Jeneverbrander
Zie ook destilleerder
Ook coornbrander en later jeneverstoker genoemd.

In de loop van de zestiende eeuw werd in ons land uit verschillende graansoorten als gerst, tarwe, rogge en boekweit jenever gestookt, destijds ten onrechte coornwijn of brandewijn genoemd. In het begin van de zeventiende eeuw werd reeds gesproken van genever en geneverbesiën, jeneverbessen, al voegde men ook andere kruiden toe. In het midden van de negentiende eeuw waren er alleen al in Schiedam uiteindelijk zo'n 390 branderijen en mouterijen actief. Via de mouterij, waar het graan eerst tot kiemen wordt gebracht en na ongeveer vijf dagen op de zogenaamde eestvloeren gedroogd om het kiemen te stoppen, wordt de mout gemalen. Dit gemalen mout wordt tot gisting gebracht. Het uitgegiste mengsel, wort, wordt tot het kookpunt verwarmd. De ontstane damp condenseert in een koeler tot vloeistof. Dit wordt enkele malen herhaald om de gewenste alcoholconcentratie te bereiken. Later werd ook uit suikerbieten gestookte alcohol gebruikt, maar dan zijn we al lang in het industriële tijdperk terecht gekomen.

Jolleman (jolman)

Meestal een gewezen varensgezel die in havenplaatsen met het overzetten naar schepen en, waar de bruggen vrij ver van elkaar verwijderd waren, naar de overkant met zijn jol de kost verdiende. Men vond ze o.a. op het IJ en de Buiten-Amstel.

In De Uithangteekens door Mr. J. van Lennep en J. ter Gouw komt het hier afgebeelde uithangbord voor, dat destijds op de Baangracht bij de Raampoort (Amsterdam) aan een gevel was bevestigd.