Schilderij hersteller (het herstel van het conterfeitsel)
(Dit is de originele benaming die er hier gebruikelijk voor was .)

Het is in het midden van de zestiende eeuw, dat we in de archieven in Amsterdam de eerste berichten kunnen lezen over "herstellinghe" dat nodig is om de toestand, waar een aantal schilderijen in zijn geraakt en weggezet "in onbruick". Dit - "bereiden" = weer goedmaken, wordt dan met notities vermeld. Wat later vinden we dan weer een bericht.
Om het gebruik van de schilderstukken in de Kamers van de Schutterij zo niet meer kan en er klachten zijn, is het werk weggehaald. Oudere leden waren aan de wand zo niet meer toonbaar en de kleinzonen vonden het een grote schande worden.
Ook andere gevallen worden zo ook genoemd in archief mededelingen, zoals bij een boedel notitie.
Opmerkingen, dat die werken anders weggegooid moeten worden, leest men in een sappig Oud-Hollands!
Ook zijn er vermeldingen over het ingrijpen: Opnieuw vernissen, "herhalinghe", het opnieuw inramen (opspannen van doeken) bij schilderijen op doek. Bij het echt haast onzichtbaar worden en na langer "te gespannen" zijn geweest, - ( 1 ) wordt geprobeerd het conterfeitsel,  dus het schilderwerk, het portret, door "wassinghe"en dan er na "droginghe" te herstellen en vervolgens het weer te vernissen.

Tevens wordt elders  het bestrijken met verschillende vloeistoffen vermeld in afwisselende volgorde.
Ook het inwrijven van verschillende oliesoorten. Vooral de achterkanten van schilderijen op doek worden zo behandeld. Met name hier dan "Gekookte olieen ". Vaak worden "bewassinghe" genoemd, bij de voorzijde.

Het bestrijken c.q. belijmen o.a. van de achterkant komt men ook als vermelding weer tegen. Werk van Rembrandt wordt te Amsterdam genoemd.

Over het "verdonkeren" wordt ook geschreven, als vermelding in een archief, waar men ook heeft vermeld, dat kunstschilders zelf, het teruggebrachte werk, door "wassinghe" behandelden en pas "na droginghe", het buiten in de zon plaatsten, "maar geen langeren tijd".
Men moest het werk met de voorzijde dan tegen het "verdonkeren aan het licht brengen".
(Notitie te Amsterdam overgenomen)

Wat later vermeldt men "belijmingen" bij beschadigd werk.
Ook het "verkorten", bij beschadigde "paneelen", zoals het verhelpen van een beschadigde “hoeck van een grooter confeitsel”. Dus werd hier als oplossing een gehele rand weggehaald.
Weer veel later worden dan "wassinghe", aan de voorzijde, met terpentijn genoemd voor oudere schilderijen.
Weer later komen wij dit advies weer tegen, maar er volgt dan meer.
Er wordt dan beschreven, dat als het nadonkeren toch niet meer te behandelen is, dan maar ter plaatse te overschilderen en daarna dan weer te vernissen.
En die gevolgen kennen we nu maar al te goed, omdat we dat nu zoveel keren dit zijn tegengekomen, als een probleem, om toch te proberen het origineel onder die verkeerde laag, nog te achterhalen.

Pas na het begin van de negentiende eeuw, wordt er meer vermeld en zijn er meer notities. Echter, het is vooral dat de contacten met de schilders en de gesprekken over de grens, meer oplossende aanwijzingen opleveren. Ook verschijnen in die tijd kleinere boekwerkjes, met advies en ervaringen, ook uit Duitsland, die best wel levendig zijn geschreven.

Er wordt dan ook steeds meer vermeld.
Zoals het aanbrengen van hout achter een bestaand paneel dat beschadigd is. Waar timmerlieden ook meer voor worden ingeroepen. Steeds wordt daar op gestudeerd en wordt begrepen, dat het schilderij er ook geen nadeel voor een latere periode mee mag oplopen. Dus schade wordt al wat anders beoordeeld. En bedenkt men nieuwere oplossingen.

Ook wordt al meer vermeld over het behandelen van de voorzijde van een schilderij, met het waarschuwen om niet klakkeloos te gaan boenen op de verf. Immers olieverf kent ook een kwetsbaarheid, die door een "foute” behandeling niet meer te herstellen is. De oude raad was het schoonmaken door met een doorgesneden aardappel, zachtjes, - dat wel - te wrijven over de verf.

Maar ook begon men met het vermelden van allerlei logen en bijtmiddelen, zonder een erg grote waarschuwing erbij te geven, dat een huisschilder wat anders werkt dan een kunstschilder. En dat zomaar zelf wat beginnen, ook niet kon. Toen ging als gevolg dan ook veel verkeerd ! Het wemelde helaas van grotere schades. Het herstellen daarvan was niet altijd meer mogelijk.

Wel weet men door het aanbrengen van een tweede linnen achter een schilderij, werk te behouden voor de toekomst. Maar de lijmmiddelen zijn vaak een probleem. En het warm aanbrengen, dat ook gebeurde, kon goed gaan, maar het te heet aanbrengen was weer erg verkeerd en bracht veel schade teweeg.
Een scheur behandelen is weer wat anders. Dit geldt ook voor een kras in de verf. Het later steeds weer zichtbaar worden is voor een bezitter van een schilderij vaak toch onbekend en een grote ergernis waar dus niet op gerekend is! Daarom hoort een kras ook tot de grotere schades, omdat simpel bijschilderen in de meeste gevallen onvoldoende is en tevens dan teveel wordt overschilderd. Later is dan een grote plek zich aan het aftekenen. Waar men dan verkeerd op reageert, om het zelfde adres nog meer te laten overschilderen !
Inmiddels, maken zo nu en dan onze musea iets bekend, dat wat langer geleden heeft plaats - gevonden en dat wordt vrijgegeven als een interessant verhaal. Zo is er een bekend schilderij dat beschadigd is door een timmerman. Het werd lang "binnen's kamers gehouden"maar in deze tijd hoor je het dan : De timmerman was een gordijn aan het ophangen en een roe ging het schilderij heen. Het gebeurde rond 1880.
Nu kunnen we het schilderij nog zien en daar wordt weer reclame mee gemaakt: Dat alles weer goed is gekomen. Maar steeds moet die plek weer bekeken worden voor het geval dat er toch met de nieuwste methode een aftekening begint te ontstaan. Dus die schade blijft aandacht vragen !

Dat ook werken in de kelders werden weggezet heb ik vaak gezien. Ook dat die werken bij grotere verzamelingen in het vergeetboek kunnen raken en dan vaak jaren later weer bij toeval een vondst zijn - met wat schade ja - maar toch dan weer een waardevolleen grote vondst !

Er zijn in deze tijd al veel voorbeelden van. Steeds was er een toeval, dat aandacht trok en een persoon die moeite deed en dan onderzoek verrichtte. Oorzaken waren ook wel, dat er schades verdoezeld waren en het herstellen erg kostbaar leek. Ook, dat men er toch wat langer van geweten had. ( 2 ).
Herstel resp. restauratie geeft veel zorg. Ook onze geschiedenis van het schilderen in olieverf is hier belangrijk en hoort bij de opleiding tot restaurator en tevens de kennis betreffende het vroegere gebruik van de verschillende "verwen en pigmenten"( 3 ).
En dan moet een goede "schilderij hersteller" te rade gaan bij zijn voorgangers. Anders houden wij onnodig steeds "nieuwe brokken". ( 4 ).

Bronnen :
( 1 ) Archief K-H Stichting Den Haag. Rijksarchief Amsterdam.
( 2 ) Archief Familie De Ruyter Amsterdam, Stadsarchief aldaar, Archief Nieuwe Kerk ald... Nationaal Archief Den Haag.
( 3 ) De Mayerne manuscript 1620. K-H archief.
Documentatie Dr. M.von Pettenkofer Nederland en Duitsland.
( 4 ) Het archief van Max Doerner, anno 1921. Tevens uitgave Den Haag van het blad "die Constghesellen" vanaf 1946. En het Museummagazine " Vitrine" nr. 2. maart - april 1989 blz. 19-23.

Auteur D.A.E.D. H. v R.