Maaier
Ook hooier.

Degeen die het graan of het gras maaide. Dit was vooral seizoenwerk en leverde o.a. een aanvullend inkomen op aan de hannekemaaiers, de z.g. Hollandgänger, die in ons land oogstwerkzaamheden kwamen verrichten.

Maaksman (makeman)

In Oost-Nederland gebruikte term voor een soort huwelijksmakelaar, bemiddelaar, die kon schrijven. Vaak was het een dorpsonderwijzer die kon schrijven en die voor het toekomstige paar de huwelijksvoorwaarden opmaakte. Men kent ook de term 'maaksmaal', voor de feestelijke bijeenkomst, waarop de huwelijksvoorwaarden gemaakt werden.

J. Verdam onderscheidt de maecmaker, degeen die een huwelijkscontract tot stand brengt en de maec(s)man, die als getuige aanwezig was bij het sluiten van het huwelijkscontract.

In de Ommelanden liet een jongen zijn hartewens door een maaks- of meeksman, degensman of vrijerdrager, een van zijn vrienden, bij de ouders van zijn beminde voordragen. Als de ouders er niets op tegen hadden mocht die maaksman op de eerstvolgende dins- of vrijdagavond met de vrijer, elk met een stok gewapend, een bezoek komen brengen. 1)
In Schermerhorn kende men de maakkoop of makelaar, die aldaar bemiddelde tussen de meisjes en de jongens. Tussen 1730 en 1740 schijnt aan dit gebruik een eind gekomen te zijn. 2)

1) De Oude Tijd 1869, pag. 75
2) De Oude Tijd 1869, pag. 78

Magistraat

Geen eigenlijke beroepsaanduiding. De magistraat bestond uit het stadsbestuur.

Magnesietmaler

Verwerkte magnesietsteen (magnesiumcarbonaat), een gesteente dat veelal kleurloos of wittig is. Magnesiet diende/dient voor de vervaardiging van vuurvaste tegels en vloeren.

Mahoniewerker

Iemand die mahoniehout bewerkt. In een aantal gevallen bezig met een bepaald onderdeel van het productieproces, bijv. het draaien van stoelpoten. Mahoniehout is een houtsoort die veel werd gebruikt voor de vervaardiging van meubelen, zowel massief als in de vorm van fineer.

Majolicabakker
Ook o.a. faïence-, 'petiel'- of plateelbakker en verglaesde (=glazuur) wercker genoemd.

Naast de pottenbakkers, die van oudsher de stenen gebruiksvoorwerpen vervaardigden, afgewerkt met loodglazuur, nam het aantal majolica- of platteelbakkers in het begin van de zeventiende eeuw aanzienlijk toe. Ten dele werd dit veroorzaakt door de uittocht uit de Zuidelijke Nederlanden na de val van Antwerpen. Onder de emigranten bevonden zich vele geschoolde vaklieden. Enerzijds werd de verhoogde produktie in de hand gewerkt door de veranderde smaak van de mensen uit die tijd, anderzijds door de teruggang van de aanvoer uit China.
Zo adverteerde in de Oprechte Haerlemsche Courant van 18 augustus 1678 Lambertus Cleffius, meester platteelbakker, dat hij "in den jare 1672 de maniere om de Indische porcelijen te conterfeijten (namaken)" had "uitgevonden" en "(gelijck een ijgelijck genoegzaam bekent is) oock sedert dien tijdt sigh heeft bemoeyt met het maecken van roode Thee-potten, mitsgaders van andere Couleuren, ende tegenwoordigh tot sodanige perfectie heeft gebracht, dat deselve in couleur, netheijt, sterckte en gebruyck, de Indische Thee-Potten niet behoeven te wijcken" 1).

Het productieproces van plateel is in hoofdzaak ongewijzigd gebleven. De grondstof is ook hier klei, die voor het eigenlijke gebruik gereinigd moet worden. Grijze klei gebakken wordt rode steen. Vervaardiging vond en vindt plaats met behulp van de draaischijf. Na het draaien wordt het vervaardigde voorwerp een nacht te drogen gezet voor verdere afwerking als het afvlakken van de bodem en het eventuele aanzetten van oren. Daarna wordt het aardewerk gebakken in de pottenbakkersoven. De versiering wordt op het nog ongebakken hiervoor gebruikte tinglazuur aangebracht.

1) Ontleend aan 'Facetten van Delft', Dr/ A.K.H. Moerman, De pottenbakkersfamilie De Milde te Delft.

Makelaar

Thans een door de rechtbank beëdigd persoon, die er zijn bedrijf van maakt te bemiddelen bij het tot stand brengen en het sluiten van overeenkomsten in opdracht en op naam van personen tot wie hij niet in een vaste betrekking staat.
Reeds in de zestiende eeuw bestond dit beroep, dat onderhavig was aan allerlei overheidsvoorschriften. Alleen de 'gesworen ende geadmitteerde Makelaer', mocht dit beroep uitoefenen.
In de zeventiende en achttiende eeuw werden de officiële makelaars door het stadsbestuur benoemd.

Men was makelaar in allerlei producten en diensten o.a. in granen, zijde, maar ook in vaste goederen, 'obligatien', 'actiën' (= aandelen), wissels en 'zeeassurantien'. Net als nu waren er in die tijd nogal wat beunhazen. Om zich van hen te onderscheiden was de erkende makelaar verplicht - door betaling van hoge leges - een makelaarsstokje/stafje aan te schaffen.
Dit is een houten stafje met beslagen zilveren knoppen aan de uiteinden, waarmee gezegeld kon worden. Het stokje stond dus voor kwaliteit.

In de Handvesten der stad Amstelredam, 1070 a van 1678, is vermeld: "Op dat ... Koopluyden ... versekert mogen sijn dat sy hunne partyen met geadmitteerde Makelaars hebben gedaan, soo sullen alle Makelaars verpligt ... sijn in 't aan- presenteren ... en sluyten der partyen, te vertoonen hun Makelaars stafjen, stokjen of teken, waar op het wapen en merk uytgedrukt staat". Het stokje stond dus voor kwaliteit.

In het Gedenkboek der Makelaarsvereeniging te Amsterdam (1877 - 1927) wordt o.a. vermeld: "De makelaars betaalden voor inkomgeld in het gilde veertig gulden, benevens drie gulden voor het "stokje" (een gedraaid ebbenhouten stafje van een vinger dik en een half voet lang, met zilver beslag, waarop het stadswapen en hun naam gesneden was, alsmede het monogram van het makelaarsgilde M.K.L.R.S., met het jaartal der aanstelling; zij moesten dat stokje toonen, zoo dikwijls, als zij een partij afsloten): voorts moest iedere makelaar, bij zijn inkomen in het gilde en vervolgens alle jaren, nog dertien gulden en vier stuivers betalen, voor jaargeld, brandgeld en ambtgeld."

Ook in de Franse tijd en de negentiende eeuw bleef dit stokje, vaak ook batonnet genoemd, gehandhaafd.

Bron o.a.:
Dr. H.W.M.J. Kits Nieuwenkamp in Gens Nostra 1954, p. 107-111.

Makelaarse, makelerse

Naast makelaar werd destijds ook voor vrouwen de term 'makelerse' of makelaarse/makelares gebruikt. Deze term is afgeleid van makelen, iets door een schikking tot stand brengen. Zij was een koppelaarster, bijv. om een huwelijk tot stand te brengen, maar zij functioneerde ook wel als 'waardin van publieke vrouwen'. 

Mandenmaker
Zie Korfmaker
.

Mangelaar(d), manghelart, mengeler

Handelaar, o.a. appelmanghelare en hengstmengeler (paardenkoopman) Vroeg Middelnederlandse term. Mang(h)elen, werd van ruilen handelen. Met de term werd ook wel het gemeenschappelijk gebruik aangeduid, bijv. bij twee boeren, die samen een paard hadden.

Mantelmaker

Vervaardiger van mantels, overkleden, al of niet van een kap voorzien.

Mantelverhuurder

In de zeventiende eeuw was het rouw dragen zo algemeen dat onder aan het begrafenisbriefje stond vermeld dat men verzocht werd aan het sterfhuis te verschijnen "met de lange Rouw-mantel". De meer welgestelde mannen hadden meestal een of meer lamfers (soort sluier waarmee men de rand van de hoed naar beneden hield) en een zwarte rouwmantel in hun bezit. Voor anderen ontstonden er rouwverhuurondernemingen, waar men de benodigdheden kon huren, zo ook rouwmantels (huiken).

Marskramer

Kleinhandelaar, die te voet met een mand op zijn rug of voor zijn buik op het platteland rondtrok om allerlei waren te verkopen zoals textiel en kruidenierswaren of ze ruilde voor producten in natura zoals kippen en eieren. Ze werden ook wel kiepkerels genoemd.

Mastenmaker

Eeuwenlang waren de schepen in hoofdzaak zeilschepen.
Derhalve was de mastenmakerij in die tijd een veel voorkomend beroep, doorgaans in de buurt van of bij scheepswerven beoefend.
Na het vierkant zagen van de stam, werd deze in de lengte doorgezaagd en binnenste buiten weer aan elkaar gelijmd om het trekken van het hout tegen te gaan. Vervolgens werd de paal op dikte gezaagd, naar boven toe smaller. Van de voet tot de bovenkant (hommer) werd hij nog eens smaller gemaakt en achtkantig gezaagd. Daarna volgde voorbewerking met het trekmes bij de voet en het hommer en werd hij met de hand rondgeschaafd en gladgeschuurd.

Naast masten waren ook verdere onderdelen voor de tuigage nodig zoals de boegspriet (in de binnenvaart kluiverboom genoemd), bokkepoten (om de mast te laten zakken), stengen (als verlenging van de mast) en rondhouten.

Matres

Zowel degeen, die we nu kleuteronderwijzeres noemen, als degeen, die tegenwoordig vakonderricht in naaien geven, valt onder deze vroegere beroepsaanduiding. De vrouwen- of matressenschooltjes waren van zeer verschillende kwaliteit. Een aantal beperkte zich vrijwel tot het bewaren.

Ze ontstonden in de zestiende eeuw ter vervanging van schooltjes geleid door nonnen, begijnen en kloppen toen de hervormden allerlei scholen oprichtten en die scholen dienstbaar maakten aan het eigen geloof.
In deze schooltjes was nauwelijks plaats voor spel, de discipline was streng en de tucht hard.

In de negentiende eeuw kwamen ze nog in allerlei vormen voor. In Amsterdam bijv. bestonden in 1840 nog zo'n 400 van deze z.g. matressenschooltjes. Het was een bestaansmiddel voor bijv. oude bakers en kostersweduwen. De kinderen werden 'bewaard' op allerlei plaatsen, bijv. vochtige kelders, bedompte kamers en op zolders. De bewaarster werd als matres aangeduid. De naai-matres oefende haar vak uit in een naaiwinkel. Ze had particuliere leerlingen maar ook meisjes, die haar door de diaconie gezonden werden.

Uiteraard was ook dat in een reglement geregeld: "De naai-Matres zal gehouden zyn de kinderen, die haar van de Diaconie zullen gezonden werden, te instrueeren des Somers en des Winters tweemaal, en zo 't nodig geoordeeld werd drie maal daags: des Somer's van s'morgens half agt tot 12 uuren; des namiddags van half twee tot vyf uren, en des s'avonds van half zes tot half agt uren: en des Winters, te rekenen van den 1 October tot den laatsten Maart, van s'morgens ten half 9 tot 12 uuren, des namiddags; van half twee tot half vyf uren, indien 't dagligt zulks zo lang toe laat, en des avonds van half zes tot half agt uren; en zo zy by de een of ander ontboden werd, 't daar heen zien te dirigeeren, dat hare absentie, ten voorsz. Tyde, op de Naaiwinkel zoo min mogelyk voorvalt". Aldus artikel 1 van een dergelijk reglement.

Mattenbreier/Mattenmaker, matterij

Zij vervaardigden matten en allerlei soort, o.a. uit gedroogde biezen.
Voor de fijnere soorten werd gebruik gemaakt van de fijnste soort biezen, die in gomwater werden gelegd en met was en een wollen doek werden opgeglansd.
De biezen mat is lange tijd een product geweest dat in de vorm van huisindustrie werd vervaardigd o.a. door schipperspersoneel dat ik de winter werkeloos was. Het 'matraam', een verticaal weefapparaat stond bij veel gezinnen in de huiskamer. (o.a. Blokzijl en Genemuiden). Matten werden per span verhandeld. Dat waren rollen van eenzelfde maakstel. Men had mooie fijne matten maar ook goedkope, grove. Het opslaan vergde veel kennis en zorg.

Begin 1950 begon men met de productie van de blokmat, die uit biezen tegels werden samengesteld. Hiervoor moesten eerst strengen van biezen gevlochten worden. Een ervaren vlechter had 2 ½ tot 3 uur nodig om een streng van 100 meter te vlechten. Ook de gezinnen waren vaak bij dat vlechten betrokken. Kinderen moesten, meestal na schooltijd, eerst een aantal meters vlechten voor ze mochten spelen. De strengen werden aan blokken van 40 x 40 of 50 x 50 cm genaaid. Er ontstonden later vele modellen matten, bijv. achtkantige. Ook ging men biezen vooraf verven waardoor kleurige patronen verkregen werden. Later ondervond de mattenindustrie veel concurrentie van goedkope maten uit Azië en vervangen door de kokos- en tapijtindustrie. De matten werden opgekocht door de mattenschippers (zie aldaar).

Mattenschipper

Mattenschippers werden ook wel negotieschippers genoemd. Ze verhandelden zowel de producten van de matterij als andere produkten op dat gebied. Blokzijl bijv. telde in de negentiende eeuw op het hoogtepunt zo’n zestig mattenschepen, die allemaal hun eigen afzet gebied hadden om hun waren aan de man te brengen. De verkoop gebeurde vanaf de schepen of per kruiwagen, later ook met de fiets. Als de voorraad aan de man was gebracht werden lokale produkten als kaas, boter, aardappelen of hard fruit ingekocht voor de thuismarkt.



Bron:
Dr. A.H.J. Prins, Schippers van Blokzijl. Zuiderzeemuseum.

Mazelaar

Mazelaar is een ander woord voor zakkendrager. De naam is afkomstig van de naam van het 'gilde van der Mase'.
Dit gilde dankte zijn naam aan de bezigheden van de vroegste gildeleden: het overladen van koren dat over de maas werd aangevoerd op kleine vletten. Later werkten de mazelaars op de wal als zakkendragers. Het is een typisch Dordts begrip en is aldaar terug te vinden in (vroegere) straten e.d.: Maselaersfgang, Maselaers gilts straetken, Mazelaarspoort, Mazelaarsbrug en Mazelaarsstraat.

Bron:
Mieke van Baarsel, De straatnamen van de Historische Binnenstad van Dordrecht.

Meedelver

Het meedelven is het opgraven van de meewortels, destijds een belangrijke verfstof voor de verfindustrie.
Een groep veldarbeiders bestaande uit tien tot twintig man, die elke morgen in de herfst naar het land trok om mee te delven, heette een 'bende'. Voorop loopt de 'voorman', die een zeker gezag over de anderen uitoefent. Daarop volgt de 'neusman' (mogelijk een verbastering van het woord 'nevensman') en daarna komen de 'volgers'.
De bende wordt met hoorn- of trompetgeschal tot de arbeid opgeroepen. De hoornblazer of trompetter laat zijn instrument gedurig horen totdat het arbeidsterrein bereikt is. Ter plekke krijgen de arbeiders hun taak toebedeeld. Het meespitten vergt bijzonder veel spierkracht, maar gaat door tot in de middag, onderbroken door een pauze van een half uur, het z.g. 'halfschof', wanneer de hoorn of trompet zich weer even laat horen. In die pauze wordt een boterham gegeten.
Ook bij het huiswaarts keren is de hoornist of trompettist in actie.

Elk lid van de bende ontvangt wekelijks een voorschot op het te verdienen loon. Is het werk gedaan dan rekent de voorman af met de eigenaar. Daarna komt men in het huis van de voorman bijeen, waarop deze verantwoording aflegt en ieder zijn nog openstaand deel ontvangt. Er wordt een stevig maal geconsumeerd en er wordt soms zeer stevig gedronken.

In het actaboek van de hervormde gemeente te Nisse staat vermeld
"1654, 13 Decbr, Alsoo voorleden maendage avont de meedelvers een half vat bier hebben ten besten gehad, daarover dronckenschap en groote ongelatichheid is gepleecht, soo is ondersoec gedaen, of onse lidmaten die daar waren ooc niet schuldich sijn geweest.

Bron:
Oude Tijden 1874, pag.299-300.

Meekrapteler

Het voorttelen van meekrap kan zowel door zaaien als door planten gebeuren. In ons land gebruikte men de laatste manier. Als het land gemest is wordt het opgedeeld in bedden. Omstreeks mei plukt de kiemzetter de jonge spruiten van de twee jaar oude plant en poot deze met zetspaden in lange rijen. Het loof van dit kruid laat men afsterven of men maait het om als veevoer te gebruiken. Na de derde zomer, ongeveer 20 maanden na het planten zijn de wortels dik genoeg om ze in september te oogsten.

Na het oogsten laat men ze in hopen op het land liggen, waardoor ze enigszins taai werden. Ze werden dan naar de Stoof vervoerd, waar ze in de koude stoof (een grote schuur) per eigenaar op stapels werden gelegd. Van daar gaan ze naar de Toren, een ruimte met vier verwarmde zolders boven elkaar, waarop de meekrap achtereenvolgens wordt gelegd voor een eerste droging. Hierna wordt de meekrap gedorst, dat wil zeggen dat schil, aarde en andere ongerechtigheden er van losgemaakt worden. Het dan ontstane product had de Franse naam: 'racine',

Daarna transporteert men de wortels, in stukjes gebroken, de racine naar de Ast, een oven ook wel 'varken' genoemd, en naar een daarmee verbonden lang kanaal of 'vuurwerk'. In dit kanaal ondergaat de meekrap een tweede drogingsproces van ongeveer 24 uur waarna ze gestampt kan worden.
Dit gebeurt in het stamphuis, het domein van de stamper en de drijver, welke laatste een groot molenrad door drie paarden in beweging wordt gezet. Het rad staat in verbinding met een dikke as, waaraan een aantal houten vuisten zitten die de stampers moeten opheffen. Deze stampers vallen in een massief eikenhouten bak waarin de gedroogde meekrap ligt, die dus fijngestampt wordt. Door een bepaalde manier van zeven kan men vier soorten meekrap krijgen, die in vier afgesloten bakken terecht komen.:

  1. De onberoofde: de gedroogde krap wordt dan in zijn geheel voldoende fijn gestampt en in vaten verpakt.

  2. Twee en één: onder het stampen breekt eerst het buitenste en slechtste deel van de wortels.
    Dan wordt de krap gezeefd. Wat gebroken is valt er door, maar het taaiere en betere deel van de wortels dat niet gebroken is, blijft in de zeef achter.
    Dit beste deel, twee derde van het totaal, stampt men opnieuw en bergt het in aparte vaten. Het heet krap.
    Het slechtere deel, één derde van alles, komt ook in een vat en heet gemeene.

  3. Eén en één volgt weer dezelfde bewerking als hierboven, maar nu is de verdeling half om half.

  4. Mullen, de schillen met daaraan nog stukjes van de wortel en het afval, door nog grotere zuivering van de onberoofde en de twee en één.

Het stampen van de krap moest 's nachts gebeuren omdat deze onder invloed van het daglicht gemakkelijk verkleurt. Stamper en drijver waren ondergeschikt aan de droger, die de verantwoordelijke bedrijfsleider was.
Tijdens de bewerking bleef de meekrap het eigendom van de boer. Iedere partij werd apart verwerkt, zodat iedere meekrapteler zijn eigen partij aan de handel kon overdoen.

Bron o.a. naar:
A. Kanter uit Vollledige beschrijving van alle konsten, ambachten, handwerken, fabrieken, trafieken, derzelver werkhuizen, gereedschappen, enz., 1788-1820, uitgegeven door A. Blussé en Zoon.
Verder literatuur: Zuid-Hollandse Studiën Deel VIII.

Meester van en met den zweerde
Ook scherprechter, beul.

Het ambt was in bepaalde families erfelijk. Hij ontving naast een vaste vergoeding de gelegenheid neveninkomsten te verwerven. Ook werd hij voor ieder karwei nog eens apart betaald. Daarnaast kreeg hij nog wel eens steekpenningen van familieleden van de veroordeelde om bij folteringen matig te werk te gaan of de genadeslag vlug en trefzeker aan te brengen. De beul moest de onthoofding met één slag voltrekken. Het hoofd moest echt bij het lichaam wegrollen. Mislukte dit dan had hij de smaad en soms erger van de toeschouwers te verwachten. Dit mee uit bijgeloof.
Vaak ook verleende de scherprechter, al dan niet toegestaan, diensten als chirurgijn. Gezien de aard van zijn ambt was hij qua kennis van het lichaam goed onderlegd.

Me(e)ter (gesworen)

Naam van overheidsdienaren, belast met het op de juiste wijze afmeten van allerlei materialen.
O.a.:
meeter van leien.
Daar (zal) wesen een geswooren meeter, die meeten zal alle Rynsche leyen …. (Utr. Placaatboek 3, 759a (1622).
De Meeter (van kolen) zal verpligt wezen, gerechtelyk te meeten …. (Keuren van Haerlem 2, 297 b (1751);
Ínstructie voor den Weeger van Smidskoolen bij den Magistraat der Hoofdstadt ’s Hertogenbosch 1776 1788;

Zo kent men verder onder meer meters van:
- appelen en peren
- lakens en carsayen
- schepen op Noorwegen varende
- zout.

Meier / Meijer

Huurder, pachter van grond. In de provincie Groningen en directe omgeving kent men het begrip “beklemde meier”, d.w.z. iemand die een stuk grond beheert in niet afkoopbare, erfelijke eeuwigdurende pacht tegen een onveranderlijke vergoeding. Dit werd in de hand gewerkt doordat de pachters toestemming kregen op de grond hun boerderij te bouwen, zodat er regelingen moesten worden getroffen over de opstallen. Door de geleidelijke geldontwaarding is de pachtsom een laag bedrag geworden. Bij bepaalde gebeurtenissen, bijv. Bij een huwelijk of bij vererving is naast de huursom een geschenk verschuldigd, als regel ter grootte van eenmaal de huursom. Dit systeem werd in de hand gewerkt doordat de boeren er hun boerderijen op bouwden. De grond raakte daardoor beklemd. Wel konden beklemde gronden (de beklemmingen) worden overgenomen. In de negentiende eeuw waren uit meerdere beklemmingen opgebouwd. Door de beklemmingen werd versnippering van de grond voorkomen. Bij vererving was er altijd maar een kind dat het bedrijf in zijn geheel overnam. De andere erfgenomen werden afgekocht.
Door de naasting van de kloostergoederen ten tijde van de Hervorming werd het provinciebestuur van Groningen eigenaar en beheerder van grote stukken cultuurgrond, die werden verpacht aan z.g. stadsmeiers.

Elders komt ook het begrip “zetmeijer” voor (zie aldaar).

Melkrijder, melkvaarder

Met de opkomst van de boter- en kaasfabrieken en het ophouden van het boter- en/of kaasmaken op de boerderij in de laatste jaren van de negentiende eeuw ontstond er ook behoefte aan personen, die per paard- en wagen, vrachtauto, trekker met aanhanger of per boot de melk in bussen bij de boeren de melk kwamen ophalen en de lege bussen, soms gevuld met wei (het vocht dat overbleef en diende als voer voor de varkens) naar de boeren terugbrachten.
Door het in gebruik komen van de koeltanks bij de boeren is hier een eind aan gekomen.

Een kostelijk stukje over de praktijk van het melkrijden is afkomstig van
de heer I. van der Meulen ( l.vdmeulen06@knid.nl ), die dit beroep jaren heeft uitgeoefend:

De molkrit
Ford 3000, bouwjaar 1970, 46 PK.
Deze Ford 3000 trok 10 jaar 2 melkwagens met een totaal laadvermogen van 406 melkbussen.
De totale lengte was ruim 24 meter (18 meter was wettelijk toegestaan).
De top snelheid was 30 km.

De laatste  jaren bestond de melkrit uit ongeveer 35 boeren.
Het aantal km per rit was 75 km.
Zomers werd er 2x per dag gereden vanaf half maart tot half oktober ongeveer 30 weken.
Winters werd er 1x gereden  20 weken.
Totaal aantal km per jaar meer dan 50.000 km (met een wettelijke snelheid van 16 km).

Ook reed ik met deze Ford 3000 Aardappelen, Stro, Schelpen, Hooi enz. en deed verhuizingen.
Zelfs een boot gehaald uit Kampen rit van 13 uur  (dichte mist). Dit was in 1972.
Het totale aantal km schat ik op 60.000 km per jaar.

Zo ging dat in die jaren en met veel plezier 7 dagen per week
.

Velen vroegen zich af of ik geen problemen had met de politie, i.v.b. met meer dan 24 meter lengte.
Zo nu en dan hielden ze mij aan, ik zorgde er voor dat de verlichting goed in orde was, ook de zijkanten waren verlicht.
Ook had ik er luchtdruk remmen opgebouwd, je ziet op de foto de compressor voor aan de zijkant.

Ik probeerde mij er steeds met een smoes van af te maken door te zeggen dat het melk rijden met melkbussen een aflopende zaak was, en dat de boeren over gingen op tank melken, hier beruste de politie dan weer in.

Wel liep het uit de hand toen ik met 3 melkwagens achter mijn Ford 3000 reed. Dit deed ik, dan hoefde ik geen dubbele laag. Dit ging een aantal weken zonder problemen, tot ik de politie tegen kwam en die begon te meten, 31 meter ( 18 meter was wettelijk toegestaan)
De politie gaf aan dat ik met 31 meter lengte op de rails moest, en niet op de weg.
Toen was het over en uit, en moesten de melkbussen weer twee hoog.

( Klik hier voor meer Anekdotes molkrit )

Melkslijter, melkverkoper

De melkslijter verkocht melk en als regel enkele verwante zuivelproducten als boter, eieren en soms ook kaas. Vroeger ging hij of zij met een kar, hondenkar of paard-en-wagen de klanten bij langs, later ook per bakfiets, nog later per mechanische voortbewogen voertuig. Met de opkomst van de supermarkt is de melkboer uit het straatbeeld verdwenen. Enkelen zijn doorgegaan als rijdende supermarktjes (bijv. de SRV-man)
.

Meshegtenmaker, Messe(n)maker

De hecht (ook wel heft), het handvat waarmee het lemmet wordt vastgehouden, bestond als regel uit hout of been.De (zilveren) heften voor de luxere messen werden veelal door gespecialiseerde vaklui, de Messe(n)maker Meshegtenmakers vervaardigd. Zij behoorden als regel tot het smidsgilde.
Het Amsterdamse St. Eloysngilde bijv. omvatte zeven ambachten: de grof- en kleinsmeden, de slotenmakers, de koperslagers, de messenmakers, de zwaardvegers en de roerenmakers (= geweermakers).

Hoewel in de zeventiende eeuw reeds een belangrijke import van messen uit o.a. Solingen plaatsvond, hadden de messenmakers hier te lande nog wel eens de neiging die messen onder hun eigen naam te verkopen.
In een ordonnantie van het Delftse St. Eloysgilde van 1685 werd het de Delftse messenmakers verboden messen uit Solingen in Bergland gemaakt en met het wapen van Delft getekend, in te voeren en als Delftse messen te verkopen. In het resolutieboek van schepenen van de raad van de stad Deventer uit 1687 vroeg de aldaar wonende messenmaker meester Hendrick Tijncken om een verbod op het verkopen van Solingermessen met het merck van suppliant en meester Gerrit Rogge, messenmaker te Zwolle.
De Deventer overheid bepaalde naar aanleiding van dit verzoek dat de gilden gerechtigd waren messen met de voorschr. Mercken voorsien te confisqueren.
Verschillende van deze messenmakers waren afkomstig uit Duitsland. In Zwolle bijv. vestigden zich Hillebrant van Munster, Jacob Toenis van Salingen, Hendrick van Salingen en Caspar Clauberch die in 1651 het Zwolse burgerrecht verwierf.
Zij behoorden als regel tot het smidsgilde.
















Het Amsterdamse St. Eloyengilde bijv. omvatte zeven ambachten: de grof- en kleinsmeden, de slotenmakers, de koperslagers, de messenmakers, de zwaardvegers en de roerenmakers (= geweermakers).

Oorspronkelijk waren de zwaard- en degensmeden degenen, die ook messen maakten, maar in de loop der tijd (vermoedelijk in de loop van de tweede helft van de zestiende eeuw) splitsten de messenmakers zich af.
Niet alleen in Amsterdam maar ook elders waren de messenmakers meestal lid van het St. Eloys- of smedengilde.
In 1588 (op de dag Lucie (13 december) bepaalde de Zwolse magistraat dat een messenmaker in tegenwoordigheid van het gilde alvorens hij tot het gilde kon worden toegelaten als proef moest maken een dousijn messen half ingesteken en half genageld. Deze proef bleef gehandhaafd Zes messen moesten derhalve met een angel of staart gesmeed worden en zes met een platte angel waar het heft, dat in dit geval uit twee delen kon bestaan, werd vastgeklonken.

Bij de vervaardiging ging men uit van het zachte ijzer, dat verhit, op het aambeeld geleidelijk in de goede vorm werd geslagen en gehard door het in koud water, bloed, talk of urine te dompelen, waarbij de temperatuur van het mes, de gebruikte vloeistof voor de afkoeling en de duur van de onderdompeling daarin de kwaliteit van het lemmet bepaalden.

De messen werden scherp geslepen via een slijpmolen.

Messenslijper

Tot in het derde kwart van de twintigste eeuw was de messen- en scharensliep, die met zijn kar van huis tot huis trok, een vertrouwd beeld. Hij sleep op een natte zandsteen, die hij met zijn voet draaiend hield, messen en scharen. In de winter sleep hij ook schaatsen.

Meterstokkenmaker

Vervaardiger van maatstokken.

Metser, metseraer, metselman, metselaar

In de tijd van de gilden moesten zij, evenals andere vaklieden, een proef afleggen om hun vak als meestermetselaar te mogen uitoefenen. Naast kennis van de te gebruiken steensoorten moest hij ook allerlei constructies tot stand weten te brengen. Ook moesten zij zich aan allerlei voorschriften houden.

Bron:
WNT

Mijnwerker

Mijnwerker was hier te lande een beroep bij de mijnen in Limburg tot deze werden opgeheven en wel ondergronds in verschillende functies. Om mijnwerker te worden moest je eerst drie jaar naar de ondergrondse vakschool. Tijdens het derde jaar mocht je een aantal dagen ondergronds werken. Na dat derde jaar en een succesvolle opleiding kreeg je een diploma en mocht je aan de slag.




Misvaarder 

Iemand die de inhoud van de beerputten met een schuit naar een verzamelplaats bracht. De fecaliën werden vermengd met straat- en huisvuil en dienden daarna als meststof voor de land- en tuinbouw.

Modderman

De modderman was werkzaam op een moddermolen, een varende baggerinstallatie.  De emmers waarmee gebaggerd werd, werden eerst voortbewogen door mannen die in tredmolens liepen. Later werden zij door paardenkracht vervangen.

Molenaar

Oorspronkelijk was het exploiteren van wind- en dwangmolens een recht van de leenheer. De molens werden dan gepacht door steden en pariculieren. Vanaf  ca. de zestiende eeuw werd overgegaan tot verkoop aan particulieren. De molensteen c.q. andere apparatuur kon in beweging worden gebracht door wind, water, dan wel door het gebruik van paarden. In het laatste geval spreekt men van rosmolens.
Afhankelijk van het doel, waar voor de molen werd gebruikt onderscheiden we o.a. houtzaagmolens, korenmolens, pelmolens, runmolens en watermolens.

Zie ook Ons Erfgoed jg. 10, mei-juni 2002 pag 99-108: A.J.J. Struijk. Molens en molenaarsberoepen of de knop molenaarsberoepen.

Molenmaker 

Bouwer en reparateur van molens.
Molenmeester
Ook poldermeester of waarsman.

Met het ontstaan van de windwatermolens ontstond ook het ambt van molenmeester. Dit was een functionaris die aan het gezag van het hoogheemraadschap was onderworpen. Hij kreeg het beheer over de molens in de polder en oefende met enkele ingelanden (in Delfland kroosheemraden geheten), de polderschouw uit. Verder inde hij de omslag, regelde het onderhoud, betaalde de rekeningen en legde aan de ingelanden verantwoording af over het gevoerde beleid. De wijze van verkiezing van molenmeester verschilde van polder tot polder. In veel polders rouleerde de functie onder de boeren, in vaste volgorde van de boerderijen. Soms werden boeren die niet konden rekenen en schrijven overgeslagen. Soms ook verrichte de dorpssecretaris het schrijfwerk tegen vergoeding (Oude Lierpolder). Het bestuur met molenmeesters en ingelanden bleef tot in de Franse tijd in stand. De term waarsman wordt aangetroffen in de polders vallende onder Leerdam en Schoonrewoerd.

Mollenvanger (mollendelver)

Het vangen van mollen was als regel een bijverdienste.

Een vroegere methode om mollen te vangen was met behulp van mollengalgen oftewel mollenstrikken. Men plaatste twee strikken van koperdraad om de mollengang heen. Die strikken zaten vast aan een het touw dat aan de ene kant aan een kromgebogen vastzat en aan de andere kant aan een houtje, dat klem zat tussen de korte delen van een soort houten schaar, waarvan een been in de grond was gestoken en het andere op de grond rustte. Al gravend werkte de mol de graszode waarop dat houtje rustte omhoog, waardoor het houtje losschoot, zodat de tak met het touwtje en de koperen strikken losschoot en de mol door het koperdraad zowat in tweeën werd getrokken en overleed.
Later werden deze mollengangen vervangen door klemmen, waartussen zich een plaatje bevond met een gat er in. Dat plaatje wipte tussen de klemhelften uit als de mol wilde passeren, waarna de klem dichtsloeg en de mol klem kwam te zitten en na kortere of langere tijd overleed. Uiteraard waren beide vangmethoden niet erg diervriendelijk en voor de mol uiterst pijnlijk.




Een andere vangstmethode was met behulp van een daartoe getraind hondje. Het hondje lokaliseerde de mol, de mollenvanger wipte hem er uit met een spa en sloeg het dier dood. Misschien wel de minst pijnlijke oplossing.

De gevangen mollen werden gevild en de velletjes werden opgespannen, gedroogd en aan opkopers verkocht. Tot na de Tweede Wereldoorlog was een winterjas gevoerd met mollenbond een gewaardeerde dracht. De klemmen waren niet erg diervriendelijk. Vaak duurde het geruime tijd eer de mol dood was.

Later ging men ook vergif gebruiken. Vermoedelijk ook geen diervriendelijke methode.

Mosselman, mosselvisser

Venter, die in het seizoen met een kar de door de mosselvisser gevangen mosselen verkocht of op een vaste standplaats of trekkend door de straten.








Munt-

In de Nederlanden werden al vroeg munten geslagen. Friezen en Franken hadden in de zevende eeuw reeds een muntslag.
De bisschoppen van Utrecht en Luik kregen al vroeg het recht om munten te laten slaan, onder de wereldlijke groten waren het de Brunswijkse graven. Zij die dat recht hadden waren de muntheren. Later kreeg ook een aantal steden dit recht.
Vanaf de Middeleeuwen waren diverse munthuizen in bedrijf, waarvan de leiding in handen was van een muntmeester.
Deze muntmeester was in wezen een particuliere ondernemer, die van de muntheer het recht ontving munten te slaan, uiteraard tegen betaling.

Op de illustratie de verschillende fasen van het vervaardigen van munten: het op dikte slaan van de metalenplaten, het knippen van de geldstukken in wording en het slaan van de munt. Het onderstempel was bevestigd in het aambeeld, het bovenstempel plaatste degeen die de munt sloeg, er boven op, waarna hij er een goede klap op gaf. De jongen verwijderde de geslagen munten en legde er een muntplaatje voor in de plaats. De voornaamste technische medewerkers van de muntmeester waren de stempelsnijder en de essayeur, die belast was met het controleren van de fijnheid van de grondstof en van de afgeleverde munten. Zij werden door de overheid benoemd en beëdigd.
Uiteraard was bij dit ambacht controle nodig, om te voorkomen dat er geknoeid werd met het gehalte en het gewicht. De eindcontrole vond plaats door de waardijn, die in beginsel geheel onafhankelijk was van de muntmeester.

Zie. o.a.
dr. II. Enno van Gelder. De Nederlandse munten.


Muntgewichtmaker
Gezien de grote verscheidenheid aan munten en de toestand daarvan (mogelijk afgesleten of gesnoeid) beschikten de kooplui over muntgewichtdoosjes. Voor iedere bekende soort gouden munten bestond een eigen normaal gewicht in de vorm van een vierkant blokje koper waarop schematisch het betreffende muntstempel was aangebracht. Deze gewichtjes werden met de te gebruiken weegschaal bewaard in een plat houten doosje. De meeste particuliere 'balancemaeckers' hebben geen gildeverband gekend, zodat het moeilijk is veel over hen aan de weet te komen. In 1937 is een vroeg vijftiende eeuwse scheepskist opgehaald uit de Schelde waarin zich een dergelijk kistje bevond.

Musketier

Voetsoldaat in het leger van de Republiek. Hij droeg een stormhoed en was uitgerust met een musket, die van een lontslot was voorzien, en een furquet of vork waarop de musket rustte tijdens het afvuren. Daarnaast had hij nog een rappier.

Mutsenmaaksters

In het verleden, toen nog vele vrouwen in klederdracht rondliepen, vormde de muts daar een onderdeel van.
Deze mutsen waren van kant, tule en katoen. Ze vergden veel onderhoud. Ze moesten geregeld losgehaald en gewassen worden. Dit werd veelal uitbesteed aan de mutsenmaaksters, die in het opmaken gespecialiseerd waren.
Daar waar de mutsen van geplooide stroken waren voorzien, werd deze voor het reinigen losgetornd en gewassen. Voor het plooien werden verschillende hulpmiddelen gebruikt. In sommige streken werd bijv. voor fijne plooitjes een plooimachine gebruikt waarbij de kant tussen twee geribbelde rollen van het machientje werd gelegd. Die rollen waren eerst voorverwarmd door twee ronde bouten. Ook konden fijne plooitjes zonder machientje worden aangebracht, soms met behulp van een geribbeld plankje met een geribbeld houten rolletje, soms met behulp van een speciaal plooiknijpertje.
Ook werden na het stijven en het strijken de stroken met behulp van een plooirek met plooipennen opnieuw in de gewenste vorm gebracht. De gesteven stroken in het plooirek werden boven de stoom gehouden en daarna gedroogd waardoor de plooien er goed in zaten, waarna de stroken weer aan de muts gezet konden worden.
Elders (Volendam) werden de plooien met de hand aangebracht met behulp van een aardappelmesje. Voor de grovere plooien werden diverse plooitangen en plooischaren gebruikt, waarbij de plooien stuk voor stuk in de vochtige gesteven kant werden aangebracht.