de lijndraaiers om hun middel wikkelden.

Touwer

  1. van leer, leertouwer
    Het opmaken, prepareren van verschillende soorten leer voor uiteenlopende doeleinden alvorens ze in de handel te brengen. Men verwerkte o.a. verse, droge en gezouten herten-, buffel, geiten-, schapen, koeien en ossenhuiden.
  2. touwslager
    Zie aldaar
    .
Touwkookster 

De touwkooksters deden hun werk op straat. Ze verzamelden oud touw en kookten dat in een grote ketel, waardoor teer en pek van het touw werd gescheiden. Het pluizige touw, dat na het koken overbleef verkochten ze aan scheepswerven, die het gebruikten als breeuwsel, waarmee de naden in de scheepshuid werden gedicht.

Touwmeester

Meester touwslager.
Ende getrouwelijck … te doen, gelijck een getrou toumeester schuldich is, soo in ’t maken van banen, in ’t hueren van de knechts, in het spinnen van ‘’t gaeren, bereyden van den hennip, slaen van de touwen en anders wat daertoe behooren mocht. Econ.-Hist. Jaarb. 2, 274 (1630)

Bron:
WNT

Touwpluizer, touwplukster 

Vrouw die oud touw uitpluist ten behoeve van het breeuwwerk van schepen.
Touwsteller 

Persoon die belast is met het stellen van weefgetouwen
.
Traankoker, traanmaker, traansieder, traensyeder 

Na de opheffing van de Noordse Compagnie kon iedereen ter walvisvaart gaan. Hier te lande waren o.a. de Zaanstreek, Jisp, De Rijp, Harlingen en Dordrecht actief. In goede jaren werden wel 30.000 walvissen gevangen, waaruit een traanproducie van ongeveer 500.000 ton, die gedeeltelijk ter plekke werd gewonnen. Maar ook hier te lande werden op verschillende plaatsen traankokerijen opgericht waar het walvisspek werd gekookt en in traan werd omgezet.  Meestal werd het spek in vaten aangeleverd, maar een enkele keer werden er complete walvissen bij de traankokerijen afgeleverd.
De traankokerijen waren berucht om de stank die ze verspreidden. Arbeiders, die in een traankokerij werkten werden daarom wel traanbok genoemd. (Een bok verspreidt ook een onaantrekkelijk luchtje). In Noord-Holland bezigde men roodkoperen pannen, in Zuid-Holland ijzeren.

Traanroeier

Persoon in dienst van de overheid belast met het peilen, meten, het vaststellen van de hoeveelheid traan in een vat. “Deeze Vaten of Quordelen ….. worden door een gezworen Traanroeyer gemeeten”

Bron:
WNT

Trafikant

Handelaar, koopman, neringdoende. Persoon die het koopmanschap bedrijft. Persoon, die zelf geproduceerde producten verkoopt als branders, roustookers, brouwers, styfselmakers en diergelyke Trafikanten.

Bron:
WNT

Trapier 

Hetzelfde als drapier.
Trappelaar 

Voetvolder, volder.
De volder trad in een kuip wollen stoffen (laken) in een kuip gevuld met urine en vollersaarde om het laken te verdichten. Als ze naar hun werk gingen hadden ze een kruik met urine bij zich.
Daaraan is de bij- of scheldnaam “kruikezeiker” ontleend.

Trapper, trapster

  1. Iemand die de blaasbalg van een orgel trapt zolang op het orgel wordt gespeeld
  2. Iemand die het veen treedt. De trapper steunde daarbij op twee stokken met handvat.
  3. Werkman die de in een steenbakkerij enz. te bewerken klei met de voeten tot een egale massa treedt.
Trappersdrukker 

Drukker, die papier bedrukte met behulp van een trapdegelpers.

Trasbereider, -ma(a)ker, -maler, -molenaar

Tras, variërende van gruis tot poeder, werd verkregen door het malen van tufsteen. Het werd gebruikt in mortels die moesten dienen voor bijzonder vast en waterdicht metsel- en pleisterwerk.

Bron:
WNT

Trasmeter

Keurder van tras.
“Dat oock van nu voortaan geen Tras-steenen bye enige Tras-Verkoopers, Tras-maalders ofte yemand anders in eenigerhande manieren zullen mogen worden opgedaen, dan alvorens door de Beëedigde Tras-meeters gemeten zijnde, (Ordonnantie Tras- en Tras-steenen B 1 r, Dordr., 1696).

Bron:
WNT

Treeftmaker

Het begrip treeft heeft een ontwikkeling doorgemaakt. Oorspronkelijk wat het een ijzeren, soms koperen ring op drie poten en voorzien van een handvat, gebruikt om een pan, pot of ketel boven een open vuur te kunnen plakken, later een rooster, al dan niet op poten met dezelfde bestemming. Ook kende men treeften zonder poten, opgehangen aan een ketting.
Men kende ook treeften om een brandijzer op ter verwarmen. Een kunstenaar, die etsen vervaardigde gebruikte de treeft om de etsplaten te verwarmen en zware ijzeren treeften om planken te buigen. Het maken van treeften kan men zien als een specialisme ven het smidsvak.

Bron:
WNT

Treinbaas 

Leider van een legertrein, een kolonne militairen
.
Treincommandant 

Bevelvoerder van een legertrein.
Treinfiscaal 

Jurist, die als adviseur van de commandant deel uitmaakt van een legertrein.
Trekarbeider (baggelaar) 

Arbeider die in de lage veenderij werkte. Hij baggelde het veen van onder de waterspiegel uit de z.g. petgaten en smeet die met water aangelengde brei, de klijn, in een grote platte houten bak, waarna de menger hier een min of meer egale massa van trapte en die op de stroken land tussen de petgaten, waar deze een aantal dagen bleef liggen indrogen, smeet, waarna de turfmaker (met zijn gezin) in actie kwam voor de verdere bewerking.

Trekker, trecker

  1. van goud- en zilverdraad. Dit werd door steeds nauwere gaten getrokken tot het de juiste dikte had.
  2. helper bij het weven met behulp van een weefgetouw dat uitgerust was met een trek, een mechaniek dat het mogelijk maakte bij het weven van patronen in de stof een aantal kettingdraden gelijk omhoog te trekken.
  3. jongen, die bij het met de hand vervaardigen van papier, de vellen uit de zeef ophoog trekt en tussen vilten stapelt.
  4. degeen die bij loterijen belast is met het trekken van de loten.
  5. persoon (ook wel dier) die een schip voort trok.
Trekschipper, trekschuitschipper

Schipper op een schip voor vervoer van mensen of vracht, dat met behulp van een jaaglijn door een scheepsjager met paard, maar ook wel met behulp van menselijke kracht (o.a. de vrouw van de schipper, eventueel samen met een king) werd voortgetrokken.

Trekwerker, trekjongen

1. Arbeider, bijwever.

Bij bepaalde weefgetouwen als de in omstreeks 1700 in gebruik genomen  kegelstoel, moest het kegelregister (e) door een bijwever, de trekwerker of trekjongen bediend worden.


Kegelstoel, die rond 1700 gebruikt werd voor het weven
van zijdestoffen met grote patronen.

2. Werkzaam bij de fabricage van suikerwerken, waarbij het suikerwerkdeeg door trekhaken werd gekneed.

Bronnen:
WNT,
J.B. Grasbergen, Beroepsnamenboek,
P.J.M. van Gorp, Technologie van de Schaftweverij waar de afbeelding aan is ontleend.

Tremmer

  1. Arbeider\arbeidster die bij de pijpenfabrikage met de hand de randen van de pijpen bijwerkte en met een priem het rookkanaal verwijdden.
  2. Arbeider aan boord van door stoomkracht aangedreven schepen belast met het verstuwen van de kolen in de bunkers en het transporteren daar vanuit naar de stookplaats, de vuren schoonmaken en het stookafval over boord werpen, of bij het laden of lossen van los gestorte goederen als graan met een schop verspreiden of uit hoeken bijscheppen.

Trensster, trenzenmaakster (ook trenzenmaker)

  1. Vlechter/vlechster in een pruikenmakerij.
  2. Vervaardiger/ster van haarvlechten.
Trezorier, tresaurier, trezorierster 

Een trezoor is oorspronkelijk een schat, een voorraad kostbare zaken als goud, zilver en geld, o.a. toebehorende aan een kerk of een stad e.d., later ook de hoeveelheid geld waarover een met geldzaken belaste ambtenaar kon beschikken. De beheerder van de geldmiddelen van een staat, een stad, een genootschap, een college enz. werd trezorier, tresaurier genoemd.
Tricoteuse 

Breister.
Trieljemaker, trieljewever, trieljewerker 

Vervaardiger van trielje, sterk opgemaakt en op een glad-machine geglansd linnen of katoen, o.a. gebruikt als voeringstof.
Trijpdrukker 

Trijp is onder meer een soort fluweel, waar de trijpdrukker met een gaufreerwals, waarop een bepaald motief in reliëf is gegrafeerd en met behulp van natronloog een bepaald motief drukt in de opstaande poolstoppels. Trijp diende als stof voor kleding en later vrijwel uitsluitend voor het bekleden van meubelen.
Trijpenier, trijper 

Handelaar in trijp
Trijp is ook de benaming van slachtafval, de inwendige organen van het geslachte vee, deels gebruikt voor de menselijke consumptie (zoals ook vandaag de dag nog wel gebeurt. De ouderen kennen ongetwijfeld nog pens, uierboord, zure zult en uierboord. Lever wordt ook nu nog gegeten.
Trijpfabrikeur 

Fabrikant van trijp, oorspronkelijk een soort fluweel, onder meer gebruikt voor (gala)kleding, wand- en meubelbekleding. Het werd vervaardigd uit een grondweefsel van linnen of katoen en een poolketting van wol (geitenhaar), mohair.
Later werd trijp een fluweelachtige stof vervaardigd uit wol, vooral gebruikt voor de bekleding van stoelen. Deze stof stond ook bekend als velours d’Utrecht.
Trijpscheerder 

Scheerder
.
Trijpverver 

Verver van trijp. Zie voor de stof trijp de trijpfabrikeur
.
Trijpvrouw

Handelaarster in en schoonmaakster van trijp, slachtafval, pens
.
Trijpwever 

Wever van trijp
Trippenmaker, trippemeker 

Een trip bestond uit een houten zool met een riempje over de wreef, vroeger o.a. dracht voor priesters en monniken. Vanaf de zestiende eeuw gebezigd als muil of sandaal, later ook nog gedragen in de zomer. Later ook bij de laagveenverwerking de plankjes die de veenarbeider met riempjes onder de voeten bevestigde om het veen aan te stampen (tripplankjes). Ook wel plankjes, die onder de voeten van paarden werden bevestigd, als het land, dat bewerkt moest worden, erg drassig was.
Tripper 

Veenarbeider, die met rippen aan de voeten het veen aanstampte. (Bagger-, veentripper)
Troffelmeester 

Opzichter over het metselwerk
Trommelaar, trommelaarster, trommelslager 

Man, resp. vrouw die man of vrouw, die de trommel sloeg, o.a. bij het ten strijde trekken of paraderen en om signalen te geven.

Twijnder
Zie ook garentwijnder.

De wol, die tot een dikkere of dunnere draad werd gesponnen konden getwijnd worden. Dit wil zeggen dat twee of drie van die draden in elkaar werden gedraaid tot een dikkere draad.
Oorspronkelijk sponnen en twijnden de vrouwen zelf. In sommige streken werden deze garens geweven tot stoffen als vorm van huisindustrie, maar soms ook verwerkte een wever deze getwijnde garens tot stoffen.