Naaikussenmaker

Maker van naaikussens. Deze werden gebruikt om naaigoed op te spelden.

Naai-matres

De naai-matres oefende haar vak uit in een naaiwinkel.
Ze had particuliere leerlingen, maar ook meisjes, die haar door de diaconie gezonden werden. Uiteraard was ook dat in een reglement geregeld: "De naai-Matres zal gehouden zyn de kinderen, die haar van de Diaconie zullen gezonden werden, te instrueeren des Somers en des Winters tweemaal, en zo 't nodig geoordeeld werd drie maal daags: des Somer's van 's morgens half agt tot 12 uuren; des namiddags van half twee tot vyf uren, en des s'avonds van half zes tot half agt uren; en des Winters, te rekenen van den 1 October tot den laatsten Maart, van s'morgens ten half 9 tot 12 uuren, des namiddags: van half twee tot vyf uren, indien 't dagligt zulks zo lang toe laat, en des avonds van half zes tot half agt uren; en zo zy by de een of ander ontboden werd, 't daar heen zien te dirigeeren, dat hare absentie, ten voorsz. Tyde, op de Naaiwinkel zoo min mogelyk voorvalt." Aldus artikel 1 van een dergelijk reglement.

Ook oefende ze haar beroep uit in een weeshuis. In de Zeeuwse Stam  van 1974 is in de notulen van het Armenweeshuis te Middelburg ook sprake van een opper naaimatres.

Naaimoeder

De naaimoeder gaf onderricht in het naaien (van linnen) in een wees- of een spinhuis. Zo was Ariaantje Bezemerm ged. 2-10-1763 naaimoeder in het weeshuis te Vlaardingen.

Naaldenkoopman, naaldenkramer

Koopman/kramer in allerhande soorten naalden.

Naaldenmaker

Een specialisme was de stalen zeilnaaldenmakerij. In de Amst. Crt van 22 februari 1800 werd de volgende advertentie geplaatst:

"Ik, ondergeteekende, eenigste fabriekeur in staale zeilnaalden in de 1ste Goudsbloemdwarsstraatm het 2de huis van de Goudsbloemsstraat, daar het Wapen van Dantzig uithangt, te Amsterdam D. 12, Gr. 26, no.5, waarschuwd de kooplieden, die commissie hebben in zeilnaalden, dat zy wat omzigtig zyn, omdat er lieden zyn, die zich niet ontzien om zich voor naaldenmaakers uit te geeven, en het niet zyn. En dus commissiën ophouden en de lieden bedriegen met goed, dat niet te gebruiken is. Paulus de Ruyter:".

In de Amsterdamse Jordaan waren destijds 6 naaldenmakersgangen.
Bij spelden- en naaldenmakers was een veel voorkomende naam Apollinarius
.

Ons Voorgeslacht, jan. 1952, pag. 91.

Nachtbidder

Nachtbidder is geen beroep maar een naam voor  'sterke bedelaars” die 's nachts om aalmoezen komen vragen. | Placaat tegens het uitgaan en loopen met Roeren, mitsgaders tegens de Nachtbidders, Keesjagers enz. Friesch Placaatb. 5, 809 (Opschrift). Zie ook o.a. Nederl. Historiën, mart 1992 p. 138 en jg 1993, p. 135.

Nachtblaser (-bleser), nachtwaker
Eigenlijk nachttrompetter of nachthoornblazer.

Vgl. Blaser: Nachtblesers eedt. Dat ick oprecht nachtweker wesen sal, die wacht des nachtz geboorlick ende wael halden sal, R. v. Nijm. 373, 69 (a. 1581); vgl. Ann. Em. 20, 176: J. die de nachtwake dit jaer ghehouden heeft upt beelfroy ..., stekende telken uere in der nacht den hooren”.

Nachtroeper, nagtroeper

Nachtwacht, ook klapwaker (meerv.o.a. klapperluyden) of ratelwacht genoemd.
Hun waakloon bedroeg soms één, soms anderhalve stuiver. Bij zware dienst wel eens twee stuivers. Hun kapitein had altijd het dubbele daarvan. (De Oude Tijd, 1872).

Reglement voor den nagtroeper of klapwaker binnen de gemeente van Vught (1803)
art 1
Den nagtroeper zal alle uuren precies langs de straaten omgaan en door het slaan van de klep alsook met luyder stemme roepende wat uur de klok heeft geslagen, zig doen hooren zonder iets van de na te meldene toer of omgang over te slaan en daar van in gebreken blyvende zal hy daar over door den heere schout civiel en regenten de facto kunnen worden gecasseert
2
Den omgang welke den nagtroepen elke uure zal moeten doen begint aan de huizinge gen.t de Speelwagen, den Steenweg op tot aan de Roomsche pastorye, van daar het straatje door voor by de huizinge Kouwenburg, langs den tuyn van de huizinge Muyserik tot aan 't tweede yzere hekken by 't casteel van Beresteyn, van daar terug tot aan 't gasthuys, wyders over het marktveld tot aan de huizinge genaamt Bleyenburg en vervolgens nevens de pastoryhuizinge by de herberg 't Byltje op den Steenweg en zoo voorts tot de Zwaan
3
Het omgaan van den nagtroeper zal beginnen van den eersten october tot den laatste maart, ieder jaar van savonds tien uuren tot smorgens ten vyf uuren en van den eerste april tot den laatste september van savonds tien uuren tot smorgens ten drie uuren
4
Den nagtroeper brand ontwaar wordende zal aanstonds zulkx moeten uitroepen en door het verkeerd slaan der klap aan de inwoonderen bekent maaken, de bewoonders van de huizingen in zynen omgang zynde opkloppen en den rotmeester in wiens wyk den brand is waarschouwen, mitsgaders aanstonds kennisse hier van geven aan de naastbywoonende regenten ten eynde deselven ingevolge het brandreglement gearresteerd den 25 january 1764 de nodige hulpe en adsistentie kunnen bybrengen
5
Den nagtroeper in het omgaan eenige deuren of vengsters van huyzen by ontyden openvindende of in huyzen eenig onbehoorlyk remoer vernemende als mede laat ligt in de huyzen als anderzints ontwaar werdende, waar uit hy nagtroeper zoude kunnen denken 'er brand of eenige onraat was, zal hy aan dusdaanige huizen met discretie aankloppen, de bewoonders waarschouwen en ook als het nodig is, haar adsistentie aanbieden of op derzelver requisitie de naaste buuren te hulpe roepen, aanstonds daar van ook kennisse geevende aan den schout civiel of wel deszelvs gecommitteerde of naastbyzynde regenten op poene zoo hy daar van in gebreke bleeve de facto van zyne bedieninge zal worden afgezet
6
Indien den nagtroeper eenige dieverye, huisbraak, geweld of andere verboode feiten gewaar word, zal hy zoo veel hem doen'lyk is, hetzelve trachten te weeren, hetzy door het waarschouwen en opkloppen van de geene die zulkx aangaan mag, gelyk ook van de buuren of wel regenten, om zodanige dieven, huisbrekers en geweldenaars te apprehendeeren of doen apprehendeeren op poene als voor
7
Indien den nagtroeper ontdekte, dat aan eenige huyzen, schuuren en stallen wierden gebroken of van hout, hooy, strooy, aardappelen als andersints wierde weggenomen, zal hy de bewoonders of eigenaars aanstonds waarschouwen, de breekers of dieven in zekerheid trachten te nemen en by faute van dien naauwkeurig agt geeven of deselven hem bekent zyn, hier van mede aanstonds kennisse gevende aan den heere schout civiel of aan anderen hier voor gemelt
8
Indien den nagtroeper des nagts imand op straat vind leggen, welke door dronkenschap of andere toevallen buyten staat mogte weezen zig te helpen, zal hy die de nodige adsistentie moeten doen, door het aan zyne nabestaande indien die in den omtrek van den voorbepaalde roepplaatsen woonen bekent te maken of wel iemand tot zyne hulpe te bezorgen
9
Indien den nagtroeper mogte ontdekken, dat in eenige huizen of herbergen door vreemdelingen, dronkaars of andere persoonen geweld aan de bewoonderen wierde aangedaan of vegteryen en andere onordentelykheeden wierden gepleegt, daar van zal hy aanstonds kennisse moeten geven aan den heere schout of wel aan derselve gecommitteerde of andere regenten daar naastby woonende tot het doen van de nodige voorzorge
10
Wanneer iemand den nagtroepere op straat mogte aanspreeken, zal hy denzelve vriendelyk antwoorden dog ingeval hem iemand onbetamelyk bejegent zal hy door 't vertoonen van zyn klap doen zien, dat hy nagtroeper os om alzoo van dezelve ontslagen en bevryt te worden. En ingeval hy feitelyk mogte worden aangerant, zal hy nagtroeper geweld met geweld mogen keeren
11
Den nagtroeper zal zyne bedieninge zelve in persoon moeten waarnemen, zonder dat aan hem gepermitteerd word een ander in zyn plaats te stellen of nemen, ten waare by ziekte wanneer hy een ander in zyn plaats moet stellen en daar toe nemende een perzoon hun eerwaerdens aangenaam
12
Den nagtroeper zal moeten zorge dragen van niet beschonken te zyn op de tyd van zyn functie op poene als voor
13
Den nagtroeper zal alleen aangesteld worden voor den tyd van een jaar en zal mits dien by het expireeren van het jaar kunnen afgedankt worden, ook eerder en ten allen tyden zoo wanneer bevonden mogte worden, dat denzelve zig in het stuk van zyn functie niet behoorlyk kwame te kwyten, zonder dat heeren regenten verplicht zullen wezen hem daar voor reeden te geven
14
Den nagtroeper zal tot tractement genieten een honderd twintig guldens s'jaars waar van uit dorpscas betaald worden twee en vuftig guldens en het overige van de contribuanten uit de kom van het dorp, bovendien by aanvang zyner bedieninge een jas, een paar goede sterke laarsen en voorts jaarlyks een paar schoenen
15
Den nagtroeper zal van gemeentens wegen werden voorzien van een goede klap en zodanig geweet als heeren regenten tot zyne defensie zullen nodig oordeelen allen het welke by ophoudinge en expiratie zyner bedieninge aan heeren regenten zal moeten terug gegeven worden
16
Den nagtroeper zal by het aanvaarden zyner functie moeten presteeren den eed van getrouwigheid, zoo op dit reglement als ook op het geene by zyne aanstellinge mogte geordonneerd worden
17
Heeren regenten behouden aan zig de magt om dit reglement ten allen tyden te mogen amplieeren of veranderen naar hun welgevallen
18
En zal extract van dit reglement by de aanstellinge van een nagtroeper worden gevoegt, omme zig daar na benevens de verdere inhoude zyner commissie te kunnen en moeten reguleeren
Aldus gedaan en gearresteerd in vergadering binnen Vught dato et presentibus ut supra

Bron:
Streekarchief Langs Aa en Dommel, AA Vught 10 f 132 25-5-1803

Verdere bronnen o.a.:
Reglement en Instructie voor de Nagtroepers of Klapwakers by den Magistraat der Hoofdstad 's Hertogenbosch (1790)

Nachtwerker

Iemand die nachtwerk verricht, maar in de betekenis van stilleveger.

Op plaatsen waar faecalien op grachten konden worden geloosd werden te Amsterdam privaten op putten of kuilen geplaatst. Deze putten werden van tijd tot tijd geruimd door de nachtwerkers, door burgemeesteren daartoe aangesteld en beëdigd (Amstelodamum jan. 1965, pag. 8)

Commissaris van de nachtwerkers was o.a. J. Adriaen van Paddenburg (53e Jaarboek Amstelodamum, p. 113)

In de Keuren van Leiden 31 komt als bepaling voor:
De voorsz. Nacht-werckers (sullen) daeghs te vooren, eer sy eenige secreten sullen reynigen, aen de Overste der klapper-luyden …., moeten aengeven, waer … sy des nachts daer aen volgende, een ofte meerder secreten sullen reynigen.

In de Keuren van Rotterdam 1, 272 a van 1721 werd bepaald:
"Voor ydere Tonne die word uytgedragen … sal aen de geadmitteerde Nagt-werkers moeten worden betaalt ….

In het Middelnederlandsch Woordenboek staat vermeld:
Schijthuus (scijt-, -huys), znw. o. Mnd. schîthûs; mhd. schîzhûs: ndl. schijthuis. Bestekamer, geheim gemak. Gemma 194v: een schijthuys, stercorium i. cloaca vel puatum; 40v: een schijthuysvagher (sekreetruimer, nachtwerker), cloacarius. Kil. schijthuys, latrina, forica. Plant. schijthuys oft gemeyn schijthuys, latrina vel forica. — In dezelfde bet. Voc. Cop. scijtcamere, heymelecheit, tristegum (Dief.).

Men onderscheidde 'Nachtwerkers-Baazen en Knechts'.

Verdere bron o.a.:
Instructie en Reglement voor den Stillen Nagtwercker der Stadt 's Hertogenbosch (1767)

Nappendraaier

Draaier van houten drinknappen en schalen.

Nastelingmaker
Zie nestelmaker.

Negotiant

Handelaar. Dominicus Sloterdijk, geb. 3-5-1865 was Konvooimeester en negotiant te Makkum, Benjamin Fernandus, jood, was negotiant in tabak en obligatiën.

Nestelmaker, nestelmakere, nestelmaecker

Vervaardiger van nestels.
Een nestel is een koord, veter, riem of rijgsnoer waarvan het einde gesloten wordt door een malie, een klein kapje, o.a. van koper, teneinde het gemakkelijk door  een opening gehaald kon worden. Er waren zeer eenvoudige nestels maar ook gecompliceerde, bijv. op uniformen en livreien. "Ieder officier droeg een hoed met gouden galon, op de rechter schouder een gouden nestel, die niet langer dan tot den elleboog mocht afhangen (Kuypers, Ned. Artill. 3,18)
Ook waren er waar men schoenen mee vastmaakte.

Nestelkoetsier, nestellakei

Koetsier, resp. lakei in dienst van het koninklijk hof hier te lande, nestels hebbend als onderscheidingsteken.

Nettenboetster, nettenbreier, nettenmaker

In de visserij op de binnenwateren zorgden de vissers veelal zelf voor de aanmaak en het onderhoud van hun netten. De wintermaanden en de zomeravonden werden daaraan besteed. Werden de vissers te  oud voor hun gewone werk, dan was hun vaardigheid in het nettenbreien nog het enige middel om wat bij te verdienen. Voor andere vissers, voor rederijen (vooral zalmvisserijen) waren in verschillende plaatsen vrij veel oude lieden bezig.

De netten voor de zeevisserij waren te groot om in huis gemaakt of hersteld te worden te worden. In de Noordzeeplaatsen ontbreekt deze vorm van huisindustrie dan ook. Het breien en boeten van deze grotere netten vond fabrieksmatig plaats. Het repareren van netten, het boeten, was vooral werk voor vrouwen en meisjes. Doorgaans gebeurde dit in de open lucht van april tot november. Op het plaatje het simpele gereedschap van een nettenboetster. Vaak hadden de vrouwen een wit schort voor van wit zeildoek of canvas. Dit moest hen beschermen tegen het vocht van de netten en de kapotte mazen van de getaande netten waren beter zichtbaar.

Nettentaander

Verver van netten met taan, afkomstig van de Taanboom.

Noodslachter

Slachter van dieren, die door een ongeval ernstig zijn getroffen of gedood of door ziekte in onmiddellijk dreigen levensgevaar verkeerden. Later dienden deze geslachte dieren, voor het vlees voor consumptie werd vrijgegeven, gekeurd te worden. In de jaren dertig van de vorige eeuw maakte ik in Friesland een noodslachting mee van een jonge koe die verdronken was en ter plekke op het land werd geslacht. Het vlees vond gretig aftrek.

Nopper, vr.: nopster

Man resp. vrouw/meisje, die met behulp van een nop- oftewel steekijzer (soort pincet) en een nopschaar afhangende draadjes of ongeregeldheden in weefsels verwijdert of wegwerkt. Het noppen vond eerst voor het wassen plaats en na het wassen nogmaals.
Dit noppen vergde veel ervaring en degenen die met dit werk belast waren, moesten daarvoor goed opgeleid zijn.

Bronnen:
Drs. P.H. Vos en Drs. H. van Lieshout, Woordenboek voor Brabantse dialecten, deel II, aflevering 4, Textiel 1988, Uitg. v. Gorcum
Dr. K. Karmarsch/ G. Kuijper Hz.Handboek der Mechanische Technologie, 3e dr., deel 2, Uitg. D. Noothoven van Goor, 1861

Notaris, notarijs, notarius

Van lat. notarius, waarvan ook fra. notaire e. a. Benaming van een ambtenaar, wiens praktijk behoorde tot het geestelijke rechtsgebied, beambte van het geestelijke gerecht, notaris. Later ook ambtschrijvers wier akten bijzondere kracht hadden, door het wereldlijk gezag aangesteld. Teuth. 'notarius, dat is eyn gemeyn schrijver van pawes of keyser gemechticht', tabellio, notarius; notarius, tabellio, tabellarius (vgl. de aanh. uit V. d. Tas bij Stallaert 2, 239: „dat alleen die pauws ende de keyser .. mogen maken notarijse of tabellioene, ende niemant anders”). Plant. de notarisen ende secretarisen des konincks, les notaires et secretaires du roi, amanuenses regii. || Dese figure is eens notarius teyken, daer alle testamenten mede moeten geteykent zyn, Pelgrim 17d.

Zie verder Ons Erfgoed, 3e jg. p. 144-147, 205-209 en 244-247, 11e jg. p. 149-153 of de knop Notariaat.