Paalmeester
Ook wel pael- of boommeester.

  1. In Holland was de paalmeester de persoon die gerechtigd was het paalgeld van de schepen te innen.
    De Paelmeesters der Stede van Amstelredamme, oft de Pachters van 't Recht staende tot die onderhoudenisse ende bewaernisse vande Baken, Kapen ende Tonnen (Handv. v. Amst. 31 a van 1563).


  2. In Brabant was de paalmeester erfscheider, ambtenaar die belast was met het vaststellen van de grenzen tussen eigendommen.
    "Als twee Parthyen twistich syn ….. van erffven ende sy … begeren … Palinghe off Scheydinge gedaen te hebben, behoort t'zelve te versuecken aen den Scouteth ende Schepenen, die als dan consenteren te nemen die vier Paellmeesters binnen deser Stadt … omme 't zelve te doene. (Cost. v. 's Hertogenbosch 41).
    De werkzaamheden van de Paalmeesters zijn ate 's-Hertogenbosch o.a. vastgelegd in het "Reglement en Instructie voor de Drie Gezwore Paalmeesters der Hoofdstad 's Hertogenbosch (1776-1783)


  3. Opzichter over het paalwerk.

Pachters van den haardasch of straatvuilnis

Zij kregen het recht de haardas en of het straatvuil in te zamelen, waarna het door hen werd verkocht.

Pakker

  1. Degeen die op een papiermolen de verse vellen aanpakte: Op de vroegere papiermolen vond men twee pakkers: de boven- en onderpakker.

  2. Werkzaam in een pakkerij - klanderij - glanzerij (textielbehandeling).
    In de Amsterdamsche Courant van 24 april 1802 adverteerde Cysbert van Rossum:
    De ondergetekende, met de dood van de weduwe la Fontaine Verwey eigenaar geworden zynde van de door haar geëxerceerde pakkery, klandery en glanzery op den hoek van de Agterburgwal en Koestraat te Amsterdam, bericht hiervan het geëerd publiek en byzonder de kooplieden.


  3. Inpakker van koopmansgoederen, haring enz. Dit mocht oorspronkelijk alleen gebeuren door daartoe bevoegde personen. In Amsterdam: Packers van laken, aangesteld en beëdigd van Stadswege; in Haarlem de Packers van de Bont Lynwaaten; in Delft t.b.v. de Lakenhal beëdigd twee Packers, een Meter, twee Persers enz.

Paklo(o)per

Manufacturier, die met een pak textiel van deur tot deur ventte.

Palfrenier 

Eerst paardenknecht, stalknecht, later tweede of hulpkoetsier, koetsbediende.
Pander 

Gerechtelijke beslaglegger, pandnemer.
Pandmeester 

Degenen die het beheer hadden over een pand- of verkooplokaal: De Pandmeesters … sullen gehouden sijn dese Ordonnantie en verdere Articulen, die op 't Pand gestatueert sullen werden, promptekijk … te doen observeren. Handv. v. Amsterdam 1297 b van 1675.

Panneboeter

Ketellapper, maker en reparateur van pannen en ketels.
De panneboeter sal …. in 't maken van de nieuwe pannen, gheen andere nagels mogen gebruycken, als die gemaeckt sullen wesen van goet gansen pan yser, ofte ten minsten by gebreck van het pan yser, van het alderbeste roedt yser" (Handv. v. Ench, 218 b (van 1611)

Panneerder

Werkzaam in emailleerfabriek.

Panneman, ook pannemeester

Panneman, eigenaar van een panneering, zoutziederij, zoutzieder. Ook mnl. "Dat de Pan-luyden die neeringe doen, gehouden sullen wesen soo veele materie van assche uyt haren Keete komende te leveren daer men de Dijck mede sal mogen hoogen ende effenen," Handtv. v. Ench. 207 b (a°. 1561). "Elck hondert Zout dat by de Panneman gherafineert wort," Gr. Placaatb. 1, 1802 (a°. 1583)." Ende sullen die panluyden voortaen moghen maecken ofte zieden vier pannen 's weecks, welcke zout sy voor Broetzout sullen mogen verkoopen," Handtv. v. Ench. 209 a (a°. 1611). "Dat de Soutsieders ofte Panneluyden, voortaen niet en sullen mogen eenich Sout verkoopen ... by den Schepel ofte kleyne mate," Gr. Placaatb. 1, 1805 (a°. 1625). "Den Panneman of Grossier, alwaer het selvige Sout sal werden gehaelt," 4, 779 a (a°. 1683). "Dat ... de Zoutzieders en Panneluiden geen Grosseryen van Zout zullen moogen exerceeren als in een Huis apart," 7, 1399 a (a°. 1749). "De Keetmeesters of Panneluiden verbinden zig, by eede ..., dat zy geen Zout zullen maaken, dan van goed grof zout", WAGEN., Amst. 2, 483 b.

Pannen(dak)-

Dakpannen worden van een iets vettere kleisoort vervaardigd dan steenbakkersklei. De nog weke platen werden van een nokje (neus) voorzien en op een houten vorm krom gebogen in de gewenste vorm en na het drogen in een gesloten steenoven gebakken.

Bij de pannenfabricage kwam men verschillende functies tegen die voor zich spreken:

  • panafsnijder/pannensnijder
  • pannenbakker
    Doc.
    A. Schellingerhout, Dakpannen, 2600 jaar terracotta of keramische dakpan, A & Historische Cahiers nr 2.
  • pannendrager
  • pannenmaker
  • panovenbaas
  • panvormer
  • panwerker (ook een functie die bij de zoutziederij bestond)
  • panzetter

Pannenknecht

O.a. werkzaam in een suikerraffinaderij. Hij is degeen die voor de zied (kook)pannen zorgt.
"In eene Fabriek zijn, doorgaands, een meesterknegt; altoos een pannenknegt, eenige zolderknegts en jongens." "Het werk van den pannenknegt is van zo veel gewigt als dat van den meesterknegt …; hem is het reinigen der Suikeren toevertrouwd".
De pannenknecht is altoos de eerste op wanneer er gekookt wordt; hij moet de ziedpannen stoken.

Bron:
WNT

Pannensmid

Maker van koperen en andere pannen.

Panne(n)strijker, pannenbezetter 

Metselaar, die tussen de dakpannen mortel strijkt. Ook het gereedschap, dat hij daartoe bezigt, heet panne(n)strijker.

Pannepopper

De man die pannendaken, o.a. van boerderijen waterdicht maakt door het instoppen van pannepoppen of -dokken. (bosjes stro, aan een kant omwonden)

Panwerker

Functie in een zoutkeet.

Papierfabricage



De eerste papiermolen heeft mogelijk in de nabijheid van Hattem gestaan (1598).
In 1613 werd te Uchelen bij Arnhem een papiermolen opgericht door J. Jansen, boekverkoper te Arnhem en de uit Frankrijk verdreven papiermaker M. Orges.
De eerste eeuwen werd het papier voornamelijk uit lompen vervaardigd. Bekend is dat de papierfabrieken hier te lande een product hebben geleverd waarmee andere landen niet konden wedijveren.
Inmiddels is echter ook deze industrie nagenoeg geheel uit ons land verdwenen.



Het produktieproces bestond (beknopt aangegeven) uit de volgende fasen:

  1. zuiveren en verdelen van de lompen (uit 100 kg ruwe ongewassen lompen verkreeg men uiteindelijk ongeveer 27 kg papier)
    Voor de verschillende papiersoorten, die konden worden vervaardigd, had men daarop afgestemde lompen nodig.

    a. ontsmetten
    b. sorteren en snijden (zie Ons Erfgoed 10e jg., nr. 5, pag. 198); lompenscheider, -sorteerder.
    c. van stof ontdoen en koken; koker
    d. malen tot halfgoed, waarbij de lompen dusdanig worden vermalen dat de aard van de gebruikte stof en ook de draaiing van het garen niet meer te zien is, ofschoon de delen nog te lang zijn om met water een soort brei op te leveren.


  2. toebereiden van de papierbrij

    a. wassen en malen tot heel goed, een uiterst fijne vlokkige massa, die zich met water tot een soort brij laat samenroeren.
    b. lijmen en kleuren van deze pap

  3. het vormen tot vellen

    a. door handenarbeid scheppen, persen drogen en eventueel lijmen. Oorspronkelijk gebeurde het eigenlijke scheppen met de hand door de schepper. Voor verschillende papiersoorten werden verschillende vormen of ramen gebruikt, verdeeld in twee hoofdsoorten: de post- of geribde vorm en de velijnvorm. Dit was een soort zeef. Als regel was in de  vorm van dun koperdraad het watermerk aangebracht. Met deze vorm werd de brei uit een kuip opgeschept. Door deze brei te schudden wist de schepper het gelijkelijk over de vorm te verdelen. Het water zakte uit het raam weg, zodat er een dunne laag papierbrei overbleef.
    b. later machinaal


  4. het apprêteren van het papier: glanzen of satineren

Bronnen:
Dr. Karl Karmarsch, uit het Duits door G. Kuijper,Hz. Handboek der Mechanische Technologie, 1861, Leiden.
D. Grothe, voor de 4e druk bewerkt door E.H. Ekker, Mechanische technologie, 1898, Gorinchem
.

Papkoker

Functie in de apprêteerderij, de bontweverij en de blekerij van stukgoederen.

Papper

Werkzaam in was- en strijkinrichting
.

Parapluieversteller

Reparateur van parapluies.
Beroep van Abraham Levie Leefvogel ten tijde van zijn huwelijk op 19 december 1844 te ‘s-Hertogenbosch.

Parelzetter

Bevestigde parels bij goud- en zilverwerken.

Parlevinker

De parlevinker bevoorrade met zijn boot als een soort minisupermarkt de in de haven liggende schepen.

Passementwerker
Ook wel boordselwever genoemd.

Passementen worden enerzijds onderscheiden in
a. gouden en zilveren boordsels of galons en anderzijds
b. in wollen en zijden boordsels of passementen.

De passementwerker weefde doorgaans op een recht scheerraam

Ad a.
De hoofdgrondstof hier was goud- en zilverspinsel, dat verkregen werd wanneer men een draad, bijv. van zijde, schroef- dan wel spiraalvormig omwond (omspon) met goud- of zilverplatsel.
Men onderscheidde echt of vals platsel. Ook gebruikte men als gronddraad wel dun ijzer- en koperdraad, bijv. ten behoeve van dameshoeden.

Ad b.
De wollen of zijden boordsels of passementen onderscheidde men in militaire passementen, zelen of singels en leidsels (waartoe ook broekdraagbanden oftewel galgen of bretels gerekend werden, met als grondstof o.a. hennep- of werkgaren en vlas), meubelpassementen voor het bezetten van zijden behangsels, opgevulde meubels enz., naadbelegsels (zeer smalle zijden of wollen passementen voor het bezetten van de naden van de binnenbekleding van rijtuigen), rijtuig en livreipassementen (van onversneden fluweel en waarvan de oppervlakte met kleine noppen bedekt is.

Passementswerkers waren o.a. in Amsterdam en Utrecht in gilden georganiseerd:
In de Handvesten van Amstelredam 1362 b van 1632 staat o.a.: “Klachten … van de Meester-passementwerckers van ’t Voetgetou … over de Jongens”.
In het Utr. Placaatboek  3, 779a van 1628 wordt gesproken van  “De Deeckens van het Zyde Passementwerckers Gilde”.

Pasteibakker

De pasteibakker, leverde pasteien, maar veelal ook ander gebak als taarten en koekjes. Hij bakte zowel het pasteibrood, de korst voor een pastei “(“Dat Pastey broot suldy maken van tayen deege, gemaect van cleynen edelen bloeme) als de inhoud, die overigens zeer variabel was:
duiven, aal, garnalen, ham, hart, haas, hert, hoender, kalfsnier, kalfstong, kreeft, lever, limoen (“Om een suure Limoen-pastey te maken. Neemt Kalfs-vleesch en Kalfs-Vet, en een versche Limoen daer by”), pauwe, prommel- schildpad en Venesoen Pastei om er enkele te noemen.

Een merkwaardige (althans in onze ogen) pastei was ‘Olipodrigo Pastey:
Neemt drie zweeserikken …, doet ‘er tien hanekammen (Ik denk de paddestoelen die zo heten) … by, met drie gekookte schaapsballen, en zo veel vleesch, Duiven, een Hoen of ander gevogelte …, zo als men het goed vind; men kan ‘er ook Schaapspootjes  enz. … by doen”.
Tot de grondstoffen behoorden desgewenst ook fazanten, snippen, leeuweriken, lijsters en vinken.

Pastelleur

Fabrikant van suikerwerk.

Peerlegater (parelgater)

De peerlegater boorde gaten in parels.

Pegelaar

Pegel of peil werd gebruikt
:

  1. in maten voor drinkwaren
  2. hoogtemerk van de waterstand
  3. als teken ter aanduiding van de diepte waarop een vaartuig geladen mag zijn
  4. graad van sterkte bij het brouwen

Degenen die dit controleerden werden pegelaars (pegelaers) genoemd en waren ze in dienst van een stad stadspegelaars. Ze konden dus verschillende functies hebben.
Pegelaars of wijnroeiers waren functionarissen die zich bezig hielden met de controle op de hoeveelheden wijn in de vaten bij slijters en verbruikers met het doel de hoogte van de accijnzen vast te stellen.
In Grave had men een stadspegelaar, belast met de controle op het peil van de Maas.
Voor een aantal landmeters was het een nevenfunctie zoals voor H.W. Folckers, Martinus Muller, Philip Wijtties, die in 1632 als stadsijker en pegelaar werd aangesteld na een examen door Sems en Johan Tideman die in 1697 tijdelijk en in 1699 vast aangesteld werd als wijnroeier der provincie.

Bronnen:
Admissies als landmeter in Nederland voor 1811, pag. 77.
Middelnederlandsch Handwoordenboek
Woordenboek der Nederlandsche Taal
Graven naar de oorspronkelijke orde? Masterscriptie L. Kuijper-de Jong. Bijl. 1

Peilmolenaar

Molenaar die een peilmolen bedient. De peilmolenaar bewaakt de stand van het boezemwater en geeft de andere molenaars door (seinen), met het malen te beginnen of er mee op te houden.

Pekjongen/pikjongen



Leerling (leergast) op een scheepstimmerwerf, belast met het bereiden van pek pluis- en kalfaatwerk.
Kalfaat of kalefateren is het dichtstoppen van reten, naden, spleten en voegen tussen de planken van de buitenhuid of van het dek van schepen dichtstoppen met ‘werk’ met behulp van een kalfaat hamer en -ijzer, waarna er kokend pik op werd gegoten totdat de naden dicht waren).

Pelletier, peltenier

Pelsmaker of bontwerker. Geleerden, kooplieden, overheidspersonen en edellieden droegen niet alleen op straat maar ook in huis en in de vergaderzaal met bont “gevoerde”opperkleden. Ook binnenshuis was de temperatuur ondanks brandende vuren niet behagelijk.

Pellewever

Wever van pellen oftewel pellendoek. Onder pellendoek verstond men  “tafellakens, servetten, handdwalen en handdoeken of ook wel die soort van linnen, waarvan dezelve vervaardigd worden”.

Bron:
WNT

Pelser
Ook pelterij bereider of pelterijwerker.

Bontwerker. Zie aldaar.

Penne(n)bereider(sknecht)

De pennenbereider maakt uit de schachten of slagveren van bepaalde vogels penneschachten, die geschikt zijn om er schrijfpennen van te maken. Men gebruikte schachten of slagveren van verschillende soorten vogels: struisvogels, kalkoenen, eenden, raven, zwanen en vooral ganzen.
De pennenbereidersknecht werkte bij een pennenbereider.
In het bevolkingsregister van Leiden van 1795 komt ook als beroep voor: penne(n)snijder, d.w.z. degeen die een punt aan een schrijfpunt sneed. Dit kon o.a. met de penne(n)snijder, waarmee een ganzenpen met een snede geschikt gemaakt kon worden voor schrijfpen.

Men gebruikte verschillende pennen, niet alleen om een fraaie pen te bezitten, maar ook functioneel. In de Costumen van Turnhout 508 (van 1535) wordt bijv. voorgeschreven:
"Ende zal de … secretaris den voerscreven rolle alzoe verre van eenen scrijven, dat hij met eener cleijnen penne die confessien van paertijen … daer under scrijven can."

Penningwarier

Iemand die in het klein verkoopt, winkelier.

Pennist

Iemand, die de pen hanteert, klerk, schrijver. In het bijzonder als benaming voor klerken in dienst van de O.I. Compagnie van ‘den pen’. Dit in tegenstelling met hen, die bij het leger of de marine dienst deden.

Pensman
Ook pensverko(o)p(st)er, pensvrouw, penswijf en beulingwijf.

Iemand die pens, al dan niet gevuld, toebereidt en verkoopt. 
De pens is de eerste en grootste afdeling van de maag van een koe. De taaie huid van deze maag wordt o.a. gebruikt om er gehakt vlees in te rollen (rolpens).
Ook kende men pensbeuling in verschillende soorten: bloed-, gort-, lever-, potje-, en varkensbeuling.

Pens werd verkocht in een penshal, penshuisje of  penskraam.

Peperkoekbakker (peperkoekverkoper, -verkoopster)

Bakker en verkoper van peperkoeken. Deze waren bereid uit meel, honing, suiker of stroop waardoor peper werd gedaan.

Perenverkoper

Verkocht ’s winters warme stoofperen.

Perforeerder

  1. Werkzaam in een boekbinderij

  2. Ponser van Hollerithkaarten, ponskaarten waarin gaatjes werden geponst volgens een bepaalde patroon, o.a. gebruikt ten behoeve van de boekhouding het vervaardigen van rekeningen door verzekeringsmaatschappijen. Eind 1900 tot ontwikkeling gebracht door een Amerikaan, Hollerith.

Perkamentmaker



Vervaardiger van perkament. Perkament werd vervaardigd uit ongelooide, met kalkmelk behandelde lams-, schapen-, kalfs-, ezels- of geitenhuiden, aan beide zijden afgeschaafd en gepolijst, o.a. met puimsteen. Een goede kwaliteit werd reeds in de tweede eeuw voor het begin van onze jaartelling vervaardigd in Pergamumin (Klein-Azië). Als drager van teksten verdrong het papyrus, dat minder duurzaam was. Het maakte een enorme opgang in de Middeleeuwen.

Persdoekreinigster

Persdoek was een geweven stof vervaardigd uit sterke jute of wollen grondstof, die gebruikt worden bij de olieslagerij, beetwortelsuikerfabrieken en andere industrieën.
Na gebruik werden deze doeken op gezette tijden gereinigd.

Persenmaker

Vervaardiger van persen. Zo werd in 1801 te Amsterdam geadverteerd:
“Jan Zandvoort, de gewoone perssenmaaker van de perssen, door J. Termeulen met augmentatie van prys verkocht en geleverd, heeft in gereedheid, maakt en verkoopt thans zelve …. de beste boek-, plaat- en katoendrukkersperssen….”

26 mei 1801 kondigde J. ter Meulen op de Prinsengracht tegenover de Westermarkt aan, dat dit niet waar was, dat de oude ter Meulen zijn persen zelf maakte, en dat hij ze na diens dood door een ‘voornaam werkman’ voor zijn rekening liet vervaardigen, en thans twee drukpersen wederom te koop had, evenals letterkassen, ijzeren ramen, formaatgoed, beste drukolie en gemaakte drukinkt. Johs. W. Warrenaar, timmerman op den hoek van den Zwanenburgwal en de Staalstraat, beval zich 11 februari 1809 voor het maken van plaat- en boekdrukkerspersen aan.

Pestmeester

De pestmeester werd belast met het bezoeken van Aden crancken vande peste offte smettende sieckte, leggende int Gasthuys offte Pesthuys, daerover te ghaen ende die te cureren naer zijnen vermogen. Hem werd daarbij toegestaan alle zieken aan de pest binnen de stad, die zijn hulp inriepen, te assisteren, terwijl hij de Aarmen ende schaemelen, op vertoon van een briefje door de Ameesteren(regenten) van het nieuwe gasthuis of van het pesthuis afgegeven, Aom goodtswille ende sonder yet vanden selven te eysschen ofte nemen zou helpen. Van elke Arijcke ende ghestaede, die hij Adoor de hulpe des Heeren zou cureren (genezen), mocht hij genieten en ontvangen de som van 24 guldens eens, zonder meer, maar van elke persoon, Adaer hij over gehaelt ende gheroupen zou worden ende coemt te overlijden, zou hij mogen ontvangen 6 gulden eens, zonder meer. Voor een bezoek bij een gezeten burger, die geen biljet had van regenten, en waar hij geroepen werd ömme te visiteren wat sieckte die hadde, sonder dat hij gebesicht (werd) omme denselven persone te cureren, kwam hem van elke visitatie toe 12 st.eens. Aalle de remediën, substantiën, droguen, medecijnen ende anders, hoe die ghenaemt (mogten) wesen, welke hij voor de kuur nodig had, moest hij zelf leveren en bekostigen, zonder aan de stad of de Apacienten iets daarvoor in rekening te mogen brengen. De pestmeester die toen voor de tijd van zes maanden in dienst werd genomen, zou een Agaige (bezoldiging) van stadswege genieten van 200 guldens eens. De meesters van het nieuwe Gasthuis moesten hem en zijn familie bovendien een woonplaats Aversorghen.

Petroleum verkoper/venter

Venter, verkoper langs de deuren van petroleum. Vroeger werd veel gebruik gemaakt van oliestellen om diverse gerechten zachtjes te laten garen (bijv. vlees en (erwten)soep).


Jan Feikes Drost, petroleumventer
in Joure

Bron:
J. Oord

Pettenboorder

Het woord pet heeft uiteenlopende betekenissen. Men kent pet in de zin van put, bijv. veenput, ontstaan door het weggraven van veen, maar ook als waterput, soms gegraven maar ook geboord met een petboor. De petboorder is arbeider die petten/putten boort.

Daarnaast kent men het woord pet als benaming voor een hoofddeksel.

Pettenmaker

Pet is o.a. de benaming van een buitenshuis door mannen en jongens gedragen hoofddeksel.
Oorspronkelijk was het een soort ronde muts of baret met een grote klep van voren om het gelaat tegen zon en regen te beschermen, soms met oorkleppen, die opgeslagen konden worden en met banden, die onder de kin vastgestrikt konden worden. Later kwamen allerlei modellen petten in gebruik, zowel met stijve bol en leren klep als ongesteven. Ook kwamen petten in gebruik als deel van een te dragen uniform.

In het begin werden ook de petten door de hoedenmakers vervaardigd. Men kende de pettenknipster, de pettenmaakster en de pettenmaker.
Tegenwoordig is de vervaardiging van petten min of meer fabrieksmatig.

Peulder

  1. Iemand die peulgewassen (erwten en bonen) dopt

  2. Hij die bij het dorsen op de den (dorsvloer op het veld, bestaande uit over de grond uitgespreide stukken zeildoek) het koolzaad of de boekweit peult: de peulder trekt met de rijf (= hark) het zaad en de stekken van peulen en van stroo tegen het peulbard ( = plank, gebruikt bij het dorsen op het land) waarbij de wind dan de afval meeneemt, zodat het zaad gezuiverd wordt.

Peurder

Visser die paling of aal vangt

  1. met behulp van de peur, een tros wormen geregen aan een touw (peurtros) welke meestal dicht bij de bodem zacht op en neer bewogen wordt om de aal of paling aan te laten bijten. Onder aan de peurtros hing het peurlood, een stukje lood, dikwijls in een pijpekop gegoten, dat diende als gewicht om deze te laten zinken.

  2. met de elger (= vistuig bestaande uit een soort vork met platte, dicht bijeenstaande tanden) door deze telkens in de modder van een viswater te steken om op die manier aal of paling te vangen.

Piekenier (picquenier, piekeling, piekenaar, piekdrager, pijckenaer, pijckenier, pijckier)

Soldaat, bewapend met een piek. Deze bestond uit een lange stok met een puntig uiteinde van ijzer en staal. Oudtijds was de piek het hoofdwapen van een deel van de infanterie, maar raakte door de invoering van de bajonet in de achttiende eeuw geleidelijk in onbruik.

Pijenwerker

Pij was een grove wollen stof (pijlaken), bruin of grauw van kleur. Ook de kleding die uit deze stof werd vervaardigd werd pij genoemd. Als zodanig was een pij oorspronkelijk een overkleed oftewel pijrok gedragen door eenvoudige lieden, soldaten en monniken. De Pijenwerker vervaardigde deze pijen.

Pijnder (pijner, pijniger)

  1. Iemand die een ander pinigde: rechters of beulsknechten die een gevangene pijnigden op de pijnbank

  2. Als benaming voor een arbeider, in het bijzonder een sjouwer of een zakkendrager (o.a. Gent, Brugge)

Pijpe(n)brander, Pijpe uytbrander

Iemand die kalken pijpen uitbrandt om ze weer wit te maken. In Amsterdam bestond destijds de Pijpenbrandersgang.

Pijpendraaier

Degeen die stenen tabakspijpen draait of rolt.

Pijp(en)maker (1)

Tegen het einde van de zestiende eeuw heeft de pijpenfabricage in Engeland een hoge vlucht genomen.

Begin 1600 trokken een aantal calvinisten, die later onder de naam  ‘Pilgrim Fathers’ naar Nederland. Onder hen waren een aantal pijpenmakers. In 1620 vertrok een groep van hen naar Amerika, maar een groot deel bleef achter in Leiden, waaronder ook pijpenmakers. Het is niet onwaarschijnlijk dat zij het beroep in Leiden geïntroduceerd hebben. In Leiden en Amsterdam ontstond de productie in huiselijke sfeer. Maar ook elders (o.a. Gouda, Gorinchem, Groningen, Rotterdam, Schoonhoven en Utrecht) kwam dit beroep tot ontwikkeling, bij voorkeur in plaatsen waar reeds pottenbakkers werkzaam waren. Beiden verkozen plaatsen, die aan het water lagen, zodat klei, pijpaarde en brandstof gemakkelijk kon worden aangevoerd,en gereed product gemakkelijk kon worden afgevoerd. Uiteindelijk groeide Gouda in de loop van de eeuwen uit tot de stad van de kleipijpen.
In de beginjaren waren de pijpen kort van stuk. Later werden de stelen langer. De grotere exemplaren werden meestal thuis gerookt of in de kroeg. De kleine pijpen zijn vrij heet om te roken. Hoe langer de steel, hoe koeler de pijp rookt en des te lekkerder was de smaak. Doordat in de zeventiende eeuw de prijs van de tabak daalde werden ook de pijpenkoppen allengs groter. De kleipijpen waren goedkoop en werden in alle lagen van de bevolking gebruikt. Kinderen gebruikten ze graag om bellen te blazen.

Over klei- of kalkpijpenpijpen kan onderzoek gedaan worden. Aan de hand van de merken is veelal te achterhalen wie de pijpenmaker is geweest. Voor genealogen met pijpenmakers in de familie is het verzamelen een interessante liefhebberij. Doordat ze gemakkelijk braken zijn er heel wat pijpenkoppen weggegooid, die overal zijn te vinden. Het is leuk als je een of enkele koppen kunt achterhalen van de pijpenmakers uit de familie.

Voordat de pijp de oven inging had de witbakkende klei (pijpaarde), geïmporteerd uit Engeland, Duitsland, Frankrijk of België, een zeer bewerkelijk proces ondergaan. Eerst werd de klei gewassen om verontreinigingen en schadelijke stoffen te verwijderen. Na het wassen volgde droging. Deze droge brokken klei werden twee maal gemalen en door toevoeging van water kneedbaar gemaakt.
De roller maakte de grondvorm, de rol, die aan een kant dik was voor de ketel (kop) en die aan de andere kant dun uitliep voor de steel. Deze rollen werden enige tijd gedroogd en in een mal gelegd. Vervolgens ging de ‘kaster’ aan het werk, die met behulp van een stuk ijzerdraad (de wijer), waarvan het uiteinde knopvormig was, het rookkanaal aanbracht (= aanwijeren). Met wijer en al werd de rol in een metalen vorm gedaan en in een soort bankschroef  geklemd. Aan de kopzijde een kogelvormig stuk metaal (de stopper) in de mal werd gedrukt. Deze stopper bepaalde de inhoud van de pijpekop of ketel. Daarna werd de wijer (of weijer) zover doorgeduwd tot hij contact maakte met de stopper. Vervolgens werden wijer en stopper verwijderd en werd de pijp uit de mal gehaald om verder te drogen. In de steel werd een wat dunner ijzerdraadje geplaatst om te verhinderen dat de steel krom trok. Na het drogen werden de vormnaden en overtollige klei veelal verwijderd door vrouwen, de tremsters.

Onder aan de kop zit doorgaans een uitsteeksel, waar de pijpmakers dikwijls hun merk aanbrachten met behulp van een stempeltje.

De pijpen van de hoogste kwaliteit werden daarna geglaasd met behulp van een agaatsteen, waarmee op de buitenkant van de pijp de kleiplaatjes in één richting werden gestreken.

De ongebakken maar volledig afgewerkte pijpen werden in rekken gedroogd. Daarna werden ze in grote spits toelopende aarden pijpenpotten in de oven geplaatst en bij een temperatuur van ongeveer 1000º gebakken. Uit de terminologie die men voor de diverse handelingen gebruikte blijkt de Engelse oorsprong.
Oorspronkelijk zal men pijpen met korte steellengtejhebben vervaardigd, maar al gauw kwamen er ook pijpen met langere stelen.


Na 1750 werden steeds meer pijpen uit andere materialen vervaardigd, zoals houten en meerschuimen pijpen.
In 1713 telde men te Gouda over de 300 pijp,akersbazen, in 1815 teruggelopen tot 123.
Een van de laatste (Goudse) pijpenmakers is Adrie Moerings, maar diens bedrijf staat momenteel te koop (2006) al probeert hij nog wel enkele leerlingen het vak bij te brengen.

Voor hen die tabakspijpen makende voorouders hebben is het de moeite waard ‘Het Pijpenkabinet’, Prinsengracht 488, 1017 KH Amsterdam, te bezoeken. Mogelijk kunnen ze er informatie achterhalen voor de familiegeschiedenis.
Het Pijpenkabinet beheert een collectie die uniek is in Nederland en Europa. Als thematisch museum is het als enige in staat een overzicht te geven van de rookcultuur van vijf continenten van 500 jaar voor Christus tot heden.
De westeuropese kleipijp wordt encyclopedisch verzameld en vormt een onvervangbare studieverzameling. De volledige registratie en ver doorgevoerde documentatie van elk collectiestuk draagt in belangrijke mate bij tot de waarde als referentiecollectie. Om deze reden heeft het ministerie van OCenW de collectie in 1993 de "A-status" toegekend binnen de zogeheten "Collectie Nederland". Met deze kwalificatie is het Pijpenkabinet het nationale museum voor de rookpijp.
Dit museum verleent ook als service hulp bij het determineren van pijpekoppen. (zie www.pijpenkabinet.nl)

Ook het Moriaan (museum) in Gouda, Westerhaven 29, heeft een grote collectie Goudse kleipijpen.

Daarnaast bezit Louis Bracco Gartner in zijn “kleinste museum van Delft’, het Tabaks historisch museum (Van Bossestraat Delft, te bezoeken na afspraak) een collectie van ruim 12.000 Goudse pijpen. Hij bezit meer soorten, maar de Goudse voeren de boventoon. Negen van de tien pijpen komen uit Gouda.

Informatieve sites:
www.kleipijp.nl
www.tabakspijp.nl

Literatuur o.a.:
G.A. Brongers, Van gouwenaar tot bruyère pijp, Gaade, Amerongen 1978.
G.A. Brongers, Pijpen en Tabak, Van Dishoeck, Bussum 1964.
D.A. Goedewagen, De geschiedenis van de pijpmakerij te Gouda.
G.C. Helbers, De merken en het merkrecht van de pijpmakers te Gouda.
S. Laanstra, Pijpmakers en pijpmerken van 1724-1865.
J. van der Meulen en H. Tupan, De Leidse tabakspijpmakers in de 17e en 18e eeuw, Uitgeverij Stubeg, Hoogezand 1980.
J. van Oostveen, R. Stam, Productiecentra van Nederlandse kleipijpen.

Pijpenmaker (2)

Maker van orgelpijpen
De orgelpijpen worden met de hand gemaakt uit platen van een tin/lood alliage. Deze platen worden gegoten op een houten lattentafel die met linnen is bespannen. Daarna worden ze op dikte geschaafd.
Nadat de pijpenmaker het corpus en de voet van elke pijp van een register heeft uitgesneden worden de onderdelen gevormd en gesoldeerd. Na het ronderen zijn de onderdelen eerst zuiver rond en wordt de zogenaamde kern op de voet gesoldeerd.
Tenslotte worden voet en corpus aaneen gesoldeerd en worden de zijbaarden aangezet. Voor de tongwerken worden kelen geslagen en gevlakt. De tongen worden uit speciaal messingplaat gesneden. De nog niet sprekende pijpen worden door de intonateur op de intonatielade (een open orgel) geplaatst waar hij volgens zijn ervaring een eerste klank in de pijpen aanbrengt.
Men kan dit intoneren vergelijken met het blazen over een flesje waarbij met de juiste lipopening, luchtdruk en richting de beste toon ontstaat. De definitieve klank ontstaat pas in de akoestiek van de ruimte waar het orgel wordt geplaatst. Tenslotte wordt de pijp op lengte gemaakt.Dit laatste noemt men stemmen.

Bron:
Pils en Van Leeuwen, Kerkorgelbouw te ’s Hertogenbosch

Pijpensteller

Iemand die de pijpen stelt.

Pikster
Zie ook koffie-

Sorteerster van koffiebonen.

Pillendraaier, -maker, -roller

Degeen die in de apotheek de pillen vervaardigde, bestaande uit “verscheiderhande zo wel vogtige als drooge, enkelde en zamengestelde genees-middelen of ingredienten bereid, en tot een ronde gedaante van grootte als een kleine erwte, gebracht”.
(M. Noëll Chomel, Alegemeen huishoudelijk, natuur-, zedekundig en konstwoordenboek)

Pisbeziener, piskijker

Aan de hand van het onderzoek van de urine werden diagnoses betreffende iemands kwaal gesteld. Dit gebeurde zowel door de toenmalige artsen als door kwakzalvers. Het flesje met urine werd onder andere gebruikt bij zwangerschapstests. Maar die methode was medio de zeventiende eeuw al achterhaald. Het piskijken gold derhalve later als teken van kwakzalverij. Daarmee werd de arts, die dit nog toepaste, gebrandmerkt als Quacksalversche Pisbesiender, ofwel een charlatan.

“Ymand de pis bezien. Dat is onderzoeken hoe ’t met hem staat: gelyk Medicynmeesters den staat der kranken vernemen uit hun water”. (C. Tuinman, De Oorsprong en Uitlegging van dagelijks gebruikte Nederduitsche Spreekwoorden. Deel 1, 1726)
.

Piskruier

Werkzaam bij de lakenindustrie voor het vervoeren van urine ten behoeve van het vollen.

Pistolier, pistolettier

Ruiter, bewapend met een pistool.

Pistoolmaker

Eerst omstreeks het midden van de negentiende eeuw maakten de technische ontwikkelingen het mogelijk een groot gedeelte van het vuurwapen met behulp van machines te vervaardigen. Daarvoor was het handwerk.
Omstreeks het midden van de zeventiende eeuw was Utrecht het belangrijkste centrum van hoogwaardige vuurwapenfabricage in de Nederlanden.
Tegen het eind van de zeventiende eeuw kwamen ook Maastricht en Amsterdam als belangrijke vuurwapencentra naar voren. Enkele makers te Maastricht, Leonard Cleuter, Jacob Kosters, Johan Louroux en De la Pierre hebben bekendheid gekregen door hun luxe pistolen met uit ivoor gesneden laden.

Aanvankelijk werden de vuurwapens in hun geheel grotendeels in thuiswerk met de hand vervaardigd door de geweermakers. Naarmate het aantal benodigde wapens groeide en de wapens qua constructie gecompliceerder werden, gingen de gevestigde geweermakers er meer en meer toe over werk uit te besteden, vooral als het grotere militaire orders betrof.
Naast de geweermaker werkten aan de tot stand koming van een vuurwapen mee: slotenmakers, loopsmeden, lademakers maar ook o.a. kopergieters en zilversmeden.
Door het groeien van de vraag werd het uitbesteden van diverse werkzaamheden geleidelijk vervangen door het produceren van grotere series wapens in werkplaatsen, waar een aantal gespecialiseerde vaklieden ieder op hun eigen terrein werkzaam waren.
Hiertoe behoorden bijv. loopsmeden, loopfitters, slotenmakers en –fitters, lademakers, beslagmakers en –fitters, polijsters, graveurs, harders, bruineerders, afwerkers en keurmeesters.

Bron:
o.a. Ir. R.T.W. Kempers, Aantieke vuurwapens, Fibula-van Dishoeck, Haarlem 1977.

Plaatdrukker

Drukker van gegraveerde of geëtste koperen platen.

De ingeinkte drukklare plaat werd op een harde ondergrond gelegd, daarop het iets vochtig gemaakte te bedrukken papier, daarop een stuk vilt. Het geheel werd dan tussen twee rollen onder grote druk door de pers gedraaid, waarna vilt en het bedrukte papier voorzichtig werden verwijderd.
De afdruk werd dan te drogen gehangen, waarna aan het drukken van de volgende afdruk kon worden begonnen.

Plaatmaker

De plaatmaker is/was werkzaam in een offsetdrukkerij, waar hij geprepareerde platen tezamen met een negatief belichtte en vervolgens ontwikkelde.

Plaatslijper

In de beginperiode van de offsetdruk. In het begin maakte men gebruik van zinken platen als beelddrager. Deze platen moest men zelf prepareren. Zie copiïst.
Het geschikt maken van deze zinken platen om de gevoelige laag er op aan te kunnen brengen was de taak van de plaatslijper, die nieuwe of gebruikte zinkplaten machinaal sleep en greinde (van enige ruwing voorzien). Verder moest hij met zuur de platen vetvrij maken.

Plaatsnijder

Plaatsnijder of graveur.

Het graveren van af te drukken afbeeldingen en teksten o.a. in koperen platen.

De plaatsnijder kon rechtstreeks afbeeldingen en zo nodig ook teksten rechtstreeks in het koper graveren, maar ook indirect: door de plaat te bedekken met een voor zuren ondoordringbare laag, waarop hij in en net door die laag de te vervaardigen voorstelling vervaardigde. De plaat werd dan in een etsbad (zuur) gedompeld, waarna het zuur de opengewerkte afbeelding in het koper uitbeet.

Daarna werd de plaat schoongemaakt, een proefdruk vervaardigd (eerste statie), waarna het proces herhaald werd tot de afbeelding aan de verwachting voldeed en klaar was voor de definitieve druk.

Plateelbakker

In verschillende plaatsen is deze tak van nijverheid tot grote bloei gekomen. Ook in Delft ging men zich toeleggen op de vervaardiging van majolica. Oorspronkelijk onderscheidde men plateelbakkers en pottenbakkers. De plateelbakker vervaardigde oorspronkelijk o.a. platelen (platte schotels of schalen) van aardewerk. Later ook de nabootsingen van het Chinese porselein, o.a. het bekende Delftsblauw, ook “Hollants Porcelyn” genoemd.
De plateelbakkers worden onderscheiden van de gleibakkers, die glanzend wit aardewerk maakten en de tegelbakkers en estrikbakkers, die muur en vloertegels vervaardigden..

De kern van het bedrijf bestond uit een of meer ovens in een werkplaats. Verder had men nog andere ruimten in gebruik - droogzolders, pakhuizen, houtschuren, hooizolders, een woonhuis voor de meester-bakker en tenslotte een voor in dat huis gevestigde verkoopruimte.

Men onderscheidde:

  1. Ordinair plateelgoed (of faience), dikwijls met eenvoudig schilderwerk
  2. Fijn plateelgoed (fayence), waartoe het vermaarde Delftse aardewerk behoorde





Voor de kleibereiding gebruikten de plateelbakkers (te Delft) 'viererlei aarde': zwarte 'aarde', klei uit Delft en Duitsland en mergel uit Doornik. De kleisoorten werden bewerkt in de aardewasserij, waarvan er in 1742 een zeventiental is gevestigd langs de 'Rotterdamsche Vaart of Schie'. De aardewasser vermengt de kleisoorten met water tot een verdunde massa, waarna dit mengsel vervolgens door een fijne koperen zeef wordt gezuiverd en opgevangen in bakken. Dan laat men de klei drogen en opstijven. Soms ook werd de klei in kleimolens toebereid.
Wanneer de 'aarde die trap van droogte verkreegen heeft, dat ze gesneeden kan worden', sneed de werkman de 'opgestijfde' aarde in vierkante stukken om tenslotte de gewassen aarde met schuiten naar de plateelbakkerijen te vervoeren. Daar werden de brokken in gemetselde putten bewaard en van tijd tot tijd met water overgoten 'om ze gedwee en handelbaar te houden'. Daarna was het de beurt aan de aardetrappers om aan de slag te gaan. Op de stenen vloer maakten zij een cirkelvormige ca. 1 dm hoge cirkelvormige bedding, vaak van verschillende kleisoorten, die gemengd werden. Met blote voeten werd de klei getreden van buiten naar binnen enz., waarbij zij de ongerechtigheden, mogelijke klonters of 'vreemde deelen',  voelden en konden verwijderen. Daarna werd de klei in repen gesneden en weer samen gekneed, zodat ook alle lucht verdween en er geen luchtbubbels in het aardewerk konden ontstaan.

Als de klei gereed was kwamen de draaiers aan bod Deze waren onderverdeeld in groot-, rond- en platdraaiers. Zij wierpen een kluit klei op de draaischijf, centreerden deze op hun schijf en draaiden zonder mal of ander hulpwerktuig de gewenste voorwerpen in het gewenste model. De draaischijf, die onder de werkbank een zwaar vliegwiel had, werd met de voet aangedreven. Grootdraaiers maakten de holle voorwerpen zoals vazen. Ook waren er de vormers van sierwerk, die de meer ingewikkelde ruimtelijke voorwerpen vormden. Na het vormen zette men de voorwerpen op de grond of op planken om te drogen.
De voorwerpen die gevormd en gedroogd waren werden door gevers gedompeld in een bad van loodglazuur of daarmee begoten, cq besprenkeld, waarna ze deze weer op rekken te drogen zetten. De loodglazuur,  trekt in de poriën van de klei en geeft een goede onderlaag. Loodglazuur is echter niet bevorderlijk voor de gezondheid. Men gebruikte tinglazuur voor de binnenkant.

Plateelschilders
markeerden op schotels eerst de ronde banden met een profileerwiel. Omdat massaproductie nodig was werden decoraties zelden uit de vrije hand getekend. Men volgde een patroon dat via een pons werd aangebracht. Om een pons te maken werd eerst een tekening gemaakt op papier of karton, dat langs de belangrijkste lijnen doorgeprikt werd. Daarna werd dat geperforeerde papier (de pons dus) steeds weer opnieuw op elk te beschilderen voorwerp gelegd. Met een spons (of een poederzakje) werd houtskoolpoeder door de gaatjes overgebracht op het voorwerp. Daarna konden de schilders met hun penseel die stippellijnen volgen. In de oven bleef er door de hoge temperatuur niets over van het houtskool.

Vloerwerkers
besprenkelden de voorwerpen met een dunne laag doorschijnend loodglazuur. Men noemde dit het 'kwaarten'. Deze vloerwerkers zorgden ook voor het kloven van hout en assisteerden bij het stoken van de oven (voor de juiste hitte op het juiste moment), natuurlijk onder leiding van de meester-bakker, die deels of geheel eigenaar was van de werkplaats oftewel winckel.


Kokermakers
zorgden voor de juiste kokers, overwegend met een hoogte van 24 cm. en met een doorsnede van 23 tot 25 cm.
Deze kokers vulden zij voor de eerste bakronde, het 'biscuitbakken’ met een reeds gebakken bord boven en onderaan. Daar tussen in kwamen de verse borden direct op elkaar te liggen. Bij het vullen met beschilderde borden moest men natuurlijk veel voorzichtiger zijn en het glazuur aan de bovenzijde niet beschadigen. Daarom werden die borden met enige tussenruimte gestapeld. Men deed dat met behulp van driehoekige proenen. schijfjes met drie pennetjes op een bepaalde hoogte. Op een bord een proen, dan weer een bord enz. tot de koker gevuld was. Ook gebruikte men voor de tweede bakgang ovenkokers met drihoekige gaatjes er in. In die gaatjes werden aardewerkstaafjes gestoken, de bakpennen, waarop het éénmaal gebakken en van glazuur voorziene aardewerk geplaatst werd. De gevulde kokers zette men in de meest economische stapeling in de oven, tot aan 9 a 11 kokers op elkaar. Er pasten natuurlijk een aantal kokers naast elkaar. Die oven was meer dan 2,5 meter hoog. De pennetjes lieten alleen een spoor achter aan de onderzijde van een voorwerp.
Dat dit bakproces niet altijd goed verliep blijkt uit de grote hoeveelheden afval zoals grote stapels faience borden, soms met de bakpennen er nog tussen.
Onder 'ruw' goed verstaat men het voor de eerste keer door de stokers met zorg gebakken aardewerk. Het wordt vervolgens schoongeborsteld waarna ieder stuk wordt ondergedompeld in een tinglazuurbad, 'eene vloeibare compositie, wit geheeten'. Onder het 'wit' verstaat men het witte tinglazuur, waarin vervolgens de plateelschilder een versiering kan aanbrengen. Paape geeft een nauwkeurig verslag van alle ingrediënten die nodig zijn om de onder meer uit metaaloxyden bestaande verfstoffen voor de decoraties samen te stellen. (Paape 1794)
Een deel van de nu met een ondoorzichtige witte laag tinglazuur bedekte voorwerpen wordt apart gezet en is bestemd voor het 'gemeen of slegt goed'. Het gaat dan om Delfts aardewerk dat niet wordt beschilderd en dat na de tweede bakgang wit, ongedecoreerd Delfts oplevert.

Het andere deel wordt voorzien van een decoratie en vervolgens 'gekwaart', het aanbrengen van een doorzichtige laag loodglazuur op het voorwerp ter verhoging van zijn glans.
Dan worden alle kant-en-klare goederen in de kokers geplaatst voor de tweede bakgang, de 'gladbrand', de tweede bakgang ter vasthechting van de opgebrachte glazuurlaag bij een temperatuur van circa 1000 º C.
Houtklovers zorgden voor het stookhout van de juiste soort en van de juiste grootte.
De oven kon gemiddeld één keer per week worden gevuld, gestookt en na het afkoelen geleegd. In 1668 hadden van de toen net door een delegatie van het Delftse stadsbestuur bezochte 26 bakkerijen er 13 één oven, nog eens 13 hadden twee ovens, terwijl De Porceleine Schotel er zelfs drie had. Om overproductie te voorkomen werden uiteindelijk (tijdelijk) productiebeperkingen ingesteld.



Tot de plateelbakkers werden ook gerekend de tegelbakkers en de estrikbakkers (soort plavuizen).
In Delft kregen de plateelwerkers een eigen sub-organisatie, die algemene prijs- en loonafspraken maakte. Men had ook ‘vakbonden’. die opkwamen voor de werknemers. De werknemers van een (Delftse) plateelbakkerij hadden het redelijk goed. In de zeventiende en achttiende eeuw kostte te Delft het afleggen van een meesterproef twaalf gulden plus de betaling van een copieuze maaltijd.

Literatuur o.a.:
Dr. E. van Neurdenburg, Oude Nederlandsche majolica en tegels, Delftsch aardewerk, Amsterdam 1944.
D. Grothe/E.H. Ekker, Mechanische Technologie (1898), pag. 184-185.
Dr. K. Karmarsch/G. Kuijper, Handboek van mechanische Technologie (1861), pag. 745-780.
G. Paape, De Plateelbakker of Delftsch Aardewerkmaaker
M.S. van Aken-Fehmers, L.A. Schledorn, T.M. Eliëns, Delfts aardewerk Geschiedenis van een nationaal product, deel 2, Zwolle/Den Haag (Gemeemtemuseum) 2001

Platstrijkster

Vrouw, werkzaam in een wasserij, die het gewone platte goed streek.

Platijnmaker

Platijnen (ook wel patijnen of trippen genoemd) waren een soort slippers met een houten zool. Ze werden met een riem over de wreef bevestigd. Ze hadden onder de hiel en de voorvoet een verdikking. Ze zijn waarschijnlijk ontwikkeld in Frankrijk.
In Canter Cremers-v.d. Does, Schoenen (1940) wordt gezegd: Na 1100 draagt men de houten zolen soms apart met een riempje over de schoen of kous. Dit wordt de patin of trip, die de mens beschermen zal tegen de modder der ongeplaveide straten (WNT).

In ons land werden ze tussen de twaalfde  en zestiende eeuw door de burgerij gedragen. Sinds de zestiende eeuw als muil of sandaal.
In  1399  worden  in  de  stadsrekening  van ’s-Hertogenbosch platijnmakeren genoemd.

Literatuur:
C.A. Verkuylen, Brabantse klompenmakers en hun geschiedenis.

Platwerker

Zowel de persoon die in een aardewerkfabriek plat werk als schotels en borden maakte als de bandwever werden platwerker genoemd.

Platzetter

Handzetter in een drukkerij.

Met de hand pakte de handzetter de letters uit de kast (= lade uit een zetbok) en plaatste deze in een zethaak. Deze zethaak diende om de letters in de juiste volgorde op de juiste maat te zetten. Merkwaardig is dat dat kopstaand gebeurde, d.w.z. de zetter ziet de regels op de kop. Als een regel gereed is werd deze in een galei gezet. Een galei is een platte houten of zinken bak met lage randen. Het omvallen van de letters werd voorkomen door stukken zetlood tegen het zetsel te plaatsen. Was het zetsel klaar dan werd het met een touwtje omwonden en kon er een proef worden gemaakt.
Na goedkeuring van de proef kon het zetsel in een vorm worden geplaatst en afgedrukt. Na het drukken werd het zetsel soms bewaard voor een herdruk, maar anders weer gedistribueerd (teruggeplaatst in de zetkasten) De handzetter verrichtte zijn werk staande. Vroeger soms 12 uur of langer. Als men slaap kreeg kon men wel eens een schop tegen het achterste verwachten.

Pleegman

  • Is een opperman
  • Ook het verzorgen van vee werd wel plegen genoemd

Pleisteraar, pleistergieter

De pleisteraar of pleistergieter goot figuren in gips. Ook de maker van vormen voor voorwerpen, die niet gegoten konden worden werden wel pleisteraar genoemd
.

Plesser, pletser

  1. Degeen die in een pletterij een pletmolen bedient
    In een plet- of drukmolen werd metaal geplet of buskruit gemalen
    .

  2. Iemand die inghewanden van dieren verwijdert

Pletsvolder, pletsvoller

Plets is een wollen stofsoort, oorspronkelijk afkomstig uit Schotland, o.a. dienende voor kleding van de Hollandse militie. De pletsvoller/volder zou deze weefsels ontvetten door ze te treden of te slaan.

Bronnen:
Beroepsnamenboek, J.B. Glasbergen en WNT

Plooister

Zo werd de vrouw genoemd, die genaaide en/of gestreken plooien in kledingstukken als kragen en mutsen of gordijnen aanbracht.

Plo(o)ter, ook vagte- of velle(n)ploter, vr. plootster
Met als variaties: plotersbaas, ploter, plotergast, ploterknecht, vachtenplotersknecht.

Zij waren werkzaam in de ploterij, waar men de huiden van geslachte schapen van de vacht ontdeed. Destijds   moest dat gebeuren door rotting. De vachten werden enige tijd in het (grachten)water gelegd, waardoor de haren los gingen zitten en verwijderd konden worden. Later gebeurde dit door ze na reiniging aan de vleeszijde in te smeren met o.a. zwavelnatrium.

Ook de ploters waren in een gilde georganiseerd, soms samen met anderen (bijv. zeemtouwers)

Bron:
O.a. WNT 2789-2793

Plugge(n)draaier, plugge(n)maker

Vervaardiger van pluggen, metalen, of houten ronde aan een zijde spits toelopende voorwerpen om gaten in vaten e.d. te kunnen afsluiten.

Pluimas(s)ier
Ook vederman

Vervaardiger/ verkoper van pluimage: versieringen van veren voor o.a.  hoeden en helmen.

Pluimenmaker

Vervaardiger van allerlei producten van vogelveren.

29sten oogstmaand 1809 adverteerde in de Amst. Courant Michel Pontou, ”fabrikeur in stroohoeden en modes, woond op den Grimburgwal op den hoek van het Gebed zonder End no. 14. Doet weeten aan heeren en dames, dast hy een fabriek heeft van pluimen, als bouquetten en parnassen en alles, wat voor het paleis noodig is, en voor de krygsraad, en levert ook parnassen voor de armée in het groot en klein.”

Vraag: Wat wordt hier onder parnas verstaan? Ik kwam geen betekenis tegen die in dit zinsverband is te plaatsen.

Pluimgraaf

Oorspronkelijk een hoge ambtelijke functie: Degeen die het toezicht hield op het gevogelte van een vorst of ander hooggeplaatst persoon. Later werd de term ook gebruikt voor minder voorname oppassers van het gevogelte op een buitenplaats.

Pockmeester, pok(ken)meester



Tegen het eind van de vijftiende eeuw zou de geslachtsziekte syfilis zich voor het eerst in Europa hebben gemanifesteerd. De eerste gevallen in ons land worden vermeld in de chronieken van Johan Reijgersbergen over de geschiedenis van Zeeland die van Van Beverswijk en over Dordrecht. Onder de soldaten, die in Delft de Kolk groeven, zou deze ziekte ook veelvuldig zijn voorgekomen. In 1496 viel een Spaanse vloot van 135 schepen de haven van Arnemuiden binnen en 24.000 Spaanse soldaten brachten de winter door op Walcheren, waarvan velen stierven aan wat men toen de Spaense Pocken noemde. Dit zou het begin zijn.

De personen, meestal leken, die deze ziekte behandelden, kregen al spoedig de naam Pockmeester. Aangezien de kerk een zorgvuldige bestudering van de ziekte en van eventuele voorbehoedsmiddelen tegen ging, waren het vele jaren hoofdzakelijk kwakzalvers, die allerlei middeltjes aangaven en verspreidden om een besmetting te voorkomen.
Die pockmeesters hadden meestal al snel een zeer winstgevende praktijk. Dit werd in de hand gewerkt omdat de artsen en chirurgijns het veelal beneden hun waardigheid vonden, lijders aan “vuile ziekten” te helpen.

In vele plaatsen werden de pockmeesters ook nog beschermd. Bleek iemand in het genezen van de “pocken” een zekere vaardigheid te hebben dan werd hem vergund zich in het openbaar door middel van een uithangbord bekend te maken.

Als voorbeeld een uithangbord tekst uit 1693:

Hier woont de suijvre Jan Pottagie
Die Pokken, Lempten, Podagra
Alsmede Sweren en Krauwagie
Neemt te cureeren voor en na.

Oppassende burgers moeten niets hebben van de 'vuyle ziekte' (syfilis). Een handwerksman die vanwege een geslachtsziekte niet meer kon werken, kreeg geen financiële steun van zijn gilde. Op de VOC-schepen werden matrozen met geslachtsziekten niet behandeld.
De po(c)kmeester die de geslachtsziekten behandelde scheef meestal een kwikbehandeling voor, waarvan de patiënt ging kwijlen:
“Dat het Quick-silver een bysondere kracht heeft om het slijm na den mont en keel toe te drijven, zo dat het oock van buyten gestreken zijnde, doet quijlen en de Tanden los maeckt gelijck de Pockmeesters wel bekent is”.
(J. van Beverwijck, Schat der Ongesontheydt, ofte Geneeskonste van de sieckten. 2 dln, 1660).

Poestertreder (puistertreder)

Orgeltrapper.
Benaming van degeen die tijdens het bespelen van het orgel door de organist, de blaasbalgen, die voor de noodzakelijke luchtvoorziening zorgden, aantrapte.

Pokmeester
Zie pockmeester.

Polderwerker

Grondwerker, werkzaam bij de aanleg en het onderhoud van dijken en polders. Dit beroep was hard en zwaar, maar de besten verdienden in het seizoen het dubbele van andere arbeiders.

In het Verslag van de Eerste Sub-Commissie van de Staatscommissie over de werkeloosheid (11), Den Haag 1913, zegt men:
Vanouds verstaat men onder dezen naam de grondwerkers, die trekkend van de ene plaats naar de andere, gebruikt worden bij de uitvoering van openbare werken.
Ze waren actief als dijkwerkers, kanalengravers, spoorwegaanleggers, wegenbouwers en grondwerkers, vaak met honderden, soms met duizenden.

Anders dan de meeste arbeiders waren zij niet erg honkvast. Veelal werkten ze in ploegen van twaalf of dertien man. Het was seizoenarbeid. Ze werden in daghuur aangenomen. Aan het eind werden de meesten werkloos en trokken dan naar hun gezin in de hoop af en toe nog iets extra’s te kunnen verdienen. De polderwerkers die van elders kwamen, woonden meestal in keten waar de vrouw van de ploegbaas voor de inwendige mens zorgde. Vaak deed ze ook de was en zonodig stopte ze.

Pompema(a)ker

De waterpomp diende/dient om water omhoog of andere vloeistoffen naar elders te verplaatsen.

Oorspronkelijk werden de pompen uit ronde of vierkant houten balken vervaardigd bij en door speciale vaklieden, die vaak ook scheepsblokken, takelblokken vervaardigden, de pompenmakers, alhoewel er ook molenbouwers waren die dit werk in eigen hand hielden. De pompen werden gebruikt in de schepen (verwijderen lekwater), oliemolens, stijfselhuizen, boerderijen en woningen, kortom overal waar vloeistoffen vanuit de diepte omhoog moesten  worden gebracht. De pompenmakers gebruikten vooral iepen stammen, die in voorraad te water lagen. Dit laatste omdat droog hout te hard was om te boren. Zo’n iepen stam moest niet alleen recht maar ook vrij van kwasten of noesten zijn. Zo’n stam werd onwrikbaar op twee schragen bevestigd. Met een pomp of lepelboor, die voor het midden werd opgesteld op schraagjes met in het midden pollen, blokjes van hard hout of ijzer met een uitsparing om de boor te geleiden, werd er door het midden een rond gat geboord. De lepel van deze boor was ongeveer vijf cm breed en dertig tot veertig cm lang. Aan het eind van de boorstang was een dwarshout en een handwiel met vier uitstekende spaken bevestigd. Een man draaide de boor, die hij ondertussen aandrukte. Eventueel had hij hulp van een jongen, die aan de boorstang trok als de man boorde. Vee malen moest de boor wanneer het gat dieper werd, teruggehaald worden om het boorsel, het afval te verwijderen. Na de eerste boring volgde een tweede met een grotere lepel. Bij dit opboren werd een boor met verwisselbare lepels gebruikt met aan de punt een draaibaar haakje of oog. Vanuit het einde van het geboorde gat werd dan een ijzeren staaf voorzien van een haakje geschoven en aan de boor vastgehaakt. De hulp trok dan aan die staaf bij het boren.. Dit werd herhaald tot de juiste grootte van het boorgat was bereikt.
Eerst daarna werd de doorboorde stam vierkant gemaakt, zodat men als het gat iets uit het midden was geboord, men dit nog kon corrigeren. Na het vierkant maken werden de hoeken er nog afgehaald.
De zuiger, ook emmer genoemd, en de voetklep of hart werden op een draaibank vervaardigd.

Een eindje onder de bovenkant werd een dwars gat met een gootje vervaardigd, waar het water/de vloeistof uit moest komen. In dat gat moest een houten prop met een naar boven opengaande (leren) klep komen, eerst bevestigd aan een houten, later ijzeren staak. Deze kon met de pomparm heen en weer worden bewogen om het water uit een wel of water op te pompen.

Allengs werden de houten pompen door metalen verdrongen. Deze werden oorspronkelijk door loodgieters vervaardigd en werden vaak op hun trotseerloodjes afgebeeld. Later werd het fabriekswerk.

Pompier

  1. De pompier was een kleermakersknecht of zelfstandige die pompwerk verrichtte: uitvoeren van kleine reparaties en het passend maken van confectie, bijv. door de broekspijpen iets in te korten.
  2. Ook de brandweerman werd wel pompier genoemd.

Pompslager

De pompslager was degeen die de door de pompenmaker vervaardigde pompen plaatste.

Pondegoedkoper/-koopster, Pondegoedraper/-raapster

Deze vergaarde en verhandelde vodden en ander afvalmateriaal dat per gewicht werd verkocht.

Pontvoerder
Veerman.

Iemand die met een (veer)pont mensen, dieren en goederen overvaart van de ene zijde van een rivier of kanaal.

Poortier/Poortierster

De poortiers zorgden voor het openen en sluiten van de stadspoorten.
Bij ordonnantie werd bepaald op welke tijden de poorten geopend en gesloten moesten worden.
De poortiers moesten een eed afleggen met betrekking tot zijn/haar taken, o.a. omdat zij poortgeld moesten innen van degenen die na sluitingstijd alsnog naar binnen wilden. Zij mochten daarbij geen fooien aannemen van overtreders.
Ook moesten ze er op letten dat de poorten niet werden bevuild.
Aan de poortier waren wachten (soldaten) toegevoegd om zo nodig bijstand te verlenen.

Poortwachter, poortwachtster
Ook wel poorthoeder/poorthoedster genoemd.

Man, resp vrouw belast met het toezicht op de gaande en komende man of vrouw bij de stadspoorten.

Porder - porster

In de tijd dat er nog geen wekkers waren en men vroeg aan de slag moest zorgden de porders of porster er voor dat men tijdig gewekt werd. Een porder/porster bediende een aantal klanten door met zijn stok op de betreffende huisdeur te kloppen of tegen het raam te tikken. Er wordt wel gezegd dat sommigen zich lieten wekken door een touwtje aan hun grote teen te binden en dat uit het raam te hangen.
Ze bedienden zo’n 70 tot 100 klanten waarvan ze per week per persoon 7½ tot 20 cent per persoon beurden. Aan hun activiteiten kwam een einde door de uitvinding van de wekker. De laatsten waren tot in de Tweede Wereldoorlog actief. Het was in zekere zin een vertrouwenskwestie. Men moest er van op aan kunnen dat de porder zelf op tijd wakker was
.



Porseleinbakker
Zie ook plateelbakker.

Vervaardiger van op porcelein gelijkend aardewerk.

Porseleinschilder
Zie plateelbakker
.

Posthouder

Aanvankelijk in het vroegere Nederlands Indië de naam voor een officier of onderofficier die het commando had over een door de O.I. Compagnie in een handelspost gelegde bezetting.
Later ondergeschikt bestuursambtenaar, lager dan een controleur, die in een afgelegen streek het gezag van de regering vertegenwoordigde.

In West-Indië was het de titel van de ambtenaar, die bij iedere stam van de bosnegers aangesteld was om toezicht op hen uit te oefenen. Hij tekende hun passen af en zorgde voor het nakomen van alle bepalingen in de verdragen. Veelal waren het oud-militairen, ‘mensen van geringe beschaving’.

Postiljon

Eigenlijk postbode of koerier die de post overbrengt. Hij deed dat te voet  (lopende- of voetbode) of per paard. Later ook met een (post)wagen.

Postkruier

Kruier van slijk, modder. Zou in West-Friesland voorkomen.

Postmeester

Oorspronkelijk de naam voor de door de stedelijke overheid aangestelde beheerder van een postkantoor.
Meestal beheerden de stedelijke magistraat de posterijen niet zelf, maar droeg die over aan de postmeester. Amsterdam telde er zeven, ieder met een jaarlijks inkomen van 6 à 7000 gulden. Bij de benoeming in de grote steden werd derhalve slechts gelet op de familieverhoudingen en allerminst op de bekwaamheden van de begunstigde.

Potaschbrander

Potas(ch) oftewel kaliumcarbonaat verkreeg men vroeger uitsluitend uit houtas, die men met heet water uitloogde. De verkregen loog werd dan ingedampt. De droge rest werd gebrand waardoor men watervrije potas verkreeg, die men in gesloten potten in de handel bracht. (omdat het anders vocht aantrok).

Potgieter

Een potgieter was een tinnegieter.

Het woord komt nu nog steeds voor als achternaam.

Potte(n)bakker, Pottenmaker

Typische pottenbakkerscentra waren Bergen op Zoom, Gouda, Tegelen en Workum, maar ook in andere plaatsen waren pottenbakkers actief om aan de vraag naar gewoon gebruiksaardewerk te voldoen.
Hieronder verstond men het gewone keukengerief en het daarmee overeenkomende vaatwerk alsmede aarden ovens en ovenkachels.

In het Rijngebied van Koblenz tot Krefeld was eveneens een aanzienlijke aardewerkproductie op gang gekomen. Het was van uitstekende kwaliteit. De daar aanwezige klei kon bij hoge temperatuur worden gebakken waardoor het samensmolt tot een lucht en waterdicht product. Hier ontwikkelde zich een professionale handel. Het belangrijkste afzetgebied waren reeds van de zestiende tot in de negentiende eeuw de Nederlanden. De lokale producenten ondervonden hiervan veel hinder en poogden zich via overheidsmaatregelen tegen deze handel te verzetten.

Zo richtte het Bergse Potmakers Ambacht een schrijven aan de Staten Generaal:
27 Juni1763
     Aan de Hoog mogende Heere Staten
     Generaal der Verenigde Nederlanden
Geven met schuldig respect te kennen
Deken en gesworens van het Potmakers
Ambacht te Bergen op Zoom.
Dat de Supplianten in ervaring gekoomen
zijn dat zommige baatsugtigen menschen zig
niet en ontzien om de modellen van het
Potwerk dat te Bergen op Zoom gebakken
word, na te maken ende onder de naam van
Bergse Potten te verkoopen, waerdoor
de Supplianten in hunne Neering grootelijks
worden benadeelt en de Cooplieden zoo wel
Als de verdere ingezetenen deser Landen
bedroogen,
Dat de Supplianten om sulx zoo veel mogelijk
te beletten raadsaam hebben geoordeelt
voortaan derselver potwerk met
een kennelijk merkteken te merken, dan dat
de Supplianten bedugt zijn dat de gemelde
baatzugt zoo verre zoude kunnen gaen om
ook het voorn. Merkteken na te conterfijten
tenzij Uw hoog Mog. De supplianten daer
graciellijk door derselver Souvraine magt
gelieven te protegeren.
Waromme zoo keeren de Supplianten zig
Tot uw Hoog. Mog. Brieven van Octroy
Waerbij de Supplianten en de verdere Sup-
Poosten van derzelver voorn. Ambagt wor-
den gepredelegeert on voortaan alleen en
met uitsondering van alle andere, hun pot-
werk te mogen merken met de Letters B O Z
ende waerbij aan elk en een ygenlijk
geen suppoosten vander Supplianten Am-
bagt zijnde werden geinterdiceerd ende
verbooden, om het voorn. merk op derselver
Potwerk na te drukken off maaken, ofte van
elders enig potwerk binnen dese Landen in
te brengen t geene met alzulke merk zoude
Gelijkend wesen, alsmede ook het Selve
nagemerkte of of gemerkte potmerk te ver-
koopen op verbeurde van hetzelve nage-
merkte of gemerkte potwerk en verders op
eene geldboete daertegens bij Uw Hoog
mog. te statueren,
te converteren zodanig als Uw Hoog mog.
nade selver Hooge wijsheijt zullen oordeelen
te behooren.
Wij onderget. Deken en gesworens van het
Potmakers ambagt te Bergen op Zoom ver-
soeken aan de Procurus F.N. van Engelen
Om uut onsen naam een request aan haer
Hoog. Mog. te laaten presenteren op den
voet als het bovenstaende met faculteyt
aan den Heer Procureur in s Hage om daer
in met overleg van gen. Provinc van Enge-
len zodanige verandering te maken als zij
na verloop van den zaak best zullen oor-
deelen.

                        Bergen op Zoom
                        Den 27 Junij 1765
                        Cornelis der Mouw
                        Govert Wittermans
                        Wilh. De Trogh
                        Johannes De Trogh

Dit verzoek aan de Staten Generaal heeft vooral bij de Hollandse pottenbakkers een storm van verontwaardiging ontketend. De Bergse potbakkers werden echter op meesterlijke wijze aan het lijntje gehouden.

Literatuur o.a.
H. van Gangelen, Het pottenbakkersbedrijf in Groningen 1500-1800, Spiegel Historiael, jan 1982.
Marlou Schrover, Groepsvorming onder Duitse aardewerkhandelaren in 19e-eeuws Holland en Utrecht, Historisch Tijdschrift Holland, 30e jg., nr. 2, 1998
F. Gielis, Over pottenbakkers in Bergen op Zoom, hun produkten en merken.
WNT.

Pottendraaier

Degeen die potten op een draaischijf vervaardigt
.

Bron:
WNT

Pottendrager, pottenkoopman

Venter van grof aardewerk ten dele uit Duitsland afkomstig.

Potvaarder

Potschipper, schipper op een klein vaartuig die in aardewerk handelde en dat met zijn schip vervoerde.

Praamschuiver
Ook wel praamschouwer.

Schipper op een praam. De praam werd voortbewogen door het gebruik van een vaarboom. Hiermede kon de schipper de praam vooruit bomen, maar ook kon hij die vaarboom klem zetten in zijn praam en deze zo vooruit duwen.

Praktisijn, prakticijn, practizien, practicien

De algemene betekenis is: hij die zich bezig houdt met de praktijk van enige kunst, wetenschap, vak of handwerk.
Doorgaans: Al dan niet gegradueerd persoon die zich bezighoudt met de rechtspraktijk en vandaar een algemene naam voor verschillende daarmee verband houdende beroepen als advocaten, procureurs, notarissen of ambtenaren, verbonden aan rechtbanken of gerechtshoven.. Later was het iemand die rechtskundige bijstand verleent zonder daartoe de wettelijke bevoegdheid te hebben.
Ook de deurwaarder werd wel practizijn genoemd. Mr. Van Capelle zei op een in 1887 gehouden Taal- en Letterkundig congres dat de deurwaarder of practizijn tegenover een boer die hem komt raakplegen, graag met enige geleerde termen begon, zodat deze voelde dat hij met een man van het vak te doen had.

Dat taalgebruik had in de 17e en 18e eeuw derhalve een zeer natuurlijke reden van bestaan.
O.a bij het CBG is een herdruk verschenen van het “Practicijns Woordenboekje”, dat een aantal juridische termen bevat, die wij in oude documenten tegen kunnen komen.
In de lijst Epedemie op jaar, die op het internet is te vinden, kwam ik o.a. tegen:
De pest-strijt, beharnast met veel voortreffelijke geneesmiddelen (Door Willem Swninnas, der medicinen doctor en practsijn in den Briele)
In de Inventaris van de collectie Van Alphen/Engelhard, 1615) 1791-1832 Raad (extra)-ordinaris van Indië 1798-1808, is aanwezig van 14 juli 1798:
“Aantekening op de verantwoording van de Hospitalier en eerste practisijn in het buiten Hospitaal (Kleinoghe)”.
(Ook nu komt de term nog voor met verschillende betekenissen o.a. op para-medisch gebied, bijv. manueel practizijn.)

Dit beroep komt ook voor als (beroeps) achternaam.

Preekstoelenmaker

De preekstoelmaker was gespecialiseerd in het vervaardigen van preekstoelen en behoorde tot het St Jorisgilde.  De preekstoelen waren vaak meesterstukjes met o.a. fraai houtsnijwerk. Zie afbeelding preekstoel Oude Kerk te Delft. Hij die het beroep uitoefende zette de preekstoel in zijn gevel. In 1567 vinden wij een Regent van ’t Burgerweeshuis, Gerrit Jansz., die, blijkens zijn bijnaam ‘Preekstoel’, in een huis woonde, waar dat voorwerp uithing. (De Uithangteekens, II, pag. 130)

Prentdrukker

Drukker, gespecialiseerd in het drukken van prenten van allerlei aard, o.a. in samenwerking met een prentenkleurder, die de gedrukte prenten inkleurde en de prentensnijder/snijdsters, die ze uitsneedt. Deze prenten konden van allerlei aard zijn, bijv. centsprenten, prenten voor bruiloften, zinneprenten, afdrukken van houtsnedes.

Prenter, printer

Met dit beroep werden  twee verschillende beroepen aangeduid:

  1. Beambte van overheidswege bij de weverij, die belast was met het aanbrengen van waarmerken op de zich nog op het weefgetouw bevindende stukken (laken, grein, karsaai enz.) en met het controleren van verschillende werktuigen. Dit blijkt uit verschillende verordeningen, bijv.:
    “Gen wevers en zullen eenige laeckenen van de getouwen afdoen … aleer dezelve by den gezworen printer zullen zijn bezien ende geprintet, (anno 1586).
    Den verkooren prenter sal gehouden zijn … goet boeck te houden van alle de stucken, die hy prenten sal, (Anno 1638). De Prenter (sal) gehouden zijn alle weken om te gaen, om de ongeteeckende Lakenen op ’t Getouw te teekenen, Handv. v. Amst. 1114 a(Anno 1652).(WNT)
    O.a. greinprenter en rokjesprenter. Rokjesgoed was een stof waarvan vroeger vrouwenrokken werden gemaakt.

  2. Drukker: boekdrukker

Prentmaker

Ook dit beroep komt voor in verschillende betekenissen:

  1. vervaardiger van prenten op pappier. Zie prentdrukker.
    De tekenaar, schilder, prenthandelaar en prentmaker Abraham Rademaker bijv. heeft een groot oeuvre van tekeningen en prenten nagelaten. Het grootste deel daarvan heeft topografie als onderwerp, een kleiner deel is landschappelijk of arcadisch van aard. Zijn werk werd vooral in de achttiende eeuw zeer gewaardeerd.
    Een andere bekende prentmaker was Hendrik Goltzius. Hij heeft vele prenten vervaardigd waarin hij de werkwijze van verschillende meesters imiteerde. Als een bepaald onderwerp de mensen aansprak zag men in het algemeen er geen been in om een soortgelijk item te produceren.


  2. vervaardiger van houtprenten, o.a. houten koekvormen en houtsneden.

Presmeester, prestmeester

  1. In oorlogstijd iemand die goederen vordert en personen dwingt dienst te  nemen bij leger of vloot.

  2. Een door de stad aangestelde presmeester (stalhouder) die toezicht hield en er voor zorgde dat de stal voor de scheepsjagerspaarden schoon bleef (Gron.).

Preter (praeter)

Opzichter over bossen en landerijen. Sinds einde van de zeventiende eeuw blijkbaar verouderd woord. Andere term: vorster.

Priemvlechter (vitter)

Mogelijk vervaardiger van gevitte wanden, d.w.z. wanden van gevlochten tenen, die met leem bestreken werden.

Priemwerkster

Een priem is een dun scherp steekwapen of werktuig. Zo werd eertijds bij iemand die zich schuldig had gemaakt aan ketterij of lastertaal de tong met een priem doorstoken. Als werktuig werd het gebruikt om gaatjes voor te prikken in stoffen zoals leer, die moeilijk met een naald te doorboren waren. Als werktuig kende men priemen in velerlei uitvoering.

Prikster

Werkzaam in een tricotfabriek
.

Principaelvinder

Belangrijkste rechter, hoofdrechter. “Nu en es te wetene, dat die voseide viere principal vinders, elke tue ouer hare parie, seiden hare sentencie ende haren segh.”(Corp.I 347, 28-29 (1277).

Procurator, procurateur

Gekozen en gemachtigd beheerder en bestuurder van de stoffelijke aangelegenheden (huishouding, geldmiddelen enz,) van een geestelijke stichting, in het bijzonder van een klooster: “Dat die Procurators elcx in syn tyt van syn administratie gehouden wort, alle jaar over te leveren goede pertinente reeckeninge. (Utr. Placaatb. 3, 575 a (1571)

Procureur fiscaal 

aanklager
.
Procureur postulant 

Advocaat aan de Nedergerechten.
Proefmeester 

Gildemeester, belast met het examineren van gezellen.

Prosser

In verschillende opvattingen, die aansluiten bij het begrip morsebel, knoeier, gebruikt. O.a. iemand (bijv. een dokter), die graag snijdt, handelaar in oude paarden, paardenviller.

Provisor

Plaatsvervangend bisschop
Beheerder van de stoffelijke zaken van een instelling en handhaver van de tucht aldaar bijv.

  • van een klooster
  • van een armenhuis of van een “gasthuis”of hofje
    Zo vinden we bij het
    Richtersambt Oldenzaal/Buurschap Berghuizen
    o.a. de volgende vermeldingen:
    1550 dec 12 (OB2 fol 10v)
    Johan Vriesen, provisor, namens het genoemde gasthuis na de dood van Johan Scholte en na kwijtschelding van het verzuim.
    1558 jan 15 (OC1 fol 66)
    Johan Vriese, provisor van het genoemde gasthuis in zijn naam.
  • van een onderwijsinrichting in R.K. kringen:
    In dit huys sal meede moeten woonachtig syn en het selve bedienen een provisor of huysbesorger, die de nodige saken, tot tafel, kleeding en verder huyshouding behoorende, op sig neemt.

    Gediplomeerd apotheker die in dienst van de eigenaar aan het hoofd van een apotheek staat en daarvoor verantwoordelijk is.

Provoost (prevoost)

In het algemeen bestuurder, beheerder.
Ook naam van bepaalde gerechtelijke ambtenaren, wier rang het meest overeenkwam met die van een ambtman of baljuw. Verder gerechtsdienaar. Ook was het de benaming van bepaalde militaire ambtenaren; o.a. van bevelhebbers van een legerafdeling, of ambtenaar die de militaire tucht in een legerplaats of kazerne uitoefende. Ook was hij bij alle strafzaken de tussenpersoon tussen de schout, die het recht uitoefende en het vonnis uitsprak en de scherprechter die het ten uitvoer bracht.

Provoostgeweldige(r)

Ambtsdrager bij de land- of zeemacht. Een functie die ook in het vroegere Nederlands-Indië voorkwam.
Uit de af te leggen ambtseed krijgt men een indruk van de inhoud van zijn functie:
Ik belove ….., dat ik mijn ambt als Proboost-geweldige, met alle vlijt …. Zal waarnemen; dat ik omtrent de gevangenen en geconfirmeerden, welken aan mijne bewaring worden toevertrouwd, alle oplettendheid zal aanwenden (Regtspl. Landmagt van 1814)
.

Pruikenmaker (paruykmaker)

Maakt en verkoopt pruiken. Voorbeelden van werkzaamheden: meet het hoofd van de klant op en zoekt een bijpassende hoofdvorm uit, geeft het haar de gewenste kleur, draagt zorg voor het knippen, permanenten en verven van haar voor pruiken, wast gedragen pruiken en adviseert klanten over pruiken.

De Pruikenmakers hadden ook iets buiten staan, dat lang niet altijd veilig was voor baldadige handen; 't waren de Pruikenmakerspoppen. Te Amsterdam noemde men die: Kamijnpoppen, een naam, die nog voor circa een halve eeuw bekend was, maar nu vergeten is. Waar die naam vandaan kwam, wordt ons in volgende legende verklaard.

Eens - wanneer doet er niet toe, 't was natuurlijk in 't bloeiendst van den pruikentijd - woonde op de Leidschestraat bij de Keizersgracht een pruikenmaker, die zich zeer verdienstelijk maakte door het redden van drenkelingen, - een deugd, voor welker beoefening toen nog geen premiën en medailles werden uitgereikt. Nu kregen Latijnsche schoolknapen den goddeloozen inval om zijn pop weg te nemen en in de gracht te plompen, en toen naar den pruikenmaker te hollen met den kreet: "Baas! daar leit er een in 't water!" Hij er op af, met een langen haak, en al wat op straat beenen reppen kon, hem na. 't Groot rumoer dreef eenige oogenblikken zijn vrouw de deur uit. Maar de goede man had al het bedrog ontdekt, en riep zijn vrouwlief van verre toe: "Ka, blijf maar! Ka, 't is mijn pop!" Sedert dien tijd heette elke pruikenpop een Kamijnpop.

Vanaf omstreeks 1500 was Frankrijk toonaangevend voor wat betrof kleding en levensstijl. De schoonheidsverzorging genoot steeds meer waardering en ook het beroep van kapper won aan betekenis en invloed. Dit was o.a. te danken aan de steeds kaler wordende Lodewijk XIII. Hij introduceerde de pruik aan het hof en dit werd door Lodewijk XIV overgenomen. In korte tijd werd de pruik een onmisbaar attribuut in het modebeeld, niet alleen in Frankrijk, maar in grote delen van Europa. Het pruiken maken was een nieuwe specialisatie in de haarverzorging geworden.De Franse tijd maakte hier te lande een eind aan de periode van de p(a)ruickenmakers.

Pruimtabakmaker/-handelaar

David Valentyn en Zoon op de Korte Prinsegragt tusschen Haarlemmerdyk en Houttuinen te Amsterdam – dewelke met het fabriceeren van hunne in de Indiën en op de Kaap zoo welbekende gesponne en geperste roltabak continueeren …. Adverteeren, dat by hun ook wordt gefabriceerd en verkogt fraai gesponne-, geperste en ongeperste pruimtabak. Hunne land- en stadgenooten, de zeelieden en allen, die aan ’t gebruik der Engelsche pruimtabak of zoogenaamde piggtaill gewoon zyn, durven zy verzekeren, dat hunne tabak in fraaiheid van bewerking en in deugd meede, zooeven gemelde piggtail niet alleen gelyk staat, maar dezelve overtreft …. Voorts is by hun te bekomen zuivere en nagesponnen varinas by de rol en gekorven tabak, Duinkerker rappé en andere soorten van snuif, porcelynen en fyne kabaal- en maatpypen, zoo voor de verzending als daaglyks gebruik…
(Adv. Ontleend aan Amst. Crt van 6 maart 1798)

Putbaas

Voorman, ploegbaas van een ploeg grondwerkers of polderjongens, gewoonlijk in ploegen van 10 tot 12 man. Een aannemer van aarde- of grondwerken besteedde het werk in gedeelten uit aan dergelijke ploegen, die onder leiding stonden van de putbaas die alles regelt.
Een geheel ander aspect van deze functie wordt naar voren gebracht door W. Dijkstra, die naar aanleiding van de uitdr. de polderjongens trouwe oer 'e putheak mededeelt: ‘Twee hunner, reeds op jaren, houden het werktuig (een puthaak) ieder bij een einde vast, bruidegom en bruid springen er over en 't huwelijk is gesloten’. Het huwelijk wordt dan tegenover de putbaas gesloten.

Put(ten)boorder

De putboorder boort putten, o.a. om pompen te slaan. Mr. E., puttenboorder, heeft van de heeren tresorieren aangenomen te boren seeckere putten op alsulcke plaetsen daer hem aangewesen sal worden.
(WNT 4963)

Putgraver

Graver van putten.
In Zuid-Nederland ook doodgraver.

Putleeger, put(te)ruimer

Nachtwerker, leger van secreten (toiletten).

Putmeester

Het bestuur van putten of wijken was opgedragen aan twee of meer put- of wijkmeesters.

Put(jes)schepper

Leger van beer- of zinkputten.