Haakbusschutter
Ook har(c)kebusier genoemd.

Van haakbus, harkebuse (Fr. arquebuse)
Destijds militair die gewapend was met een haakbus. Deze wapens werden niet alleen in de strijd gebruikt maar ook om mensen te doden (fusilleren). :
'..Van de 300 overigen werden de meesten, die in handen der overwinnaars vielen, geharkebuseerd of vonden den dood aan de galg'. 1)
Wegens te gering doordringingsvermogen werd de haakbus na 1625 afgeschaft.

1) Woordenboek der Nederlandsche Taal, kol. 2230

Haarkoper

Handelaar in haar. De haarkoper kon zowel in mensenhaar handelen als in dierenhaar.
Mensenhaar werd (en wordt) gebruikt voor de vervaardiging van pruiken. Dierlijk haar, als varkens- of marterhaar voor het vervaardigen van kwasten en penselen, paardenhaar werd gebruikt bij de vervaardiging van kleding, ter opvulling van o.a. kussens en voor strijkstokken van violen e.d.

Haar- en baardscheerder 

Kapper. Vroeger schoor lang niet iedere man zich thuis. Hij ging daarvoor op gezette tijden naar de haar- en baardscheerder (barbier), die in zijn kast voor ieder van zijn vaste klanten een apart vakje had, waarin diens scheerbenodigdheden werden bewaard.
Haarsnijder

De haarsnijder was een ambachtsman, die dierlijk haar bundelde en die bundels voor borstels en kwasten op de gewenste lengte sneed.

Haarwerker (pruikenmaker)

Iemand die haar verwerkt(e) tot pruiken, vlechten, haarstukjes enz. In de achttiende eeuw was het mode dat mannen en vrouwen uit de hogere standen pruiken droegen, soms tot het absurde.

Handschoenenwasser, handschoenenwaster

In het WNT komt dit beroep niet voor maar bij de Volkstelling van 1899 wel. Het is ook een beroep dat in verschillende genealogieën wordt genoemd. Men kan zich afvragen of dit een beroep is, dat een bestaan oplevert. Wel is het zo, dat de vroegere was methoden waarbij de was door de gegoede burgers buiten de deur werd gedaan of door de gewone man zelf werd gedaan en er niet zo zacht mee werd omgesprongen voor alle objecten de meest geschikte methode was. Men denke aan kragen, manchetten en ook aan stoffen handschoenen, bijv. van kant. Er zijn vrouwen en mannen geweest die zich hierin hebben gespecialiseerd, mogelijk als nevenverdienste naast dat van de partner.

Handschoenmaker

Handschoenen werden voornamelijk door de hogere standen gedragen. Zij reikten tot de pols. In de meeste gevallen waren ze voorzien van een kap, die in de tweede helft van de zeventiende eeuw uitbundiger van vorm werd.

In de riddertijd kende men de met metaal beklede handschoen om zich tegen wapengeweld te beschermen.
De latere handschoenen werden onder meer van dun leer gemaakt, bijvoorbeeld  van geiteleer en in verschillende kleuren geverfd. De kap werd dikwijls van fluweel gemaakt, versierd met edelstenen, parels en franjes. De handschoenen van de aanzienlijke vrouwen werden van mooie stof of dun leer gemaakt, eveneens versierd met edelstenen en parels, maar ook versierd met borduursel.

Volgens een beroepstelling, ontleend aan het Registre Civique van 's-Gravenhage van 1811 waren in dat jaar aldaar negen handschoenmakers en een handschoenmakersknecht werkzaam (0,14 % van de toen geregistreerde 7064 mannelijke kiesgerechtigde personen).

Handzetter

Zethaak, waarin de letters
kopstaand werden vergaard
Indeling van een letterkast.
De kasten (= laden) werden bewaard in een bok.
Bovenop stond de gebruikte letterkast.
Zie zetterij Drukkerij van Marken

Met de ontwikkeling van de boekdrukkunst kwam ook het gebruik van losse letters tot ontwikkeling waarbij standaardisaties in verschillende opzichten tot stand kwamen zowel wat betreft de letters en de interlinies als de wijze van bewaren en ook de techniek. De letters werden bewaard in laden, de letterkasten, die een uniforme indeling kregen. Zie afbeelding. Deze letterkasten werden opgeborgen in een staande kast, een bok, met bovenop een werkblad, waarop de drukvorm werd opgebouwd door de handzetter. Voor het bijeengaren van de letters en of cijfers plus de spaties maakte de (hand)zetter gebruik van een zethaak, waarop men eerst de breedte van het te vervaardigen zetsel bepaalde, om vervolgens het zetsel bijeen te rapen en in spiegelschrift kopstaand in de zethaak te plaatsen.

Was de haak vol gezet, dan werd de regel op een galei gezet waarop de vorm werd opgebouwd, zo nodig aangevuld met clichés . Moesten de regels precies even lang worden dan werd dit gerealiseerd door variabele spaties tussen de woorden te plaatsen. De ruimte tussen de regels werd gevuld door interlinies.

Het op deze wijze verkregen zetsel bestond dus uit soms honderden losse deeltjes als letters, spaties, interlinies, clichés enz.

Dit zetsel werd opgebonden, door er een koordje omheen te winden, waarna op een proefpers een proef kon worden vervaardigd om het zetsel te controleren, zodat onjuistheden gecorrigeerd konden worden.

Voor grote reclamebiljetten werd onder meer gebruik gemaakt van grote (houten) letters.

De opleiding tot handzetter was niet zonder meer een pretje. Vooral vroeger waren de werkuren, staande aan de zetbok, lang maar men werd ook wel aan plagerijtjes blootgesteld. En als men een zetsel uit handen liet vallen was het ook niet best. Een schop onder je achterste bijv. kon er dan best af. Ook qua hygiëne was het niet altijd goed. Zo werd de middagboterham vaak zonder handenwassen geconsumeerd.

Sommige handzetters bleven dat vak tot hun oude dag uitoefenen, de betere werd soms bevorderd tot machinezetter.

Onderstaand de zetterij van Drukkerij van Marken, Delft 1895

Bron:
O.a. Leergang voor het Grafisch bedrijf: Grafische en aanverwante vakken..
Foto v. Markens Drukkerij, Gen. Archief Delft
Met dank aan heer B. Tobé

Haring-

In de zeventiende eeuw werd met de "groote visscherij" de haringvisserij bedoeld. De walvis­vangst, waarbij het om veel grotere dieren ging heette de "kleine visscherij". Er is dan ook geen vissoort, die in het verleden van zoveel economisch en politiek belang geweest als de visserij op haring. Deze haringvisserij bezorgde vele tienduizenden werk, niet alleen als visser, maar ook omdat talrijke toeleveringsbedrijven nodig waren.
Haringvisserij werd met behulp van drijfnetten uitgeoefend. Deze wijze van vissen is waarschijnlijk in Vlaanderen ontwikkeld, waarna Zeeuwen en Hollanders deze methode overgenomen en geperfectioneerd hebben. Het is een manier van vissen geweest, die zich tot in de twintigste eeuw gehandhaafd heeft.
De Nederlandse haringvisserij is al zeer oud. Op grond van charters en vrijbrieven weet men dat het haringvissen met behulp van drijfnetten reeds in de dertiende eeuw werd toegepast.
Naarmate de haringvisserij en haringhandel belangrijker werden groeide ook de bemoeienis van de overheid, ten dele om door beschermende maatregelen de kwaliteit te waarborgen, ten dele ook ten behoeve van monopolievorming. Het is hier niet de plaats om in te gaan op de discussie, wie het haringkaken heeft uitgevonden. Wel is van belang dat dit systeem de mogelijkheden voor export sterk bevorderd heeft. Een goede matroos verwerkte per uur ruim twee kantjes oftewel 800 - 1000 haringen. Hierbij werd en wordt met een kaakmesje de gal (= gelletje) plus bijbehoren uit de haring gehaald.
De haringvissers behoorden in onze landen tot de eersten, die ook koopvaart bedreven: zij vervoerden de haring naar andere landen en al gauw ook andere producten als zuivel en textiel en brachten andere producten terug. Het waren ook vermoedelijk de eerste strijders op zee, zowel tegen kapers als tegen schepen van concurrerende organisaties en staten (bijv. de Hanzesteden), waarbij de reeds aan de wal gekozen schipper, de admiraal het opperbevel voerde. Zo waren de eerste vlootvoogden van origine haringvissers, bijv. Tromp.
Het haringkaken was slechts voorbehouden aan de bedrijven van de steden "van de Maze" en van "Hollands noorderquartier". De belangrijkste plaatsen waren Enkhuizen, De Rijp, Brielle, Delfshaven, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen. Deze privileges bleven bestaan tot 1857.
In 1852 werd het "Collegie van de Grote Visscherije van Holland ende Westvriesland" opgericht dat zich een zekere wettelijke macht toeëigende en de belangen van een betrekkelijk kleine groep haringgroothandelaren veiligstelden. Het kaakprocédé moest gekoppeld worden aan de vermaardheid die de uit deze gebieden afkomstige producten in het buitenland genoot. Ook moesten er brandmerken op de tonnen komen om de verschillende biologische stadia aan te geven. Zo was het keurmerk 'cirkelbrand' voor haring die gevangen was in de periode van Sint-Jacob tot Sint Barthelomeus (25 juli tot 24 augustus); 'kleine brand' was voor haring uit de periode van Sint Barthelomeus tot Kruisverheffing (14 september).

'Kruisbrand" haring bestond uit volle hommers en kuiters. Dit was de beste haring voor de export. Van 1 januari tot 1 juni mocht niet op haring worden gevist.
Ondanks alle voorschriften waren er toch geregeld klachten uit het buitenland.
In het "Groot Placaetboek II van 1613 tot 1652" werden de haringvissers beschouwd als goede vaklieden, die uitblinken in het kaken en pakken van haring. Deze vissers werden dan ook als een soort "nationaal bezit" beschouwd. Er was voorgeschreven dat ze zich niet in dienst mochten begeven van koopvaardij- of vissersschepen buiten de Verenigde Nederlanden.
De bloeitijd van de grote visserij lag in de eerste helft van de zeventiende eeuw toen de republiek verreweg het grootste deel van de markt in handen had.
De bewerkingen aan de wal stonden onder toezicht van keurmeesters. Om knoeierijen tegen te gaan moesten de pakkers hun werkzaamheden op de openbare weg verrichten.
De vissers die niet woonden in de steden gelegen aan de Maas of in het Hollands Noorder­kwartier mochten dus tot 1857 geen gekaakte haring aanvoeren en moesten hun aanvoer of direct voor de consumptie verkopen of op andere manier verduurzamen (bijvoorbeeld steurha­ring, die tot bokking werd gerookt).
Aan de kust van Holland (= de Zijde), waar havens ontbraken (Bijvoorbeeld Scheveningen en Katwijk) maakten de schippers gebruik van platboom schepen (boom = bodem). De meest bekende strandschuiten zijn de bommen, die bij hoog water op het strand gezet werden. (Goed te bekijken in het Panorama Mesdag in Den Haag). Voor de drijfnetvisserij maakte men vooral gebruik van buizen, kielschepen. Op de Zuiderzee kende men de botter en de schokker, ook platbodemschuiten.
De bemanning van een buis telde 12 - 14 man: de kapitein, de stuurman en de matrozen, die ten dele verschillende funkties hadden als wantaannemer, wantstaander, reepschieter en jongste afhouder trekt langzaam de reep (kabel, waarmee een aantal netten met het schip verbonden is) van de winch en "paait" hem in het reepruim
jongste de oudste van de [drie] jongeren aan boord.
reepschieter vangt de reep op van de reepschieter en schiet deze al ronddraaiende "in ronde slagen" op.
spilloper is degeen die aan het spil (werktuig bestaande uit een cylinder voorzien van een kop met gaten waarin spaken om het geheel rond te draaien) draait. "De stuurmansmaat is een der vier spilloopers bij het inwinden van het vischtuig".
wantaanhaalder (of dombeest)/wantaannemer bemanningslid, belast met het uit het ruim halen van de netten.
wantheffer de perswoon die de bulk van het want (= net) in de schuit hijst
wantstaander haalt de netten binnen boord.

De wijze waarop de verschillende toeleveraars actief waren komt bij hun specifieke beroeps­uitoefening aan de orde. Rechtstreeks met de haring hadden, naast de bemanning van de schepen onder meer de navolgende beroepen (ten dele als seizoenwerker) te maken :

  • Haringdroger = bokkingdroger
  • Haringjager = jager/ventjager, vervoerder of koopman die verse vis van de varende visser­schepen op de markt brengt om te verkopen. Haringjager was ook een schip, uitgerust door de gezamenlijke haringreders tot vervanging en onderdrukking van deze vroeger gebruikelijke ventjagerij.
  • Haringkaker degeen, die de haring ontdoet van kieuwen en gelletje (gal)
  • Haringkooper verhandelt de haring, hetzij als hgroothandelaar, hetzij als winkelier
  • Haringpakker/pakster pakt de haringen uit de (zee)tonnen in voor de handel bestemde vaten. Vroeger was dit een door de overheid beëdigd persoon.
  • Haringre(e)der rust de schepen voor de haringvangst uit. Hij is dus de eigenlijke ondernemer
  • Haringteller telt de haringen
  • Haringtrekkers waren vissers uit den Helder, Nieuwediep en texel, die in februari met de zegen visten op jonge haring die die via het Marsdiep de Zuiderzee introkken. Ten dele gebeurde dit vanaf het strand, ten dele met behulp van vletten, bemand door een schipper en tien roeiers
  • Haringwerker verricht het bewerken van de haring aan de wal (sorteren, inzouten, inpakken enzovoort).

Literatuur:
G. Asaert, Ph.M. Bosscher, J.R. Bruin en WJ. Hoboken, Maritieme Geschiedenis der Nederlanden,Bussum, 1976-1978.
H.A.H. Kranenburg, De zeevisscherij van Hollandin den tijd der Republiek, Amsterdam 1946.
Dr J.P. v.d. Voort, Vissers van de Noordzee, 's-Gravenhage 1975

Harnasmaker

Oorspronkelijk vervaardiger van wapenrustingen. Later werd dit tot wapensmid.
'De Harnas-makers sullen opreyden een Rappier metten heft' 1)

1) Bij gilde-proef. Handv. v. Amster. 1246 anno 1530.

Harnasveger
Ook harnasvager.

Harnasveger is degeen, die voor het onderhoud van de harnassen en bijbehorende wapenrusting zorgdraagt.

Harpenist, harp(en)slager

Harpspeler
.

Harpoenier

Degeen die op een walvisvaarder bij het jagen op walvissen, de harpoenen (later harpoenen schieten) en lensen werpen. Zodra een walvis werd gesignaleerd, roeide men uit alle macht naar het dier. De stuurman probeerde de sloep zo te manoeuvreren dat hij recht voor of pal achter de walvis uitkwam omdat hij dan buiten het beperkte uitzicht van de walvis bleef. Nadering van voren had de voorkeur omdat men dan buiten het bereik van de machtige staart bleef. Was de afstand voldoende verkleind dan nam de harpoenier de harpoen en probeerde deze in het lijf van de walvis te werpen.
Deze harpoen bestond uit een schacht met een ijzeren van weerhaken voorziene punt.
Het was de kunst de walvis dusdanig in zijn speklaag te raken, dat de harpoen goed vastzat. Als dat gelukt was en de walvis vluchtte, dan vierde men de lijn die aan de harpoen bevestigd was en liet de sloep halend en vierend meeslepen. Door middel van vlaggeseinen op het moederschip werden andere sloepen ter assistentie naar de getroffen walvis gedirigeerd,zodat extra harpoenen in het walvislijf gegooid konden worden om de kans op ontsnapping zo klein mogelijk te maken. Eenmaal stevig verbonden met de walvis was het de bedoeling het dier uit te putten. Uiteraard probeerde het in doodsangst verkerende dier zijn belagers van zich te schudden door onder te duiken en weg te vluchten, zodat de sloepen met grote snelheid door het water werden getrokken. Dit noemde men wel "Op de Spaanse kruiwagen zitten"
Ondertussen moest de lijn (soms zeer snel) gevierd worden om te voorkomen, dat de sloep niet onder water werd getrokken. Soms liep de walvis meer lijnen uit dan de zeven die aan boord van een sloep waren. Andere boten moesten dan te hulp komen om extra lijnen te leveren. Als de walvis eindelijk uitgeput was, begon het eigenlijke doden, het gevaarlijks deel. Het dier moest nu zeer dicht benaderd worden, zodat de harpoenier de doodsteek kon geven, bij voorkeur in het hart of de longen. Dit gebeurde met behulp van lensen. Een lens is een spies van bijzondere vorm.

'Sy hebben piecken of lancen, dese sijn tweederley, werp-lancen sijn vast aen een Lijn, gelijck de Pijlen, worden oock so gebruyckt, alleen datse geen weerhaacken hebben, waerom die ook niet blijven steken, maer konnen weer uyt getrocken worden, en worden gebruckt om de Visch door veel wonden en arbeyt moede te maken, totdat men met de stootlancien kan daerby komen...' 1)

'Als dan begint men te lenssen, en men tracht de Visch met Lenssen van zes voet lang, in welker koker een stok van agt voeten lengte steekt, tusschen zyne ribben tot in't ingewand te treffen en dus te dooden. De punt of schaft van de Lens, op de ribben krom of stomp gestooten, roept de Harpoenier weer om een andere, vermits zes Lenssen, te weeten, drie aan ieder zyde van de Sloep, tot dit werk aldaar gereed leggen Deeze Lens is een yzere Spies, voor breed en scherp met een spitse punt, en achter met een holte of koker verzien, waar om de zelve te bestieren, een stok steekt.' Om de Visch zoo verre te doen kenteren, dat men er de harpoenen uyt snyden kan, en teffens de noch in steekende Lenssen uittrekken, door den Visch in 't Lenssen uit de hand gewrongen, of met voordacht tot meerder quetzing daer in gelaaten...' 2)

1) C.G. Zorgdrager 'Bloeyende opkomst der aloude en hedendaagsche Groenlandsche Visschery', Amsterdam 1720, pag. 283, 350, 253.
2) Muller, 'Noordsche Compagnie, pag. 379, rond 1640.

Havenmeester
Ook wel vest- of poortmeester.

Ambtenaar, belast met het toezicht op de haven, de havenwerken en ook op de stadsmuren, vestingswerken en stadsgebouwen. Ook inde hij accijnzen en tollen.
In latere tijd werd hij door en uit de veertigraad gekozen.

Heelmeester

Chirurgijn, wondheler.



Heemraad

Oorspronkelijk was dit de benaming van het college bestaande uit de dorpsbewoners om de plaatselijke vertegenwoorediger van de landsheer, de dijkgraaf, te adviseren. De dijkgraaf en (hoog)heemraden hielden toezicht en deden rechtspraak over de polder- en waterschapszaken.
Heemraadsbode

Was de bode van een college van heemraden.

Heibaas, heier, handheier

Anders dan tegenwoordig werden bij het heien de (toen) houten palen vroeger met handkracht de grond ingedreven. Dit gebeurde niet alleen als fundering voor gebouwen, maar ook bij de aanleg van verdedigingswerken en bij het maken van dijkbeschoeiingen. In de loop der tijd is er een heel repertoire aan 'hei-liedjes' ontstaan, die gezongen werden op de maat van het eentonig werk. Meestal 'zong' de heibaas (opzichter, voorman bij het heien) het heierslied en zorgden de heiers voor de regelmatige cadans. Bij het slaan van de eerste paal was het dikwijls gebruik om wat los kruit te laten knallen. Ook was het een gebeurtenis als de laatste paal de grond in ging, vooral als het om een groter publiek gebouw ging zoals bij de fundering van een kerk, een stadhuis of een poort. Deze laatste paal werd eerst versierd rondgedragen waarna bij het heien daarvan men een 'menichte van burgers kinderen, so groot als kleyn, tot gedachtenis mede aan de heij trecken'.

Zelfs Constantijn Huygens wijdde hier enkele gedichtregels aan:

'Elk stelde er roem in, kind en maagd en jonge man,
Na jaren nog te kunnen zeggen:
Voor dat Stadhuis - die Kerk - of voor die Lange Jan
Heb ik de grondslag helpen leggen'. 1)

1) Ons Amsterdam, sept. 1956, pag. 124.

Heideboendermaker

Hier twee verschillende aanduidingen wat betreft de gebruikte heide:

  1. Boenders en bezems werden weleer gemaakt van oude dopheide. In maart en april werd deze dopheide met de blote handen geplukt. De heide kerfde de handen, waardoor uit tientallen wondjes tijden het plukken bloed te voorschijn kwam. De heide werd vervolgens gedroogd en daarna gebonden om er bezems van te maken. Een zeer zwaar werk, omdat de bundels stijf moesten worden aangehaald. Bezembinden was bij andere beroepen vergeleken een onaanzienlijk ambacht. Dikwijls ook was het seizoenwerk, dat bovendien nog slecht werd betaald. Daarom zal Gerrit Woutersen, "beesemmaecker, jonckgesel, woonende inde Cromsteech"(te Delft), toen hij 6 februari 1603 trouwde, het beslist niet al te breed hebben gehad 1). In 1827 werd in de omgeving van Apeldoorn nog maar één bezembinder gevonden 2).

    1) Jb.CBG 1956, pag.119.
    2) Dr. C.J.C.W.H.Arnold, Apeldoorn in opkomst, Zutphen 1971.


  2. Heideboenders werden vervaardigd van vooral wat oudere struikheide. Deheideboender was zeer stug en hard. Ze werden gebruikt voor het schoonmaken van melkpullen, melkmussen en pannen. Mijn Friese grootmoeder heb ik dat zien doen in de periode voor de Tweede Wereldoorlog, op een stoepje bij de sloot. Naast de heideboender werd schoon wit zand gebruikt om de pannen enz. nog fraaier en schoner te krijgen. Met touw werden de bosjes heide gebundeld en stevig aangesnoerd, met een hakmes recht afgehakt, nog wat glad gekrabd en in bossen van 12 of 24 gebundeld.

Het is mij (nog) niet bekend welke lezing de juiste is.

Heilige-Geestmeester

Bestuurslid van een Heilige-Geesthuis. Zij vormden vanaf de Middeleeuwen tot in de zestiende eeuw het parochiaal armbestuur, aangesteld door de plaatselijke overheid. Ook droegen zij zorg voor de wezen, vondelingen en verlaten kinderen. Na 1572 werden zij en hun instelling, daar waar het Protestantisme overheerste, vervangen door weesmeesters.

Heiligenbacker, heyligenbacker

De heiligenbakker (heyligenbacker), ook wel beeldendrucker genoemd, vervaardigde heiligenbeeldjes. Als grondstof werd pijpaarde (waarschijnlijk afkomstig uit de Maasvallei of het Rijnland) of terracotta, een mengsel van rode klei met pijpaarde, gebruikt. De beeldjes werden vervaardigd in mallen van hetzelfde materiaal. Om deze mallen te maken werd in de nog zachte klei een zogenaamde patrijs gedrukt, dikwijls een gesneden houten beeld. Als de klei voldoende gehard was, werd de patrijs verwijderd en kon de mal gebakken worden.
Voor een beeldje waren een voor- en achterkant nodig. In deze mallen, die eerst ingevet waren, werd dan pijpaarde gedrukt om het gewenste afgietsel te krijgen, waarna het bakken daarvan plaatsvond. Grotere voorwerpen maakte men door de onderdelen los te vervaardigen, met natte klei aan elkaar te plakken en het geheel te bakken. Na het bakken werden de beelden beschilderd. Via de patrijzen (mallen) konden uiteraard meerdere afgietsels worden vervaardigd. Er was handel in de beelden, maar ook in de mallen.
Het bakken werd wel ook wel uitbesteed aan een pottenbakker.

Bronnen:
Delf jg 17, nr. 3 Heiligenbakkers, S. Jongma; Middeleeuwse pijpaarden en terracotta heiligenbeeldjes in Zeeland, A. van den Dorpel, 2013; Pijpaarden mallen, Rijksmuseum van Oudheden.

Hellebaardier

Militair die met een hellebaard gewapend was. Later fungeerden de hellebaardiers vooral als lijfwacht.

Hengstensnijder

Hengstensnijder is degeen die hengsten castreert, tot ruin maakt.

Hengstmenner

Hengstenkoopman

Hennepklopper

De bastvezels van hennep dienden als grondstof voor allerlei touwwerk als kabelgaren en stroppen en voor weefsels als zeildoek en zeelen. Dit onder meer ten behoeve van de scheepsbouw , de scheepsvaart en de visserij. Na het roten en braken werd hennep met de hand geslagen oftewel gebeukt. Later gebeurde dit door hennepklopper- windmolens. Dit kloppen of beuken was de eerste bewerking die hennep voor de touwslagerij en zeildoekweverij onderging. In Amsterdam wordt bijvoorbeeld genoemd Aymon Payen, hennipclopper in de Nyeuwe steech. In 1585 betaalt hij ƒ 1,-- belasting. Dat henneptouw niet altijd voor mensvriendelijke bezigheden werd gebruikt weten we door de term 'hennepenvenster' oftewel strop. Vroeger sprak men dan ook wel van 'hij is met een hennepzeel geboren', met andere woorden: voor de galg geboren.

Heraut (wapenheraut)

Degeen die bij het openbaar optreden van een vorst uit diens naam bekendmakingen deed, plechtigheden organiseerde en leidde, soms ook wel als afgezant optrad. Tevens was hij belast met het toezicht op het voeren van heraldische wapens en het verlenen daarvan.
Om de registratie bij te houden vervaardigden zij de middeleeuwse wapenboeken. Daarbij waren zij de scheppers van de heraldische vaktaal (blazoenering), waarmee zij ook derden weerhielden kennis van hun arbeidsterrein te krijgen. In onze landen hield hun functie op door de vestiging van de Republiek. Bekend is de heraut van Gelre.
In het Zuidelijke Nederlanden bleven ze in functie tot aan de Franse tijd.
Helaas zijn de door hen opgestelde afstammingslijsten niet altijd even betrouwbaar. Soms wilde een familie “opgewaardeerd” worden, d.w.z. ze hadden bijv. behoefte aan een adellijke afstamming.

Herbergier

Een waard die een herberg exploiteert, d.w.z. een gelegenheid waar reizigers en anderen een tijdelijk onderdak en voeding konden vinden.

Heu(c)ker/hoe(c)ker, vr. heu(k)(ster, hoe(c)ster, hokester.

Iemand, die in het klein verkoopt, hetzij als venter of kramer (Drenthe), hetzij als winkelier in 't klein in kruidenierswaren (Groningen), hetzij en graan en meel (Noord- Holland). Heukeren is dan veelal scharrelen om aan de kost te komen, een armelijk leven lijden.

Hieltjesmaker

  1. Schoenlapper, die lapjes op de hiel van schoenen plaatste.
  2. Iemand die de hieltjes van kousen maakte.

Hobbeljongen, hobbelstudent, schommeljongen

Het Joodse volksdeel kocht geen dode vis. De vis voor hen bestemd werd daarom te Amsterdam aangevoerd in schuitjes, die in de visbun met zeewater waren gevuld, waarin de vis zwom. Haaks op de roeibank lag een plank, waarop een jonge man wijdbeens stond en de plank op en neer liet wippen, waardoor het water in de bun in een golvende beweging werd gehouden. Hierdoor bleef het zuurstofrijker en de vis levend. Ook aan de wal op de vismarkt stonden grote kuipen waarin het water op dezelfde wijze door een hobbeljongen in beweging werd gehouden. Door de afsluiting van het IJ in 1972 en het dempen van sommige grachten verdwenen de Amsterdamse vismarkten geleidelijk. Rond 1915 is ook het beroep van schommeljongen verdwenen. Het woord schommelstudent was meer een plaagnaampje.

Bron o.a.:
Dr. H. Polak, Amsterdam, die grote stad, Amsterdam 1936

Hoedendoosmaker, -maakster, ook wel hoedenkasmaker, -maakster

Vervaardig(st)er van hoedendozen, waarin hoeden werden getransporteerd en bewaard.
Het vervaardigen was als regel het gecombineerde werk van mannen en vrouwen.
De mannen knipten, vormden en plakten ze, de vrouwen decoreerden ze.
De man ging dan de straat op om de dozen aan de man te brengen, voor zover ze niet op bestelling werden geleverd.

Hoedenmaker


De hoedenmaker van vroeger begon met het vervaardigen van vilt. Dit proces noemt men ook vollen of walken en komt ook bijvoorbeeld voor bij de lakenfabricatie. Te dien einde nam men van enige wolsoorten, krimpwol genoemd, 'dunne lagen of vlokken, doet dezelve in eene met heet water gevulde kuip, waarin zamentrekkende stoffen gedaan zijn, werkt deze vlokken door kloppen en slaan nog meer in elkander, doet over deze eerste vlok nog eene tweede, derde, enz., tot dat de hoede eene behoorlijke dikte gekregen heeft. Dan wordt alles weder door klopping in elkander gewerkt, waarna de laatste laag, welke gemeenlijk van de fijnste wolsoort, of wel van het haar van konijnen, hazen, of bevers wordt vervaardigd, er over gelegd wordt.
"Eene zaak die men niet wel kan gelooven en echter zeer waarachtig is, is dat de Bevervellen waar op de Negers een tydlang geslaapen hebben .... meest geacht worden. Het lange hair is door dit middel uitgevallen, en het dons dikker geworden en bevochtigt door de uitwaasseming, bequaamer om gewalkt en verwerkt te worden" 1)
Dan wordt alles nog weder in elkander gewerkt, met lijm of andere stoffen tot meerderen zamenhang en stevigheid gebragt en door den vorm het bepaalde fatsoen gegeven. Hierna wordt zij zwart geverwd, gedroogd, geschuijerd, verder gevormd, wordt het leder en de voering er in gemaakt, en nu is de hoed tot het gebruik gereed.' 2)

Voor elke hoed werden de benodigde hoeveelheden (oorspronkelijk) beverdons, later ook otterhaar, hazedons, konijnehaar en haar van de bisamrat en lamswol afgewogen, gemengd en tot een lichte couche gemaakt met behulp van een gespannen boog. In enkele minuten werd zo een gelijkmatige laag van ongeveer 40 bij 60 cm verkregen. Die laag werd weer met de handen bewerkt om de haren te vervlechten. Dit gebeurde eerst met de blote handen, daarna met een leren lap. Deze couche werd bevochtigd en dan rond een mal in klokvorm gebracht. De uiteindelijk gevormde cloche werd binnenste buiten gekeerd zodat ook het dons voor de onderzijde van de rand kon worden aangebracht. Na terugdraaien werd de cloche op een mal gebonden, opnieuw vochtig gemaakt en net zo lang gefatsoeneerd tot hij er overal goed uitzag. De hoed werd op de vorm gedroogd, geruwd en in een bad geverfd. Daarna volgde het verven (in een oplossing van ijzersulfaat, kopergroen en lakmoes), waarna de nabewerkingen konden beginnen.
In Alkmaar had Adriaan Carlier, getrouwd met Maartje Glas, een hoedemakerij. Zijn jaarinkomen werd in 1742 geschat op ongeveer ƒ 600,-- 3)
Volgens een beroepentelling uit het Registre Civique van 's-Gravenhage van 1811 werden toen aldaar 1 hoedenfabrikant, 10 hoedenmakers, 1 hoedenreparateur en 3 hoedemakersknechts geteld. 4)
In 1816 had David Boon in Doesburg twee knechts in dienst, die ieder ƒ 3,-- a ƒ 4,-- per week verdienden. 5)








1) Le Clercq, Schouwtoneelen 2, pag. 131, 1739.
2) Korte en eenv. beschrijving van de voornaamste standen, beroepen, bedrijven en bezigheden in de menschelijke maatschappij, Groningen, 1843. (Herait-gegeven door Grolsch in 1973).
3) Alcmaria, pag. 14.
4) Die Haghe Jaarboek, 's-Gravenhage 1913.
5) J.W. v. Petersen, W. Zondervan, Oude ambachten en bedrijven achter Rijn en IJssel, Zutphen 1972.

Hoedenstoffeerder

Deze versierde en voltooide hoeden met pluimen, hoedbanden, gespen enz.

Hoefsmid

Smid, die (ook) hoefijzers smeedt en paarden beslaat.



Hoekwever

Wever van hoek, een ruig soort weefsel.
(verdere gegevens over hoek ontbreken)

Hoepbuiger

De hoepbuiger vervaardigde allerlei houten hoepels van gespleten wilgen- of populierenhout voor uiteenlopende doelen zoals tonnen, tobbes, vaten en kuipen, maar ook voor het vervaardigen van fuiken, die dienst deden om de rokken van vrouwen te doen uitslaan. Ook werden ze gebruikt voor aan de vang van windmolens.

Hoepelmaker
Veelal in combinatie met reepschrapper.

Het beroep vinden we bij de lagere delen van de rivieren, zoals bijvoorbeeld in het land van Maas en Waal, Oost-Brabant en rond de Biesbosch.
In Oost Brabant (Schijndel en Oss) werd dit vak veelal als thuiswerk beoefend. Zowel het klaarmaken van de hoepels (daar 'reep' genoemd) als het schillen van het hoepelhout ('reepschrabben'). Elders werd ook bij de hoepelmakerijen zelf gewerkt.
Bij het kappen of snijden werden het griendhout in dunnere en dikkere soorten verdeeld en tot bossen gebonden. Deze bossen werden naar de hoepelmakerij of de thuiswerkers gebracht en daar in sloot of berm naast elkaar gezet en stevig geschraagd tot ze verwerkt konden worden. De stokken werden daarbij, nadat ze van de bast waren ontdaan, met de dissel op het kloofblok eerst in tweeën gespleten, een enkele maal in drieën met behulp van een kluft. De gekloofde stokken werden bijgesneden op de snijbank en tenslotte tot hoepel gebogen op de buigbank en hengst. Op de schijftafel werden de hoepels samengebonden via schijven tot een bos hoepels.
De hoepels kregen naar bestemming of afmeting verschillende benamingen. Men onderscheidde bijvoorbeeld kitteband, karreband, haringband, gewone tonnenband en zware rode tonnenband.
Per week vervaardigde een bekwame hoepelmaker 140 bos haringband of 120 bos tonnenband of 100 a 120 bos vierlingen.
In Oss deden vrouwen en meisjes het reepschrabben, elders werd dit als mannenwerk gezien.
Maatschappelijk stonden de hoepelmakers op de grens van huisindustriëel en kleine ondernemer.
Hoepelmaken gebeurde in sommige streken vooral in de winter. In de zomer werd dan doorgaans in de grienden gewerkt of polderwerk gezocht. Elders (langs de dijken van de Merwede) ging het hoepelmaken het gehele jaar door behalve als het langdurig hard vroor, omdat dan het hout niet te bewerken was. Het blijkt dat in dit gebied de kleinste soorten hoepels zelfs door kinderen gemaakt werden. Vooral voor het buigen was bij de langere stukken nogal wat kracht nodig, zodat dit het werkje voor de sterksten onder de mannen was.
In het streekmuseum in Beneden-Leeuwen is een grote verzameling met betrekking tot oude ambachten aangelegd. De manden en hoepelmakerijen nemen daarbij een ruime plaats in. Ze zijn verrijkt met de nodige lokale originele benamingen en een aantal foto's. Ook in het Sliedrechts Museum en het Nationaal Baggermuseum te Sliedrecht kan men de gereedschappen bekijken.
Dit vak heeft twee bijna vergeten spreekwoorden opgeleverd, beide op opvoedkundig terrein:
"Men moet een rijsje buigen als het nog teer is " en "'t Moet vroeg krommen, zal het een goede hoepel worden". Te oude tenen waren niet meer bruikbaar.

Hoepkoper

Was dehandelaar in hoep (wilgen- en populierentwijgen); mogelijk verhandelde hij ook de eindproducten van de hoepmakers.

Hoepsnijder

De hoepsnijder was degeen die de wilgen en populierentwijgen spleet voor het maken van hoepels.
Hoer

Publieke vrouw, d.w.z. vrouw die voor geld sexuele handelingen verricht.
In de impost van Delft van 1750 werd zij niet als zodanig vermeld. Wel kwamen vrouwen voor waarvan vermeld werd: "wordt onderhouden door vrienden". Een tactische omschrijving?
Hoevenaar

In Brabant pachter van een (belangrijke) hoeve, behorende aan een abdij of kerk, maar van 1648 af landshoeve genoemd. Deze pachter verpachtte doorgaans zijn eigen hoeve.
Hofmaarschalk

De waardigheidsbekleder, die belast was met het bestuur van de vorstelijke huishouding.
Hofmeester

Oorspronkelijk een waardigheidsbekleder aan het hof van een vorst, belast met het toezicht over de gehele hofhouding, de leiding van plechtigheden en feesten. Ook voornaamste huisbediende bij een groot heer, ook hoofd van het koks- en keukenpersoneel; bij de Marine de persoon die belastis met het bestuur van de officierstafel.
Hofprediker

De predikant die officieel geestelijke is aan het hof.
Hoge waarsman

Dijkgraaf
Holblokmaker, holse(n)maker

Volgens het Middelnederlansch Handwoordenboek was oorspronkelijk een holsche een muil met houten zool. Later werd dat woord via holblok (met als variaties holleblok, holsblok) ook voor klomp gebruikt. Een holblokmaker, ook wel holse(n)maker, was dus een klompenmaker (Oost-Nederland en Zwolle).
Holdraaier

Iemand die gaten (holten) maakte in allerlei materialen, bijv. de loop van een kanon of de naaf van een wiel. Waarschijnlijk is het werk een combinatie van boren en draaien.
Homan

Hoofdman van een schuttersgilde.

Hondenslager
Ook hondemepper, koddie of stokman.

Hondenslagers waren geen slachters van honden. Zij zorgden er dus niet voor dat men de hond in de pot vond. In feite zijn ze in twee richtingen actief geweest.
In de eerste plaats waren het personen, die in volledige of gedeeltelijke dienst als zodanig in opdracht van de (stedelijke) overheid functioneerden.
In de tweede plaats waren het kerkelijke functionarissen, die het trouwens niet alleen op honden hadden voorzien.

Het beroep hondenslager kent een lange geschiedenis.
In vroeger tijden waren er mannen, die van stad tot stad trokken om dit vak uit te oefenen, maar later werden ze in vele steden officieel in dienst genomen. In Amsterdam bijvoorbeeld, gebeurde dit in 1532. Deze stedelijke hondenslagers waren niet populair. Zij mochten de honden doden. Als regel hanteerden zij een zweep en/of een knuppel met ijzerbeslag en van een scherpe punt voorzien. Ten dele werden de honden gevangen en later doodgeslagen of verdronken. Meestal werd per (dode) hond betaald. Men had het vooral voorzien op honden als er epidemieën heersten, zoals pest, melaatsheid en niet te vergeten hondsdolheid, omdat men geneigd was ze als ziekteoverbrengers te zien. Bij de opdracht honden te vangen werden bepaalde honden uitgezonderd, zoals jachthonden en honden van de magistraat. Deze honden droegen ter herkenning een penning. Verder waren de honden, die de gildehuizen bewaakten en scheepshonden toegelaten. Ook kleine hondjes mochten gehouden worden, althans in Amsterdam. Wel moesten de eigenaren hun honden bij de hondenslager laten meten tegen betaling van een stuiver. Als de hond door een soort ring, beugel genoemd, kon springen, dan mocht hij blijven leven. In twijfelgevallen zal de hondenslager tegen betaling wel eens geholpen hebben een hond toch door de beugel te duwen. Dit meten van honden heeft onze taalschat met een spreekwoord verrijkt: Iets kan niet door de beugel. De honden die dat niet konden, moesten binnen acht dagen buiten de stad worden gebracht om afgemaakt te worden. Het spreekt welhaast vanzelf dat de hondenslagers lang niet bij iedereen populair waren. Mee omdat men dacht dat hondsdolheid vooral in de hondsdagen optrad, waren ze vooral in die periode actief.
De knuppel die gebruikt werd, noemde men ook wel kodde en de hondeslager 'koddie'. Dit woord leeft nu nog voort in het woord koddebeier. Beieren is een oud woord voor heen en weer zwaaien. Een koddebeier is dus iemand, die met een stok zwaait (dreigt) om boosdoeners te verjagen. De knuppel of stok was oorzaak dat men ook wel van stokman sprak.

De kerken waren kennelijk vroeger toegankelijker dan tegenwoordig. Op verschillende oud schilderijen van kerkinterieurs ziet men vaak een of meerdere honden afgebeeld, die ook wel eens een pootje oplichten bij een pilaar. Het was de taak van de kerkelijke hondenslager alle honden die het waagden "onder die sermoene en den dienst Godes'' binnen te sluipen er op staande voet weer uit te ranselen. In hoofdkerken had men doorgaans meerdere van deze meppers rondlopen. Op het platteland behoorde dit ambt vaak tot een van de baantjes van de schoolmeester.
Dirck Adriaensz. Valcooch, stelde onder meer in de 'Regel der Duytsche (d.i. Nederduitse) Schoolmeesters' van 1597 onder de "articulen en puncten daer toe de Schoolmeester in de kerck verplicht is te doen":

 ''t Geboeft sal hy ter kercken wt jaghen,
Oock bestellen dat de honden worden geslagen.'

Hij hoefde dus wel niet zelf met de zweep bij de deur te staan - en dat kon hij doorgaans ook niet, want hij was als regel tevens voorzanger of organist - maar moest er wel voor zorgen dat het gebeurde.
De tweede taak van de kerkelijke hondenslager of stokman was het bewaren van de orde onder de jeugd. Tijdens de kerkdiensten zaten de jongeren doorgaans niet bij hun ouders, maar bij voorkeur bij elkaar en zij waren toen (zoals ook nu nog) niet altijd even rustig. Waren ze te lastig, dan kregen ze met de zweep om de oren, maakten ze het al te bont dan werden ze wel in een hok gestopt.
In de jaren zestig van deze eeuw was in Tholen nog steeds een dergelijke figuur als stokman actief, zij het dat hij toen alleen tot taak had, de jeugd onder controle te houden. Hoewel hij toen niet meer het vroeger door de kerkelijke hondenslagers gebruikte middel, de zweep hanteerde, werd toch van hem verwacht dat hij de rust handhaafde.

Literatuur:
De Oude Tijd, 1872 pag. 124,189, 193; 1873 pag. 24, 97.
Ons Amsterdam, 1960, nr. 4, pag. 125
Nederlandse Historiën, 1988, nr. 4, pag.25; 1989, nr. 6, pag.219

Hoogheemraad

Oorspronkelijk alleen heemraad genoemd. Titel in sommige waterschapsbesturen in Holland en Utrecht. Om voor een dergelijke functie in aanmerking te komen moest men minstens 50 morgen land binnen het gebied van het hoogheemraadschap bezitten.

Hooploper

Een ongeoefende matroos in lage rang.

Hopbeschoeijer

Deze moest van ladingen hop de hoeveelheid begroten, het beschot aangeven.

Hopman

Kapitein, hoofdman over een vendel of compagnie.

Hoppenbrouwer

Brouwer van Bier met behulp van hop.

Bron:
WNT

Hordebreier, hordebreijer

De hordebreier vervaardigde vlechtwerken, bestaande uit staken waartussen (wilgen)tenen werden gevlochten voor verschillende doeleinden. Bij verdedigingswerken en afscheidingen van tuinen en weidegronden werden de staken in de grond gestoken waarna de tenen er tussendoor gevlochten werden.
Achter de horden probeerde men in de tijd dat buskruit en vuurwapens nog niet in gebruik waren, bijv. een vestingwerk zo dicht mogelijk te benaderen, waarbij de horden een zekere bescherming moesten bieden..
Gevlochten horden werden liggend gebruikt om een taluud te beschermen. Ook wel om omgeploegde grond te egaliseren, waarbij de boerenarbeider staande op een horde, waar een paard voor was gespannen, over het land werd getrokken.

Bron:
WNT.

Houtdraaier

Hoewel dit beroep ook thans nog bestaat, is het nu veelal onderdeel van een ander houtverwerkend beroep als meubelfabrikanten, timmerlieden, jachtenbouwers, wagenmakers en fluitenmakers. Er waren ook bedrijven, die zich speciaal op draaiwerk hadden ingesteld, bijvoorbeeld voor naven ten behoeve van wagenmakers, handvaten voor schopstelen, polsblokken (voor polsstokken, waarmee men over sloten sprong) en handvaten voor gereedschappen als vijlen. Men maakte voordat de bedrijven gemechaniseerd werden gebruik van draaibanken met de voet of met de hand aangedreven. In het laatste geval was bij de draaibank een groot wiel aangebracht, dat men met een handvat ronddraaide. Via een snaar of drijfriem kwam dan de as van de draaibank in beweging. In een aantal gevallen zorgde de draaier zelf voor de voortbeweging, in andere zorgde een ander voor de aandrijving.
Naast degenen, die gebruiksvoorwerpen of delen daarvan maakten waren en zijn er (nog) draaiers, die siervoorwerpen maken. Een enkele maal zijn er nu nog, die zich toegelegd hebben op het vervaardigen van enkele bepaalde producten als spinnewielen en stoelen.

Houtgraveur

Onder invloed van de Engelse graveur Thomas Bewick (1753-1828) maakte de houtgravure grote opgang als illustratiemateriaal. Anders dan bij de gewone houtsnede, waarbij in de lengte gezaagd hout werd gebruikt, zaagde men hard hout als palmhout overdwars. En in plaats van de steekbeitels, de gutsen, konden als gereedschap de graveernaald (= burijn) en getand gereedschap worden gebruikt, waarmee dat harde hout als een kopergravure kon worden bewerkt, maar door de dikte in de vormen van hoogdrukpersen mee worden ingesloten en afgedrukt. Een zeer bekende houtgraveur was Gustave Doré. De houtgravure werd van een kunstvorm een veel gebruikte reproduktietechniek, waaraan wel heel veel vakmanschap te pas kwam. Ondanks krachtige steun kwam het vak in ons land niet tot bloei. Onze markt was er te klein voor en zoals tegenwoordig met kleurendrukwerk liet men de gravures veelal elders maken.
Door de perfectionering van de fotografische rastertechniek door Meisenbach in 1882, werd omstreeks 1890 de houtgravure als massaproduct geheel verdrongen.

Literatuur o.a.:
Bamber Gascoigne, Prentkunst en drukwerk, Meulenhoff, 1988.
Koschatzky, De grafische kunsten, Nieuwkoop 1981.

Houthakker

Tegenwoordig worden bomen meest met behulp van een motorzaag gerooid. Vroeger was het handwerk en kwam de bijl er aan te pas. Het was een zwaar en hard maar slecht betaald beroep. Ook werd een zekere vakkennis vereist. Hij moest de juiste bomen uit kunnen zoeken, ze vellen, ze op de goede plek neer laten komen en ze vervoeren. Het vellen ging met behulp van de bijl, dunne bomen konden met behulp van een spanzaag omgezaagd worden en dikke bomen met een trekzaag. Dit laatste moest dan door twee man gebeuren. Afhankelijk van de doeleinden, hout winnen plus ontginnen of alleen hout winnen, velde men op twee manieren. In het eerste geval moesten de bomen gerooid worden, dat wil zeggen dat men eerst de wortels blootlegde, waarna deze werden doorgehakt of gezaagd. In het tweede geval spreekt men van pinnen, waarbij de stam boven de grond wordt omgehakt of afgezaagd. De stronk oftewel stobbe liet men dan staan. Deze stronken werden dan later soms verwijderd om dienst te doen als brandhout. Het vervoeren van de van takken ontdane stammen met een mallejan kennen we nog wel van de schoolplaten

Houtklover

De houtklover splijtte het hout.

Houtskoolbrander

Zie kolenbrander.

Houtsnijder

De houtsnijder komt ook nu nog wel voor. Eigenlijk is het geen goede aanduiding, want er wordt niet gesneden, maar met beitels en gutsen gewerkt. Het houtsnijden, zoals in Friesland, lag meer in de hobby-sfeer. Velen hebben nog wel een doosje of lepelrekje, dat op die manier van versieringen is voorzien. Nog kan men zo hier en daar daartoe voorgetekende houtwaren kopen.
Vaak was (en misschien is) het een oude timmerman die zich is gaan toeleggen op het vervaardigen of versieren van uiteenlopende werkstukken. In vroeger tijden werden huizen (o.a. schouwen), meubels, sleden en ook wagens van allerlei houtsnij- en beeldhouwwerk voorzien. Verder allerlei voorwerpen, die men in het dagelijks leven gebruikte als étagès, stoven, koekplanken en handvaten van bestek. Maar bijvoorbeeld ook gereedschappen. Gebruikt men tegenwoordig goed te bewerken zachtere houtsoorten als linde, esdoorn en tamme kastanje, vroeger ging men onder meer het harde eikenhout en palmhout ook niet uit de weg.

Houttelder

Persoon, aangesteld om het talhout te tellen, d.w.z. hout uit dunne stammen en takken gezaagd.

(O.a. Keuren van Haerlem 1, 253,254)

Houtvester

Persoon belast met het beheer van en het toezicht op een bos of bossen van een zeker gebied. In het Land van Vianen bijvoorbeeld, kwam "Het Ampt van .... Houtvester en van Stadhouder van de Leenen" voor.

(Woordenb. der Ned. Taal).

Houtvlotter
Ook wel houtvoerder.

Bestuurder of vervoerder van houtvlotten, vlotten uit boomstammen of ander zwaar hout sameng­esteld met het oog op het vervoer daarvan. In het Groot Placaatboek 9, 833a wordt bepaald "Dat de vrye Vaart, het zij door zwaare Schepen of Houtvlotten niet worde belet".

Houtzager (houtsager)

Tot aan het eind van de zestiende eeuw, toen houtzaagmolens tot ontwikkeling kwamen, was de houtzagerij een kwestie van handwerk. Uiteraard was het een hard en eentonig werk, dat altijd met twee man moest gebeuren. Het zagen gebeurde met een z.g. raamzaag. Deze zagen er, zij het in grotere vorm, ongeveer uit als de spanzaag van tegenwoordig. Meestal gebeurde dit op de plaats waar het hout nodig was, bijvoorbeeld op scheepswerven of de bouwplaats van een huis. De te zagen stam werd veelal geheel of gedeeltelijk gekantrecht, dat wil zeggen, min of meer vierkant geslagen met een bijl of een dissel (soort bijl, waarbij de scherpe kant overdwars staat). De balk werd dan op een zaagstelling of boven een kuil gerold, waarna de zaagsnede werd afgetekend en het zagen kon beginnen. De meester ging dan boven op de stam staan, wat het beste plekje was. De knecht stond beneden en als de wind ongunstig was kreeg die het zaagsel over zich. Ook moest hij steeds omhoog kijken. Een stuk zeildoek zorgde voor bescherming bij felle zonneschijn of als regen en wind tegen gehouden moesten worden.
In sommige plaatsen maakten de houtzagers al vroeg deel uit van een gilde. In Utrecht bijvoorbeeld behoorden ze tot het verzamelgilde van de Bijlhouwers, waarin allerlei mannen, die zich op de een of andere wijze beroepsmatig met houtbewerking bezig hielden, verenigd waren.





Met het ontstaan van de houtzaagmolens (in de Zaanstreek), die de kracht aan de wind ontleenden, veranderde begin van de zeventiende eeuw de aard van het zaagwerk. De eerste molen die met behulp van windkracht kon zagen werd door Cornelis Czn van Uitgeest in 1592 gebouwd in Uitgeest. In 1593 ontving hij octrooi op de zagende molen en bouwde hij een tweede experimentele molen op een vlot. Dit was geen succes en de vlotmolen werd verkocht naar Zaandam alwaar ze in 1596 op het land werd geplaatst en zo de basis vormde voor de latere paltrok houtzaagmolens. Meestal waren de molenzagerijen maar kleine bedrijfjes, waar zo'n twee tot vier mensen werk vonden. In het midden van de vorige eeuw verdienden de knechts bij de Amsterdamse molens ongeveer vijf tot zes en een halve gulden per week met daarenboven vrij wonen en brandstof (houtafval).

Bron:
J.J. (Jaap) Kamphuis, Zaandam.

Houwer

Iemand die houwt, hakt. Een term, die in verschillende combinaties voorkomt, o.a. als veenhouwer (= veenhakker), beeldhouwer, vleeshouwer (= slager).

Huidenkooper

Handelaar in huiden. In Amsterdam was dat bijvoorbeeld Jan Jacobsz. Huydecooper, die tevens leerlooier was. Bovendien bezat hij een steenbakkerij en een ververij buiten de Regulierspoort. In 1585 werd hij aangeslagen voor f 30,--, bij zijn overlijden liet hij een vermogen na van f 170.000,--.
Engbert Cornelisz. Gout, geb. 1885 was te Vianen meester-schoenmaker, leerlooier, huidenkoper en belastingpachter. 1)
Op de Lauriergracht te Amsterdam heeft een borstbeeld gestaan van de burgemeester Huydecoper, die ook heer van Maarseveen was. 2)

1)  Jaarboek CBG 1984, p. 163.
2) Mr. J. v. Lennep en J. ter Gouw, De Uithangteekens, eerste deel pag. 233,234.

Huide(n)vetter

Eigenlijk degenen, die reeds gelooide huiden met vet insmeren, doch bij uitbreiding toegepast op het gehele bedrijf, dus dan gelijk aan leerlooier, iemand die huiden tot leer verwerkt.

De achternamen Huyvetter (met variaties) en door samensmelting Duyvetter zijn aan dit beroep ontleend.

Hui(c)maker, huucmaker, hoocmaker, hoykemaker

Een huikmaker is iemand die huiken maakte. Dit kledingstuk was een capevormige mantel zonder mouwen, een kledingstuk, dat zowel door vrouwen als door mannen werd gedragen. De vrouwen droegen de huik op het hoofd, waartoe de ruimte van de stof was bijeen gerimpeld en met behulp van baleinen een handvat vormde, waardoor men de huik gemakkelijk kon aan- of afdoen. Dit kledingstuk was vooral in Duitsland en de Nederlanden algemeen in de zestiende eeuw en hield stand tot in het midden van de zeventiende eeuw.
Men kende ook een kraam- en een rouwhuik. Als begrafenismantel had de huik een langer leven, op Wieringen zelfs tot het begin van de twintigste eeuw.
Aan dit kledingstuk is de term "onder de huik trouwen" ontleend, dat wil zeggen, trouwen terwijl de vrouw reeds moeder was, waarbij het kind onder de huik van de bruid werd gehouden om gewettigd te worden.

Huisman

In de middeleeuwen onder het leenstelsel de naam voor de gewone vrije man en in het bijzonder de vrije boer; later meer algemeen boer, landman, plattelandsbewoner in het algemeen. Vroeger zeer algemeen voor boer, akkerman, bestuurder van een boerderij.