Raambewaarder, raembewaarder

Deze controleerde het aantal weefgetouwen in een plaats
.

Raamwachter

Wachter, bewaker op een raamveld.  Op een dergelijk veld werden de ramen, die nodig waren voor de lakenindustrie, opgeslagen.

Raamzager
Zie ook kraanzager.

Een raamzaag is een grote zware zaag, waarvan het blad in een horizontaal of verticaal raam gespannen is. Hij werd gebruikt door twee mannen en diende om boomstammen en balken tot planken te zagen. De onderstaande man was er het minst aan toe. Hij kreeg, vooral als de wind ongunstig was, het zaagsel in zijn gezicht.

Rachelaar, raggelaar

Rachels/raggels, smallere stroken hout van geringe dikte, latten dus, werden gebruikt om plafonds te betimmeren om er daarna het riet voor de bepleistering aan te brengen.

Racker, rakker

Persoon, die voor de politie of justitie het "vuile werk" opknapt, hetzij als helper van de schout of baljuw (en dan ook wel diefleider wordt genoemd), hetzij als helper van de beul. De benaming zou zijn afgeleid van recker.
Het waren oorspronkelijk beulsknechten, helpers van de beul bij het ondervragen van verdachten (Het WNT geeft hierover echter geen uitsluitsel, het Middelnederlandsch Handwoordenboek van J. Verdam kent wel het woord racke = pijnbank, folterwerktuig). Zij voerden de pijnigingen uit zoals het rekken van de ledematen. Kennelijk waren het geen gewaardeerde figuren. Ook nu nog wordt het woord gebruikt als scheldwoord.

Raddraaier

Werkzaam op de lijnbanen
Hield het wiel in beweging waarmee men de touwen in elkaar draaide. Was veelal kinderarbeid.
De term werd ook in ongunstige zin gebruikt: aanstichter van een beweging van verzet.

Rade(n)maker

In het noorden en oosten gebruikte term voor de wielmaker, degene die karrewielen vervaardigde.

Raswercker

Wever van een soort laken, dat ras genoemd werd, mogelijk ontleend aan Arras, waar dat weefsel zou zijn uitgevonden.

Ratelaar, ratelwacht

Nachtwacht met een ratel

Rechtlegster

Functie van vrouwen in een dakpannenfabriek: het goed leggen van de te bakken dakpannen.

Reder

In de textielindustrie degeen die de vervaardiging van geweven stoffen regelde
Nu nog ondernemer in de scheepvaart (binnenvaart, zeevaart, zeevisserij).

Reepafhouder

Is actief bij het uitzetten en binnenhalen van de netten. O.a.:  Achter de stoomlier nam een jongen, de afhouder, ingepalmden reepkabel in ontvangst en stuurde hem het open reepruim in, waar de reepschieter …. hem tot een reuzentros opcirkelde.
Zowel de reepafhouder als de reepschieter zijn jongens.

Reepgast

Verbindingsman tussen de kraandrijver en de mannen werkzaam in de ruimen om aanwijzingen te geven met betrekking tot het lossen en laden.

Reepmaker

  1. Re(e)pemaker  (verouderde term): touwslager. O.a werd de reep destijds gebruikt als meetsnoer: “Elcke tien ellen Linnen-Lakenen, ’t sy geverwet ofte ongeverwet …, sal betalen, ’t sy ofte mette Reep gemeten ofte niet gemeten”.
    Ook dik touw, o.a. gebruikt om zware gewichten op te hijsen en voor touw waarmee de kerkklokken worden geluid.
  2. Vervaardigen van repen ten behoeve van de visserij.

    a. De kabel, waarmee een aantal netten met het schip verbonden is.
    b. Een wisselend aantal netten aan een kabel noemde men een reep. Alle repen tezamen vormden een beug.
    c. Een reep is een vistuig bestaande uit een lange lijn waaraan korte dwarslijntjes zijn bevestigd, voorzien van haken. Zowel voor de binnenvisserij (o.a. gebruikt voor de vangst van aal)als op zee. De dwarslijntjes noemt men ook wel sneuien. De afstand van sneui tot sneui is iets groter dan de lijntjes lang zijn, zodat ze niet in de war kunnen komen.


  3. Vervaardiger van smalle cirkelvormig gebogen banden, oorspronkelijk van wilgen- of populierenrijshout als bevestigingsmiddel voor de duigen van een vat In vroegere tijden van oorlog werden ze met teer en pek besmeurd en brandend naar de vijand geworpen.

Reepmeester

De reepmeester was in functie bij het meten van lakens:
“Ende sal de verkooper schuldigh wesen, de waerheyt by sijn eed tezeggen, vermaent zijnde van den Reep-meester, hoe veel stucken (laken) hy …. verkoft heeft”.

Reepschieter
Zie ook reepafhouder.

Bij in de zeevisserij:
De reepschieter ging het ruim in om de netten aan te geven. De jongste en de oudste matroos stonden aan de reling om de netten die overboord gingen aan de reep vast te maken en om op een gelijke afstand van elkaar een blaasboei te bevestigen.

Reepvisser

Visser die met de reep vist op o.a. aal of bot.

Reetrekker, reetrecker, reedetrekker

Ambtenaar, belast met het aanwijzen van de rooilijn.
Ook een metselaar of timmerman die aangesteld is, om de afscheiding van naast elkander staande gebouwen aan te wijzen.

Reeuwer

Iemand die lijken reinigt en voor de begrafenis gereedmaakt. Destijds in het bijzonder:
iemand die belast was met de verzorging en eventuele teraardebestelling van pestlijders. Als een huisgezin geheel uitstierf zou al het goed er van overgaan naar de reeuwer.
Daarom gebeurde het wel dat de reeuwer middelen gebruikten om de gehele familie te doen uitsterven.

Rekenaar

Administrateur, boekhouder
.

Rekenmeester

Onderwijzer of leraar in de rekenkunde.


Remmer

Persoon die belast was met de taak voertuigen te doen stilhouden of de snelheid er van te verminderen. Dit beroep werd uitgeoefend bij

  1. de spoorwegen.
    Bij goederentreinen, die niet van doorgaande remtoestellen waren voorzien, werd aan de remmers door een alarmfluit het teken om te stoppen gegeven. Het aantal remmers hing af van het aantal te beremmen wagens. Zolang de trein in beweging was moesten de remmers onafgebroken op het post zijn en steeds gereed om op het sein van de machinist de hun toevertrouwde remtoestellen te bedienen. (Alg. Reglement Dienst Spoorwegen, Staatsblad 1933, nr. 277).
    In de winter was dit een onaangename baan door kou en vocht.


  2. de mijnbouw.
    De persoon die het vervoer op de remhelling regelde en zorg droeg dat de galerij, die aan de beurt was een wagen te ontvangen.

Remmingwerker

Werkzaam bij het vervaardigen en onderhouden van remmingswerken. Een remming was een beschermingsmiddel van een kade of paalwerk bij een sluis en diende tot het geven van leiding aan vaartuigen bij de invaart of tot het meren van wachtende schepen om beschadiging te voorkomen.

Rentebesteller

Persoon, die voor derden verschuldigde rente int.

Rentmeester, rentmeister, rentmeyster

Persoon, die namens derden landgoederen of andere gebieden of geldelijke vermogens beheert, en verschuldigde pachten e.d. int.

Repelaar(ster)

Het repelen gebeurde altijd in de herfst, als het kouder werd en de mensen zich terugtrokken in hun huizen. Niet alleen werd er in boerderijen dan gerepeld, ook werd er ‘gebraakt’. Het vlasbewerkingsmuseum in Ee staat zelfs in een oude braakhok, waar vroeger de houtdelen van de stengels van vlasplanten werden gebroken, zodat uiteindelijk het ruwe vlaslinnen overbleef. Feitelijk was het braakhok de voorloper van de sociale werkplaats. ,,Vroeger kocht de gemeente het vlas op van de boeren. De werklozen moesten dat in de winter gaan repelen’’, vertelt Wilman. Zo konden de zomerarbeiders ook in de wintermaanden, als er weinig ander werk was, een paar guldens per week bijverdienen.

Nadat het vlas geoogst en aan schoven gezet, gedroogd was, volgde het repelen op de repelbank. Daarbij werden de toppen van het vlas door de rekel (een soort kam  net lange tanden) getrokken om de zaaddozen van de stegels te scheiden. Dit repelen is dus seizoenwerk. Het gerepelde vlas werd tot dunne rootschoven gebonden, die dan in water te roten werden gelegd.

Reper

  1. Touwslager

  2. Belastingambtenaar, die met de reep (een soort meetlint) meet. (Reep was vroeger een lengtemaat voor linnen en laken (Middelnederlandsch Handwoordenboek)

Reydmaker

De reydmaker vervaardigt kammen voor een weefgetouw.

Richter

Rechter.

Riembeslager, ryembeslager

Hij was de kunstenaar, die de riemen of gordels, die toen een onmisbaar onderdeel van de kleding uitmaakten, met koperen of ook wel met zilveren versiersels besloeg, waaronder de gespen van verschillende vorm en bewerking uitmuntten.

Riemenmaker
Zie ook riembeslager.

Vervaardigde riemen.

Rietbinder

De rietbinder bindt het riet tot bossen.

Rietdekker
Zie ook dekker
.

Het rietdekkersvak is een eeuwenoud ambacht dat in de loop van de tijd slechts weinig veranderingen heeft ondergaan.
Een rietdekker steunt bij zijn werk op een rietdekkerstoel, die met behulp van scherpe kromgebogen haken in het dak wordt vastgezet. Als gereedschap dienen o.a. het zetje, de goot, het drijfbord, de naald en de gaffel.
Een rieten dak is circa 25 cm dik. Het riet wordt in lagen opgebracht, uiteraard onderaan te beginnen. Eerst wordt een dunne laag riet over de panlatten gespreid, de spreilaag. De bossen riet worden dan naast elkaar gelegd met de dikste kant naar beneden. Met behulp van het drijfbord, ook wel dekplank genoemd wordt het riet gelijk geklopt.
De bevestiging van het dekriet gebeurt door middel van een dikke gegalvaniseerd draad die met koperdraad op de panlat wordt gebonden. Men onderscheidt daarbij verschillende methoden: de Hollandse, de Gelderse en de Fries-Groningse werkwijze. De dekker heeft hierbij de hulp nodig van een jongen, die de draad van binnen terugsteekt, terwijl de rietdekker hem van buiten aantrekt.

Deze manier van bevestigen werd vroeger veel bij de bekleding van molens toegepast, vandaar dat men deze steek molensteek noemde.

Bij de Gelderse methode maakt de rietdekker gebruik van een twijgijzer, dat lijkt op een in een driekwart cirkel gebogen paknaald, terwijl het aandrukken van de gaard tijdens het binden geschiedt met een hefboompje.
Bij de Hollandse bindwijze wordt goot en naald gebruikt. De goot heeft enigszins de vorm van een lepelboor, de naald is aan de ene kant voorzien van een groot oog en aan het andere einde van een handvat. De naald wordt onder de panlat door in het oog van de naald gestoken. Langs de uitholling van de goot wordt de koperdraad naar binnen geschoven in het oog van de naald. Als deze teruggetrokken wordt, komt het koperdraad mee. Met het zetje, een vorkachtig instrument wordt de staaldraad aangetrokken en wordt het koperdraadje in elkaar gedraaid.
Het riet wordt met de hand en een klopper gelijkelijk verdeeld. Als het dekken klaar is, wordt het gehele dak nog met een klopper afgewerkt en geëgaliseerd, de losse rietdeeltjes worden verwijderd.

Destijds kende men in de steden houten woningen met rieten daken. Een gevolg waren de diverse stadsbranden, die soms grote aantallen huizen vernielden. Het is dus niet vreemd dat Karel V enige keuren uitvaardigde waarin hij vaststelde dat “nyemant voortaan eenige huysen moge weder opbouwen. ’t sy met steene gevelen, muuren en harde dake”. Zelfs verleende hij daarbij subsidie op een deel van de bouwkosten.

Rietkam(men)maker



Vervaardiger van rietkammen, ook wel weefkammen of het riet genoemd. Oorspronkelijk bestond het uit een houten raam, waartussen biezen of rietstaafjes waren gezet, die echter snel afsleten, te dik waren en het weefsel beschadigden; alleen grove stoffen konden daarmee geweven worden. In 1730 vervolmaakte de Engelsman John Kay het riet door dunne gepolijste metalen staafjes te gebruiken die een minder wrijvende werking op de kettingdraden uitoefenden, veel dunner waren en dus heel wat dichter ingesteld konden worden, waardoor men veel fijnere stoffen kon vervaardigen.

Bronnen:
WNT
P.J.M. van Gorp, Technologie van de Schaftweverij, 1949.

Rietmaker

Iemand die de rieten van een weefkam maakt, iemand die weefkammen vervaardigt.

Rietsnijder

Rietsnijder is een beroepsbezigheid in het winterseizoen. Tegenwoordig is het vooral gemechaniseerd, maar vroeger was het puur handwerk.
Riet wordt van oudsher gebruikt voor dakbedekking en voor rietmatten. Riet is alleen te gebruiken als het ieder jaar wordt gemaaid.
De rietsnijder gebruikte als gereedschap de rietsnit of -oort, een soort korte zeis, waarmee het riet werd gesneden. Verder uitkammers. Hiermee werd het gesneden riet ontdaan van allerlei rommel, zoals het dode blad. Voor transport een rietslee. Aan zijn voeten droeg hij laarzeklompen, klompen met een leren schacht.

Men onderscheidt/de verschillende rietsoorten:

Bladriet, kort materiaal met daartussen ruigt en grassen. Dit werd gebruikt in de land- en tuinbouw als afdekmateriaal.

Stookriet, eveneens een inferieur produkt, werd op scheepswerven gebruikt bij het krombranden van planken en het wegbranden van schelpen en andere aangroei aan scheepshuiden.

Dulleriet zijn de sigaren oftewel de lisdodden. De stengel is dikker en holler en lichter. Het is gewild bij het maken van hooibergkappen.

Dekriet is het meest geoogste riet en wordt gebruikt voor dakbedekking. Beste lengte ongeveer 1.80 meter. Het riet kon/kan in januari na de eerste vorst worden gesneden.

Het gesneden riet wordt/werd tot grote bossen met een omvang van een meter (meterse bossen) gebonden, in de Biesbosch maakt men nog grotere bossen (12-handers) en in Noordwest Overijssel maakt men bossen met een omvang van 1.40 meter. Aan het eind van het maaiseizoen werden ze na de dooi met de bok (een soort praam) opgehaald om tot werkbare bossen te worden verwerkt. Die veldbossen werden losgesneden en tot dunnere bundels van 55 cm omvang gebonden. 20 van deze bossen van 55 cm (vroeger 100 bossen van 26 cm plus 1 voor het tellen heetten een vim, een benaming die ook nu nog wordt gebruikt. In Noordwest Overijssel en Friesland werden het bossen van 46 cm omvang.
Tegenwoordig gebeurt verwerking en vervoer vooral machinaal/per vrachtauto.

Stucadoor- en matriet was tot 2 à 2.50 meter. Het moest fijn en recht zijn. Het werd gebruikt in de bouw als ondergrond voor gipsen wanden en plafonds (nu nog wel bij restauraties) en voor de vervaardiging van rietmatten (en rietplaten).
Met een koppensneller werd het riet eerst op de juiste lengte gesneden. Vroeger werden daaruit de rietmatten geheel met de hand genaaid. Tegenwoordig gebeurt de vervaardiging machinaal.

Rijglijfmaker

Een rijglijf was een onderkledingstuk, veelal door vrouwen, maar ook wel door mannen gedragen, vervaardigd uit stevig doek en baleinen en van een rijgsluiting voorzien. Het was de voorloper van het corset.

Rijksvoetbode, rijksvoetbodin

Brievenbesteller resp. brievenbestelster.

Rijschool voor fietsers

Fietsen moest geleerd worden; je kon er maar niet zo mee beginnen; vooral in de steden, waar de vélocipèdes sterk de aan­dacht trokken kon je niet maar zo, zonder enige voorbereiding en oefening met een dergelijke machine op de straat verschijnen. In Engeland had men dit probleem al onderkend; reeds in 1818 opende de wagenmaker Dennis Johnson, die ijzeren loopfietsen vervaardigde - pedestrian hobbyhorses - in Londen aan het Strand op nummer 377 de Johnson's pedestrian hobbyhorse riding school, waar liefhebbers van de nieuwe rij sport de kunst onder deskundige leiding konden leren. Dat was de eerste rijschool voor fietsers ter wereld.

Ook Nederland heeft vele, vele rijscholen gehad. De acrobatiek van het rijden moest in de rijschool geleerd worden, een zaalruimte, binnenshuis dus, waar de instructeur met zijn hulpjes de edele kunst van het wielrijden onderwees. Er werd in die dagen bitter weinig aan sport gedaan en de meeste mensen waren harkerig en stijf. In de zaalruimte waren de aanwezige pilaren en ook wel de wanden voorzien van stootkussens om het vallen wat te verzachten. In de dure rijscholen droegen de leermeesters speciale uniformen. De leerling werd door de instructeur en twee helpers op de fiets gehesen en dan moest er gereden worden, aanvankelijk ondersteund door drie helpers, die het tempo geleidelijk opvoerden. Er werd daarbij gebruik gemaakt van een leren band met handgrepen waardoor de leerling goed kon worden vastgehouden. Na vier of vijf lessen was men zover dat men het ook eens buiten op een stil weggetje mocht proberen, nog steeds aan de leiband natuurlijk.
Na zo'n les of twaalf moest men het op eigen kracht proberen en was men klaar om een fiets te kunnen huren. Hoe exclusiever de rijschool, hoe aantrekkelijker het leren fietsen werd georganiseerd. Heel dure scholen hadden in de leszaal een piano staan waarop een pianist tijdens de lessen vrolijke walsen speelde. Om de moed er in te houden. G­liefd was toen het populaire 'Tout en ro­sé'. Uit een bewaard gebleven bericht blijkt dat H.H. Timmer die wij elders als fabrikant en handelaar tegenkomen de eerste moet zijn geweest die een rijschool in Amsterdam opende.
'20 maart 1869 is voor het allereerst te Amsterdam op de Schans bij de Raampoort op dezelfde plaats waar nu de Hoogere Burgerschool staat, eene manége voor het rijden op vé­locipèdes en het verhuren daarvan geopend door H.H. Timmer'. Veel later in 1898 adverteerde W.J. Wesling, importeur van Raleigh-rijwielen dat de eerste hier ter stede opgerichte school voor wielrijders nog steeds te vinden was op zijn adres Stadhouderskade 74. Vermoedelijk een advertentie die niet helemaal op waarheid berustte. Laten we ons niet mengen in deze advertentiekwestie. Maar teruggaan naar de onmisbare brandpunten voor het stimuleren en bevorderen van de schone fietskunst. Er waren verschillende scholen. G.F. Bakels gevestigd in Krasnapolsky, Warmoesstraat 175 in Amsterdam opende zo'n rijschool in het Tolhuis over het IJ, waar men in de vele 'lommerrijke' lanen zich ongehinderd verder kon bekwamen. Hij vroeg als lesgeld tien gulden met inbegrip van het abonnement op het overzetveer.

Naast de rijscholen waar alleen rijles werd gegeven, waren er ook firma's, waar men op het gebied van fietsen letterlijk voor alles terecht kon: kopen, huren, re­pareren, en ook leren rijden. Dat was bijvoorbeeld het geval met de in het hartje van Amsterdam gevestigde firma De Vélocipède Sport van Samuels en Co., die in 1886 hiervoor het huis Herengracht 556 kocht. Een krant bracht hierover het volgende bericht: 'Blijkens achterstaande advertentie zijn de nieuwe magazijnen met besloten oefeningsbaan van de heeren Samuels & Co. te Amsterdam thans geopend. Voor hen die zich in het kunst- en zaalrijden oefenen is deze baan een welkome gelegenheid, evenzoo kan men er tegen matige prijzen eerste klas wielers huren. Naar wij vernemen zal de heer Samuels voornamelijk machines der gunstig bekende firma Hilleman Herbert & Cooper te Coventry in magazijn houden'.
Simplex heeft sinds 1896, toen deze firma de nieuwe fabriek aan de Overtoom betrok, ook een rijschool gehad. Het publiek ging door een speciale ingang naar binnen. Met een lift werden leerlingen met hun fiets naar de derde verdieping gebracht. Daar was een grote ruimte, behoorlijk verwarmd en elektrisch verlicht met gekapitonneerde wanden, zodat, zo wordt ons verteld, een val tegen de muur volkomen pijnloos is; er waren kleedkamers voor heren en dames, wasgelegenheden, een buffet en kasten om de kleren in te bergen. Natuurlijk stonden verschillende instructeurs klaar; men kon zelfs privéles krijgen, 'als men ongestoord zijn eerste oefeningen in het bewaren van het evenwicht wil maken'. Clubs konden de zaal 's avonds huren voor het zaalrijden; daartoe waren op de planken vloer cirkels van verschillende grootte geschilderd, zodat clubleden goed konden oefenen. Samenvattend: deze school trok wel. 'Want het leren wielrijden in zulk een fraaie en smakelijke omgeving is op zich zelf reeds een genoegen'. Een rijschool die ook veel bekendheid genoot, was de Fongers Rijschool, Nassaukade 387, waar men tot 1922 het fietsen kon leren. Tegen die tijd waren de meeste rijscholen verdwenen. Men hoefde het fietsen niet meer speciaal in een zaal te leren; de kunst werd van vader op zoon en van moeder op dochter als vanzelfsprekend overgedragen. Zei men in het buitenland niet dat de Nederlanders op of met de fiets worden geboren? Toch bleef een instructeur van Fongers nog tot omstreeks 1936 fietsles geven, maar dat gebeurde in die jaren in het Vondelpark.

Tegen het einde van de negentiende eeuw was er op dit gebied nog heel wat te beleven. Zo opende H.J.W. Hamers met vestigingen aan Nieuwendijk, Rembrandtplein en Amstel in 1897 een overdekte rijwielschool voorzien van elektrisch licht 'zoodat van 's morgens 6 uur tot 's avonds 6 uur gelegenheid zal bestaan tot het ontvangen van onderricht in het wielrijden.' Wie de opening op 7 april bijwoonde, kreeg een gratis lot voor een fiets van het type Monarch. Een rijschool die gedurende de eeuwwisseling bekendheid kreeg was Velox. Vrolijk en Timperley deden in november 1895 van uit hun hoofdkantoor aan de Stadhouderskade een circulaire uitgaan, waarin zij meedeelden dat zij welgeteld 974 leerlingen in dat seizoen hebben gehad. Niet zonder succes. 'Tot ons leedwezen moesten enkelen der laatste leerlingen hunne lessen staken wegens de door de vele regen ongeschikt geworden toestand der baan; hierin zal echter binnen circa 3 weken zijn voorzien, door eene tijdelijke overdekking met zeilen, zoodat niet alleen den geheelen dag, doch hoogstwaarschijnlijk ook 's avonds de baan bruikbaar zal zijn'. In 1897 richtten Vrolijk en Timperley een tijdelijke rijschool op in lokaal Vondel gelegen in de Vondelstraat waar volgens advertenties een strenge ballotage plaatsvond. In 1898 kon er door deze firma een vaste rijwielschool aan de Ruysdaelkade (Hobbemakade) worden geopend. Deze rijschool, die de naam Velox kreeg en op 27 juli 1898 feestelijk werd geopend, was voor die tijd zeer luxueus ingericht. De grote zaal had een oppervlakte van 1500 vierkante meter. De diepte van het gebouw was 50 meter; daardoor, zo vertelde men bij de opening, kon men spreken van de grootste zaal van Nederland. Architect J. Ingenohl had bij de bouw natuurlijk gerekend met de eisen te stellen aan zo'n school: garderobes en badkamer met douches; frisheid en licht waren er te vinden en niet te vergeten het gebouw was zeer stofvrij. Het enige wat misschien het gebouw Velox minder ten goede kwam, was het feit dat het wat ver buiten Amsterdam lag. Maar het werd in de pers geroemd als een school voor nieuwelingen en een hogeschool voor geoefende wielrijders. Mede doordat er minder vraag was naar fietslessen, kwam deze zaak slecht van de grond. Het gebouw werd in 1904 verkocht; er zijn daarna nogal wat plannen gemaakt voor een nieuwe bestemming. Tenslotte werd in het pand in 1912 het Zuiderbad ondergebracht.Wilt u nog andere adressen om het fietsen te leren? Een rijschool speciaal voor dames? Dan naar de damesrijwielschool, waar privaatonderricht werd gegeven onder leiding van mejuffrouw Schakel, lid van de firma Cornelis Schakel, bondsrijwielhersteller en metaalfabrikant aan de Muidergracht 25a. Vergeet tot slot niet het Paleis voor Volksvlijt. Daar was door samenwerking van enkele firma's in 1895 een echt velodroom ingericht. Naast vele andere mogelijkheden, met als top het beoefenen van het zaalrijden, kon de beginneling ook daar terecht. Op dat velodroom komen we elders terug. Het is een hoofdstuk apart.


Bron:
Ons Amsterdam nr 2, 1978
.

Rijtuigbekleder

De rijtuigbekleder stoffeerde rijtuigen.

Rijtuigmaker

Vervaardiger van rijtuigen.

Ringspinster

Vrouw die in de katoenspinnerij aan een ringspinmachine werkt.

Ringster

1. Bij schoenfabricage
2. in een sigarenfabriek

In beide gevallen: brengt ringen aan.
In het eerste geval om de veters door te kunnen halen, zodat het leer niet uitscheurt.
In het tweede geval aanbrengster van de sigarenbandjes om de sigaren.

Ritser

Persoon die van overheidswege met een ritsijzer tonnen en vate merkt en er de inhoudsmaat op aantekent. (WNT)

Riviervisser

Zoetwatervis, afkomstig uit onze rivieren, is lange tijd deel van het menu van onze streken geweest. N. Woelders schreef in Nederlands Historien van 1977 nr 3 een artikel over de laatste riviervissers. Hij begint met een gedicht waarmee Jan Soet (1608-1674), een Amsterdams toneeldichter in het populaire genre, waarmee hij het Hollandse confessionalisme over de hekel haalde:

“Die Snoekken daar ’t al voor moet wijken
Zijn ’t beeld der Roomsche Catholijken;
de gladde Zeelten, die nooit bijten
Zijn evenals de Mennonijten
Zoo qwaad te grijpen als een Aal.
De Baarsen, dapper hoog geprezen,
Wiens scherpe vinnen elk moet vrezen,
Zijn ’t edele nazaat van Kalvijn,
De blanke Blaayen, schoon voor d’oogen
Zijn Puritainen, zoo vol loogen
Gelijk een Al vol zuivel is.
De Ruisvorens zijn de Lutheranen,
Die zich nooit van ’t zuipen spaanen,
Zijn d’Armijnjaren, op der aarde
Van macht en heerschappij berooft.”

Hoe men toentertijd over een dergelijk gedicht dacht zullen we in het midden laten. Er blijkt in ieder geval wel uit dat de dichter er van uitging dat men de zeven genoemde vissoorten algemeen kende.  Nu kent de sportvisser, die met een hengel vist deze soorten nog wel maar de meeste soorten worden niet of nauwelijks meer gegeten, niet alleen in Amsterdam, maar ook elders in ons land. Bij mij voor de deur wordt geregeld gevist, maar elke vis gaat weer terug. Momenteel worden, denk ik, praktisch alleen nog paling en snoekbaars gegeten, waarbij de paling ten dele kweekproduct is. Weliswaar zijn er nog beroepsvissers, maar niet meer op de grote rivieren. In het verleden was dat wel anders.

De riviervisserij kunnen we in twee perioden verdelen: voor en tijdens de Republiek. In vroeger tijden, voor het ontstaan van de Republiek. Vanaf de vroege Middeleeuwen was alle grond, water en zelfs de lucht in de streken waar hij gezag had, van de vorst, hetzij koning, hetzij graaf. Zo behoorden alle onbeheerde, niet in cultuur gebrachte gebieden buiten de gemene gronden van buurschappen, die nog aan niemand hadden toebehoord, tot het domein van de landheer. Wateren konden juridisch in twee soorten worden verdeeld: De landsheer had recht op de bevaarbare grotere stromende wateren en dus viel ook het visrecht op die wateren. Vissen met de hengel was vrijwel altijd en overal vrij.
De oudste vermelding van visrechten voor het Maas-Merwedegebied stamt uit 877. In dat jaar voldeed keizer  Karel aan een verzoek van keizerin Richildis en zonderde hij een deel van het patrimonium van de abdij van Nijvel af ten behoeve van de zusters en kanunniken aldaar. Dit betrof onder meer de visserij in de Merwede. Volgens de bisschopskroniek van Kamerijk uit de elfde eeuw hadden ook de aartsbisschoppen van Trier en Keulen en een aantal andere abdijen visrechten op de Merwede, zelfs in gemeenschappelijk bezit. Die visrechten waren mogelijk van kracht op de hele toenmalige rivier die als Merwede bekend stond van Gorinchem tot bij Vlaardingen. Uit 1108 is de eerste schikking van een visrecht door een Hollandse graaf, Dirk III bekend. Westfriese graven hadden sinds een onbekende tijd een aantal visserijrechten in het mondingsgebied van de Oude Rijn. In 1275 stelde Floris V dat het visrecht in alle weteringen in zijn landen aanhem toe behoorden. Deze visrechten gingen geregeld van de ene hand naar de andere, hetzij door schenking, hetzij door koop. Het vroon voor Rotterdam, Schoonderloo (en Katendrecht, Schiedam en Vlaardingen werd begin vijftiende eeuw als één domein verpacht. In 1403 kwam deze combinatie in erfpacht aan Arent van Riede, in 1420 was dit geheel in handen van Geerlof Janz., baljuw van Rotterdam, in 1423 in handen van Aernt Woutersz. en zijn metgezellen. In deze twee gevallen kwam jonkheer van Gaasbeek als heer van Putten 1/3 deel toe van de vroonvisserij voor Vlaardingen. De vis diende afgeslagen te worden in de plaats waar de vissers zich hadden laten inschrijven. Dit onder controle van de vroonmeester, die aangesteld was om het vroongeld. de zesde penning in natura of in geld te ontvangen.
Naast de zeven genoemde vissoorten werd er gevist op zalm, waarvan vooral de winterzalm aantrekkelijk was, steur, houting, elft en fint. Andere soorten stonden minder in aanzien. Als de juist genoemde soorten het lieten afweten, richtten de vissers zich op andere vissoorten als karper, bliek en andere “Schampvis”. Deze soorten hadden dus een niet al te positieve bijnaam. In de zeemonden waren ook de zeehond en de bruinvis prooi.
Vroonvisserij is ‘heerlijke visserij’, waarvan de rechten dus in handen waren van de heren. De vroonvisserij werd verdeeld in visserij met stalen langs de oevers en de diepvisserij in het midden van de rivier. In 1847 verkochten de gezamenlijke eigenaren hun visrecht aan baron Van Brienen van de Groote Lindt. Sindsdien werd het geexploiteerd als zalmvisserij De Merode. De toenmalige ambachtsheer mr. O.P. Baron Groeninx van Zoelen ontving voor zijn kwart deel 36.250 gulden. Het voorgaande is een beknopt uittreksel van een artikel van de heer M. Harbers, bedoeld als beknopte inleiding tot het eigenlijke vissen. Het laat zien dat er achter het riviervissen een hele maatschappelijke. ordening tot stand is gekomen ten behoeve van de maatschappelijke bovenlaag. Deze ontwikkeling op zich is niet alleen interessant, maar al die verpachtingen van visrechten moeten, voor zover nog aanwezig, documenten hebben opgeleverd die ook interessant voor genealogen kunnen zijn.
De visserij op trekvis varieert van vis- tot vissoort. Onderstaand volgt een opsomming van de verschillende vissoorten waarop gevist werd .

Elft

De elftstand in de Nederlandse rivieren is vanaf rond 1890 nog sterker teruggelopen dan die van de zalm. Het merendeel van de riviervissers vond in het voorjaar (april t/m mei) zijn hoofdbestaan. De elft is een trekvis met groene rug en zilveren buik, meestal niet groter dan 50 cm.

Vint
Deze trekt vooral in april de rivier op. Momenteel is ook deze soort op onze rivieren (nagenoeg) uitgestorven. Ze werden met de zegen of het drijfnet gevangen.

Houting
Kenmerken zijn een spitse snuit, die boven de onderkaak uitsteekt. Het is een echte trekvis. Tegen de tijd van het kuitschieten, twee maanden van het jaar, komt hij de rivieren op. De overige tijd brengt hij in het zoute water door.

Schotje
Het schotje is een kruisingsprodukt van zal en beekforel en lijkt veel op een jacobszalm.

Steur en steurvisserij
De steurvisserij wordt sinds 1900 op de Nederlandse rivieren niet als een afzonderlijke visserij uitgeoefend, maar tijdens de zalmvisserij werd er af en toe nog wel eens een exemplaar gevangen. Meestal werd deze vis in een steurnet naar de wal getrokken en daar aan een touw door de kieuwen vastgelegd. Nooit mocht hij direct worden gedood, want bij de kuiters (vrouwtjes steuren) zou anders de kaviaar bederven.

Zalm
De zalm brengt een deel van zijn leven in het zoetwater van de bovenstroom van een rivier doorbrengt en een ander deel in zee. Het merendeel van de jonge zalmen verblijft na de geboorte gedurende ongeveer een jaar op of in de nabijheid van de plaatsen waar ze geboren zijn. Een klein deel, de overblijvers, meestal mannelijke exemplaren, blijven twee jaar, soms nog langer op die plaatsen. Tijdens of na het aftrekken krijgen zij het zalmkleed, de kleur van de volwassen zalm, Als regel wordt aangenomen dat de zalmen slechts een keer aan de voortplanting deelnemen. Deze opzwemmende zalmen zijn bestemd om deel te nemen aan de voortplanting.. De vissers onderscheidden nog winter-, zomer- en jacobszalmen. Ze zijn alle van dezelfde soort maar verschillen wat betreft het gewicht, de tijd van opzwemmen tot de ontwikkeling van de geslachtsklieren.

Wijze van vissen
De visserij op trekvis vond plaats met:
1. de zegen
2. het drijfnet
3. de steek
4. het zalmkruisnet, een verdere ontwikkeling van het gewone kruisnet

De visserij op de verschillende soorten trekvis onderscheidt zich qua methode en terminologie nauwelijks. De vistuigen waarmee op zalm, houting, elft en fint werd gevist verschillen alleen in maaswijdte en de manier van inrijgen van de hoepels aan de fuiken.

Ad 1 De zegen
De zalmzegen was het voornaamste vistuig op zalm. Om te voorkomen, dat niet alle zalm werd weggevangen, was in ons land de zalmvisserij elke week gesloten van zaterdagavond zes uur tot zondagavond zes uur gedurende de periode van 16 augustus tot en met 15 oktober. De wijze waarop de visser de zegen gebruikte was zeer verschillend en hing af van de plaats waar gevist werd.
De zalm(zegen)visserij kan als volgt worden ingedeeld:
A. Staatsvisserij
B. Handzegenvisserij. De laatste is dan weer onder te verdelen in:
     1. klep-vlotvisserij
     2. galgvisserij
     3. kantvisserij

Ad 2 De drijfnetvisserij
Het drijfnet is een driewandig net dat met de stroom meedrijft en waarmee op zalm en trekvis gevist wordt. De visser onderscheidde drie soorten drijfnetten: winternetten, zomernetten en jacobsnetten waarmee resp. op winter-, zomer- en jacobszalm gevist werd.

Ad 3 De steek
De steek is een inrichting om zalm te vangen, een schutting, bestaande uit palen met daartussen vlechtwerk  van halverwege de rivier en niet geheel tot de oever. Een zeilgat van ongeveer 25 meter breed moet vrij blijven. Bij de benedenrivieren werden links en rechts van de schutting palen geplaatst, verder stroom opwaarts aan een kant. (bouten) en tussen schutting en bouten bevestigde men fuiken. Om het half jaar moest de schutting worden vernieuwd. Hoewel de vangsten met steken minder waren dan die van de zegenvisserijen, was de steekvisserij niet onbelangrijk. De exploitatiekosten waren lager.

Ad 4 Het zalmkruisnet.
Met dit net werd alleen op de Maas in Limburg gevist en wel uitsluitend op zalm. Het werd uitsluitend vanuit een boot bediend. Het zalmkruisnet bestond uit een vierkant gebreid net, uitgespannen gehouden aan twee elkaar kruisende buigzame stokken. Aan twee zijden waren rechthoekige keernetten aangebracht.

Visserij op aal en prik
Aal of paling. Om eieren te leggen trekken alle palingen naar zee. In de Saragossazee paren ze, zetten de eieren af en sterven. De jonge visjes komen na drie jaar in Nederland aan. Het zijn glasaaltjes, waarvan de vrouwtjes de rivieren optrekken, terwijl de mannetjes meestal in de riviermonden achterblijven. Als de jonge aal jaren in zoet water heeft geleefd en geslachtsrijp is geworden, begint de trek naar zee, gewoonlijk van oktober tot januari. De aal die het trekkleed heeft aangenomen, wordt door de vissers paling genoemd. Ze zijn vet, voelen vast aan en nemen geen voedsel meer op. Daarom gaat de paling, anders dan de aal, weinig in gewicht achteruit, wanneer ze in een bun of kaar bewaard worden. Op deze naar buiten trekkende paling berust de ankervisserij.
De mannelijke alen zijn veel kleiner dan de vrouwelijke. Bij de zgn. telpaling, waarvan er vier à vijf in een halve kilo gaan heeft men waarschijnlijk met mannelijke exemplaren te maken. De meeste vrouwelijk paling wordt in twee soorten verdeeld volgens de wijze waarop hun vangstmethode gebaseerd is: slokkers en spitskopjes. De slokkers hebben brede koppen, leven van roof en worden met repen en dobbers gevangen Een reep is een lange lijn met zijlijntjes waaraan haakjes met aas, dobbers zijn losse lijntjes met daaraan een haakje met aas (met aan de bovenkant een stukje hout). Deze wijze van vangen werd door de riviervissers als amateuristisch ervaren. Zij prefereerden de aalkorf of aalwant, een uit teen gevlochten fuik, die nog steeds in gebruik was toen ook de garenfuik toepassing vond. De korven waren reeds in de Middeleeuwen van grote betekenis, meestal met schuttingen of weren verbonden tot koppels. Sinds ca. 1300 wordt er in vele oorkonden gewag van gemaakt.Van een nieuwe methode werd in 1968 gewag gemaakt: het gebruik van palingkistjes op het IJsselmeer, hoewel deze vorm van vissen ook reeds voor de Tweede Wereldoorlog bekend was.
Inmiddels is de palingstand sterk teruggelopen en ten dele vervangen door gekweekte paling.

Prik en prikvisserij. De prik, ook lamprei genoemd, is een slangachtige parasitaire vis zonder zichtbare kieuwen. Men onderscheidt twee soorten: de zeeprik of moerprik en de rivierprik.. De prik wwerd in Nederland niet gebruikt als tafelvis. De in Nederland gevangen prikken werden naar vissersplaatsen rond de Zuiderzee gezonden om als aas gebruikt te worden voor de beugvisserij op kabeljauw en schelvis. Bij Lith zou nog steeds prik gevangen worden, die naar Duitsland werd geëxporteerd.

Velen langs de grote rivieren hebben als hoofd- of bijverdienste hun inkomen verworven via de riviervisserij. Hoewel wat uitgebreider dan bij de meeste oude beroepen, is dit nog maar een summiere weergave. Voor verdere informatie moge ik verwijzen naar de literatuur opgave, waaraan het voorgaande ontleend is.

Literatuur:
M. Harbers, Riviervisserij tussen de Maasmond en IJsselmonde, verschenen in jaargang 6, 1995, nr 1 van NETWERK, een uitgave voor Vrienden van het Visserijmuseum.
Dr. Th.H. van Doorn, Terminologie van riviervissers in Nederland, 1971 Assen, Van Gorcum & Comp. N.V.
P. Hartman, Zalm vernomen! De zalmvisserij ten tijde van weleer, 1995 Verse Hoeven uitgeverij.

Robbenjager

In de negentiende eeuw brachten de zeehonden veel schade toe aan de netten van de vissers. Bovendien aten ze veel vis. Men stelde toen een premie beschikbaar voor elke gedode zeehond. Zowel in Zeeland als in het Noorden (waddeneilanden) werd professioneel op deze dieren gejaagd. Daarnaast waren er vissers die bij tijd en wijle aan deze jacht deelnamen.
In 1857 werd de premie afgeschaft, waarna de aantallen weer snel toenamen. Vooral de vissers in de omgeving van Urk en Schokland ondervonden veel schade.
In 1900 werd weer een premieregeling ingevoerd. Het besluit werd daarna nog verschillende keren gewijzigd. Van elke getoonde gedode rob werden de voorvinnen afgesneden om te voorkomen dat men fraudeerde.
Zeerobben en zeehonden werden op verschillende manieren bejaagd. Men kende robbenjagers die de dieren doodden met de knots, Ook waren er jagers die er met een geweer op uittrokken. Ook Prins Hendrik heeft nog enkele keren aan deze jacht deelgenomen.

De meest wrede vorm van jagen was met behulp van ijzeren kammen. In dit geval gebruikte men hoekijzers van drie meter lengte waarop vijftien pennen met pijlvormige punt in de vorm van een zwanenhals waren geklonken en daarom gelijk als weerhaan fungeerden. De hoekijzers werden met behulp van ijzeren steunen en pennen in de grond verankerd. De kammen werden bij laag water geplaatst. Bij hoogwater zwommen de zeerobben er over heen. Als het weer laag water was beslopen de jagers de robben van achteren en joegen ze in de richting van de kammen, waarin ze bleven hangen en door de jagers werden doodgeknuppeld.
In 1920 werden activiteiten ontplooid om deze vorm van robben en zeehonden vangen verboden te krijgen. De toenmalige burgemeester was zeer actief om dit verbod er door te krijgen, maar de overheid deed daar weinig mee. Wel kreeg burgemeester Van Heusden het voor elkaar dat van af Terschelling niet meer op deze wijze werd gejaagd.

Bron:
Terschelling en de visserij, Auteur Pieter van leunen. Uitgave Flevodruk BV. Illustratie is gedeeltelijke kopie van illustratie uit boek.

Roedrag(h)er

Voormalige benaming van de dienaar of bode die vanwege het gerecht of een besturend lichaam aanzei of dagvaardde, deurwaarder, gerechts- of stadsbode.

“Item so sal hy (de gerechtsbode) wesen een vreder des twists ende dergheenre die twyen ende ymmer geen vechter, ende tot enen teyken dairoff sal hij altoos draghen een roede in sijn hant, hoghe rechtop ende niet ter syden dalende, ende heet dairom roedragher, omdat men dairby weten mach dat hy die bode is, ... ende niet hy alleen sal die roede draghen so voirs. is, mar desghelijcs die bailiu ende scout, ... ende so wanneer yement enen rechter of bode also gaende misdede, die misdede des heren persoon properlicken, Matthijsz. 83 (vgl. Noordewier RO. 350, waar herinnerd)”

Roeier

  1. In het belastingwezen
    De ambtenaar die vaten of andere vochtmaten roeit oftewel de inhoud daarvan peilt of meet. De  Wijnkoopers (sullen) gehouden zijn …. de oxhoofden, ofte andere vaten … te doen roeijen …. door een geswooren  Wijnroeyer(Gr. Placaatb. 4. 860 a (anno 1699); “De ridsingen (zie ritsers) die de Wijnroeyers, by het inslaa van de wynen op het vaatwerck stellen” (Utr. placaatb. 2, 1219 a (anno 1725) (WNT)

  2. In de binnenscheepvaart
    Roeiers waren te Rotterdam degenen, die (vroeger met behulp van een roeiboot) behulpzaam zijn bij het aanleggen van schepen (bevestiging van de kabels) (WNT)


  3. In de graanhandel

  4. In de vleeshouwerij

Roeper

Iemand die in het openbaar iets aan- of afkondigt of bekendmaakt.
Ook iemand die van gemeentewege is aangesteld om zaken die ter kennis van het algemeen moeten worden gebracht in het openbaar uit- of omroept
Ook de persoon die op een openbare verkoping de goederen afroept en ze aan de meestbiedende toewijst.

Roerdrager

Destijds dragers van een roer oftewel geweer. Zij werden destijds ook arkebusiers, haak-,  busschutters of musketiers genoemd.

Roerganger

Deman die te roer gaat, zijn roeiergang waarneemt, de man die het schip stuurt.

Roer(e)maker

Maker van roeren, geweren.

roermaker

roermakerswerkplaats

Roerruiter

Militair te paard. In het begin van de zeventiende eeuw kwamen naast de lansiers en kurassiers  ook roerruiters voor. Zij werden ook karabiniers of bandelierruiters genoemd.
Zij droegen rechts een korter vuurwapen dan de musketiers.

Roerschutter

Dit was een term die wel in het vroegere Ned. Indië werd gebruikt:
Tagtig Inlandsche Roerschutters, ….. na de Europeïsche wyze in reijen en gelederen gerangeerd, (WNT)
.

Roffelaar

Werkman, timmerman, die met de roffel, de roffelschaaf, werkte om daarmee het ruwste van de planken af te schaven. Iemand die zijn werk niet goed deed, een knoeier werd ook wel roffelaar genoemd.

Rofster

Kopelaarster of hoerenmadam, bordeelhoudster.

Roggebakker

Bakker van roggebrood. Uiteraard was het bakken van roggebrood gebonden aan allerlei voorschriften.

Roggemolenaar, rogmolenaar

Molenaar, die rogge maalde.

Rogmeter

Belastingmeter op koren, door de stad aangesteld.

Rokjeswerker

Werkzaam bij de vervaardiging van rokjesgoed, weefsel waarvan destijds vrouwenrokken werden gemaakt.

Rokkenwever

Lange tijd verdienden boerengezinnen thuis een extra inkomen met het weven van linnen en later katoenen stoffen voor textielhandelaren. Voor de lokale markt werden ook handmatig rokken geweven. Na de jaren dertig van de twintigste eeuw verdween de streekdracht. Daardoor verdween de vraag naar deze rokken en kwam er een einde aan de vervaardiging van dit product.

Rolbidder

Ongeveer in het jaar 1860 werd te Rotterdam het begrafeniswerk uitgevoerd door z.g. rolbidders. Ze maakten deel uit van een groep bedienaars die door de gemeente was aangesteld en die volgens een rooster waren aangewezen om een eventuele begrafenis aan te nemen en daarbij als eerste man te fungeren. Zij waren gekleed met steek, korte broek en lage schoenen met gespen.

In 1967 werd het patent-bedienaarssysteem ingevoerd, waardoor aan deze funktie weer een eind kwam. Ze verkregen echter ook patent en namen als vrije mannen hun plaats in. De huilebalk verdween. Het costuum werd nu hoed met lamfer en gewone jas of rok. Toch waren er mensen die in hun testament lieten aantekenen dat bij overlijden de begrafenis moest plaats hebben met steek en korte broek.

Bron:
Zwart en Zilver, Gedenkboek OVR 1905-1930.

Rolder, roller

  1. Wagenbestuurder

  2. In de Goudse tabakspijpen industrie de persoon die een rolletje klei in de pijpenvorm rolt en pijp de eerste vorm geeft.

Rolreder

Fabrikant die doeken vervaardigde of liet vervaardigen om scheepszeilen uit te vervaardigen. Dit startte met het opkopen van de goede hennep, zowel in de Oostzeegebieden als ik de Lopiker-, Krimpener- en Alblasserwaard, dat per schip werd aangevoerd. Het werd eerst in beukmolens geplet en gehekeld, waarna het tot garen gesponnen en op klossen werd gespoeld. Dit garen werd door thuiswerkers en/of in eigen onderneming tot zeildoek geweven door rolwevers.

Rondassier (schilddrager)

Militair, uitgerust met een klein schild (rondas) en een hellebaard.

Rondleurder

Rondreizend kramer of koopman, als regel met kleine draagbare waren als garen en lint, stoffen, naalden, spelden, soms zelfs brillen.

Ronselaar

In feite handelaar in mensen(arbeid) vooral ten behoeve van de  Verenigde Oost-Indische Compagnie (V.O.C.), een vroege vorm van uitzendbureau. De Compagnie had altijd moeite om voldoende zeelui te werven voor de scheepvaart op Indië, zodat men gebruik maakte van de ronselaars. Deze wierven mannen, vaak bijv. deserteurs uit een van de Duitse legers, aan de grenzen van de Republiek, of andere, ook uit onze provincies afkomstige gelukzoekers. Dit gebeurde vaak onder valse voorwendsels en het royaal verschaffen van drank. Had het slachtoffer getekend dan werd hij met zijn medeslachtoffers naar Amsterdam gebracht en opgesloten in speciale huizen tot ze tegen vergoeding aan de V.O.C. werden overgedaan waar ze als varensgezel of zeesoldaat dienst moesten doen.

Roodgieter

Ambachtsman of fabrikant die gietwaren uit roodkoper of roodmessing vervaardigt.

Roodleermaker

Leerlooier, die de huiden looiden met behulp van run.

Roodschilder

Afhaler van gestorven vee. Moest er voor zorgen dat de karkassen van gestorven vee werden verwijderd. In Oldemarkt werd Gerrit van der Wolde met deze taak belast. De laatste roodschilder daar was Gerrit Wijs, die voor zijn werkzaamheden een traktement kreeg van 12 gulden ‘s jaars.

Bron:
Turfmakers en boterkopers, auteurs Jan ten Hove en Frits David Zeiler
.

Roodverver (roodverwer)

De roodververs leverden de licht en donkerrood getinte lakens. Grondstof was o.a. Braziliehout.

Roodwerker
Zie greinwerker
.

Rooimeester
(landmeter, erfscheider, rooimeester)

Uit Rooien (II) en Meester. Sedert het begin der 16de eeuw aangetroffen (a°. 1507 ; verdam 6, 1569). Ambtenaar, die belast is met het aanwijzen van de rooilijn van gebouwen en straten of van wegen enz., met het toezicht op den bouw van nieuwe en den toestand van oude huizen, enz., bouwopzichter, ook: opzichter van wegen, en erfscheider.

De gene, die eenige nieuwe Timmeragie aengeleyt sal hebben by voorgaende ordonnantie van Roymeesteren, (sal) gehouden ... wesen de Roymeesteren ... op sijn werck te halen ...; ten eynde sy mogen komen sien, of de royinge aldaer gegeven oock geachtervolgt is, Handv. v. Amst. 979 a (a°. 1565). De gene, die sal willen heyen ..., sal gehouden wesen sijn Buyrmans huys van buyten te besorgen met stutten ..., na ordonnantie ende goetduncken van de Roymeesters, 980 b. Verbiedende allen Stratemakers ... eenige straten te maken, voor ende al eer die by den Roymeesters gevisiteert sullen sijn, 983 a. En sal niemant eenige plaetwereken ofte jucken ... mogen steken ... in ofte over eenige wateren, dan by advijs ende goetduncken van de Roymeesteren, 984 a. Niemant zal vermogen eenig Huys, Petak, of ander Gebouw, aan de straat te timmeren, nog ook eenige Paggers te maaken, of te vernieuwen, zonder den voorn. Roymeester daar van bevorens te hebben gewaarschouwt, en tot inspectie verzogt, om de zelve by hem, na behooren geschied, en royinge gedaan zynde, als dan zyn werk te beginnen, bij vakentijn", O.-I. II, 1, 126 b {a°. 1692). De Roymeester zal ook het opzigt hebben over de Boomen, en Plantagien op 's Heeren wegen, 127 6. En worden de Rooymeesters deezer Stad ... gequalificeerd en gelast, om ... Inspectie te neemen by de Neeringdoende Luyden (t. w. of er geen brandbare stoffen op zolder liggen), Keuren v. Haerlem 1, 233 b (a°. 1752). Dat die geenen, die tot Onder-Fabryk, Stads Metselaar en Stads Timmerman zullen worden aangesteld, in vervolg van tyd, ook met die aanstellinge tot Roymeesters zullen verstaan worden te zyn gecommitteerd, 2, 68 b (a°. 1754).
Wanneer eenig Huis of Gevel door Rooymeesteren als bouwvallig ... werd afgekeurd, Handv. v. Amst., 2de Verv. 156 a (a°. 1756). De belending en uitgestrektheid van vaste goederen ... moeten door den rooimeester worden bepaald, alvorens eenig transport of overdragt daarvan vermag te geschieden, Publ. v. Curagao 1822, blz. 114. Een Ingenieur der 3de klasse, tevens belast met de functiën van Rooimeester te Samarang, Stbl. N.-1. 1829, blz. 86. De instructie voor den rooimeester te Batavia ... buiten werking te stellen, en in verband daarmede de vaststelling eener verordening op het bouwen en sloopen over te laten aan de betrokken hoofden van gewestelijk bestuur, 1882, n°. 104, blz. 1.
Gezworen rooimeester ; zie ook bij VERDAM. || Hebbende omtrent de 3 jaeren als Comp" gesworen landtmeter, architect ende roijmeester gedient, Daghreg. Bat. 9, 243. De geswoorne Roymeesters deser Stede,  Handv. v.   Amst. 1011 a (a°. 1680).
Samenst. [| Allerley gebacken Steen, die hier ter Stede verkoft ofte ghebruyekt sal werden, (sal) eerst moeten besichtight en ghekeurt worden by de Overluyden van het Metselaers Roy-meesters

Bron:
WNT 1254

Jacobus Flikkenschild, geboren in 1789 te Semarang, overleden 1854 te Soerakarta (voorm. N.I.) bijv. was landmeter/rooimeesert ( ridder MWO 4de kl.)

Roomeester

Een meester (geneesheer), die, bij pestziekte, vanwege de stad werd aangesteld om diegenen, welke aan deze ziekte leden, te behandelen. Hij kreeg een vrije woning, benevens een jaargeld enz.

 Aangetroffen in de Navorscher van 1853, pag. 253 bij de rubriek Vraagteekens.

Rosmolenaar

Molenaar van een molen die door een of meer paarden (ezels, soms ook andere trekdieren) in beweging wordt gebracht.

   
Bron: Molen en molenaar in familienamen
(Jan M. Spendel)


Rotmeester, onderrotmeester

Buurt- of wijkmeester.
“Op de dorpen in de Meierye zijn alle de inwoonders in rotten, dat is wyken of buurten verdeeld. De opperste van het Rot wordt Rotmeester genoemd. (opgave voor de Meierij uit de 18de eeuw)

Ook in de militaire dienst kende men deze term:
Hy crycht een rotmeesterskap, sergeantskap, lutenantscap ooc, Ja, een fendrichskap (WNT).

Rottenkruitsman

Persoon, die zijn werk maakt van het doden van ratten met behulp van rattenkruit
.

Rottenman, rottenvanger

Rattenvanger, destijds een onmisbaar personage, die met uiteenlopende middelen (vergif, vallen en klemmen) ratten ving.


Rottingwerker

Vervaardigde wandelstokken, veelal van rotting, stengels afkomstig van de rotanplant, mar ook van andere materialen zoals Spaans riet en min of meer versierd.

Rouwbeklager 

Persoon die de rouw beklaagt, condoleert, persoon die rouwklachten aanheft.

Rouwer, ruwer 

Lakenruwer, betrokken bij de fabricatie van katoen, bij een appreteerderij of katoenververij.

Rouwgoedverhuurder 

Verhuurder van rouwkleding.
Rouwmantelverhuurder 

Verhuurder van rouwmantels.
Rouwstalhouder, rouwkoetsenverhuurder

Stalhouder die lijkwagens en rouwkoetsen verhuurde.
Rouwsteller 

Begrafenisondernemer.
Rouwwinkelier

Handelaar in rouwkledij.

Ruimer

  1. Werkman die privaten, beerputten, kolken, riolen enz. ruimt,  schoon maakt. Ook wel ander binnenwater en havens.

  2. Werkman. die met een hakmes het op stam staande hout ruimt, snoeit.

Runmolenaar

Molenaar die eikeschors fijnmaalde ten behoeve van de leerlooierij.

"De runmolen aan den Overtoom te Amsterdam, wederom daadelyk in werking gebragt zynde onder de ondergeteende firma, gelieve een ieder, die run benoodigd is, zyne bestellingen en brieven te adresseeren ten huize van G. Warnars, boekhandelaar op den Vygendam te Amsterdam – Warnars en Hesseling".
Amst. Crt., den 8 Mey 1804

Alkmaarse regesten
491. 1589, augustus 5. Cornelis Allertsz. Rinmoeller (= runmolenaar) verklaart verkocht te hebben aan burgemeesters van Alcmaer, 5 roeden erff of land van zijn land of oude molenwerf, gelegen aan de stedegracht bij de Dronckenoorderboom, hem afgenomen ten behoeve van de trekweg. Op papier. Inv. nr. 1556.

Ruwer 
Zie rouwer.