Daggelder

Iemand die voor dagloon werkt, met name landarbeiders, die zich verhuren voor allerlei boerenwerk zoals spitten, ploegen, zaaien, maaien, enz.

Dag-huurder
        -loner

Aangenomen geslachtsnamen Ede 1812-1826

Dagwacht 

Iemand die overdag wacht houdt in de stadspoort.

Dakpannenbakker

Zie Pannen(dak)-

  • pannenbakker

Damastwercker (-wever)

Men kende verschillende soorten damast. Oorspronkelijk is het een zijdeweefsel. Het woord is afgeleid van Damascus, waar de kruisridders reeds fraaie zijden weefsels aantroffen. Later gebruikte men ook linnen, halflinnen en katoenen garens.
In beginsel wordt damast uit één soort garen vervaardigd in een effen kleur, maar door de verschillen in lichtweerkaatsing van de ketting en inslagdraden komen de patronen toch duidelijk uit.
In het begin gebruikte men damast voor verschillende doeleinden, zoals kleding, behangsel, gordijnen en bekledingsstof voor meubelen, later vooral als tafellinnen. Men kende dan ook verschillende soorten damast. Jacquarddamast werd op een jacquardweefgetouw vervaardigd.
Matrasdamast (damasttijk) wordt met grote patronen in twee kleuren met een kettingsatijn als grond en meestal een inslagsatijn voor de figuren geweven. Zogenaamd origineel damast wordt op een speciaal getouw vervaardigd. In de tweede helft van de vijftiende eeuw begon men in Vlaanderen figuraal damast van linnen garens te vervaardigen Bij het beelddamast overheersten in het begin bijbelse voorstellingen, later ook historische gebeurtenissen. Opvallend zijn de damasten met "banquet op tafel", dat wil zeggen met een patroon van borden, bestek en opgemaakte schotels. Motieven waren verder bijvoorbeeld druiveranken, eikebladeren, familiewapens, goden, godinnen, jachttaferelen en patronen op bestelling.
Doordat op het eind van de zestiende eeuw veel Vlamingen naar de noordelijke Nederlanden uitweken, ontstond ook daar een bloeiende damastweverij.
Zo kreeg in 1595 Paschier Lamertijn, de in die tijd beroemde damastwever, te Alkmaar octrooi op zijn "konst om in 't linnen te weven door trekwerk allerhande Beelden, Historiën, Veldslagen ....".
De damastwever schoot de spoel door de draden van de schering aan de hand van een weerkaart, waarbij hij per dag zo'n zestig centimeter vorderde. In de negentiende eeuw stierf het ambacht bijna uit, maar tegenwoordig is er een hernieuwde belangstelling.

Damhouder

Toezichthouder op de verlaten en duikers. Een verlaat is een schutsluis(je) voor kleine scheepvaart en duikers zijn kokers of doorgangen onder een weg, dijk of dam, die water afvoeren of inlaten.

Damlooper

1701 (2x) Gilderechtboek Groningen

Dammeester 

Heemraad, belast met toezicht over een dam of (zee)dijk.

Dansmeester

predicatieOnder "dansen verstaat men de kunst, om met vaardigheid de beweging der voeten, of de zoogenaamde passen, naar eene bepaalde maat, interigten. Zij, welke in deze kunst aan anderen onderricht geven, worden Dansmeesters genoemd." 1)
Oorspronkelijk was het dansen in de Nederlanden - zij het met beperkingen - geaccepteerd: "Wordt ook scherpelijck verboden op de voornoemde dagen .... Dansscholen of Kaetsspellen te openen, daer te spelen ofte gaen sien spelen .... voordat die Hoogh-Misse sal ghedaen wesen (Place, van Brabant 1,60a van 1579).
De salondansen behoorden oorspronkelijk bij de hogere klassen van de maatschappij: het hof, de adel en later de gegoede burgerij. De laatste groep wilde zich spiegelen aan het hof en nam de hofdansen als voorbeeld, maar ontwikkelde ook eigen dansen, waarvoor minder regels en technische vaardigheid nodig waren.
In de noordelijke Nederlanden van de zeventiende eeuw werd vanuit de kerkelijke hoek fel op de dans gereageerd.
Zo heeft Casper Luiken wel een tekening van een dansmeester gemaakt, niet voor een Nederlandse publikatie maar voor de Abbildungen der Gemein-Nützlichen Haupt-Stande (Regensburg 1698). 2)
En in een kijkboekje van de muziekafdeling van het Haagse Gemeentemuseum, dat een overzicht geeft van de ontwikkeling van de dans vindt men alleen buitenlandse instructieboekjes. Het enige, in de Nederlandse taaigeschreven , is de "Predicatie tegen 't Danssen", uitgegeven door Joannes Naeranus te Rotterdam. 3)

1) Korte en eenvoudige beschouwing van de voornaamste standen, beroepen, bedrijven en bezigheden in de menschelijke maatschappij, M. Smit, Groningen 1843.
2) Die Skizzen zum Standebuch der Jan Luiken, M. Wagner, Freiburg.
3) De glorie van het dansen/ The Glory of Dancing, Kijkboekje nr 7, D. v.d. Hut en M. Kyrova, Den Haag, 1987.

Darmsnarenmaker

darmsnarenmakerDe vervaardiger van snaren voor muziekinstrumenten, later ook voor (tennis)rackets en voor de als "catgut" bekende soorten chirurgische garen. hiervoor werden speciaal de darmen van geiten en schapen gebruikt.
Reeds de oude Egyptenaren, Grieken en Romeinen maakten gebruik van dergelijke snaren. 1)

1) De illustratie is ontleend aan de Encyclopedie van Diderot en d’Alembert(1762-1777)

Darmwasserij

Dit is een oud maar nog steeds bestaand beroep. Tegenwoordig gaan veel darmen naar China om daar tot worstenvelletjes verwerkt te worden.
Vroeger werden darmen van geslachte paarden, schapen, varkens, ezels, honden en katten voor uiteenlopende doeleinden gebruikt. Varkensdarmen veelal direct bij de slacht (huisslachten) voor zover ik mij herinner.
Het prepareren van darmen was geen aangenaam werk. De stank en smerigheid waren voor een buitenstaander onverdraaglijk. Ook de darmenwassers zelf stonken.

In de bedrijfsruimte stonden houten vaten, bakken en kruiken, gevuld met darmen in verschillende stadia van ontbinding. Bakken, kruiken en de werkvloer waren bedekt met halfverrotte resten, uit de darmen afkomstige uitwerpselen en vies goor water. Buiten was een stort voor die uitwerpselen en een vloer waarop dierlijk materiaal werd uitgespreid voor het kweken van maden. Deze werden verkocht als voer om kippen en ander gevogelte te mesten en aan vissers.

De darmen die men wist te verwerven werden in kuipen opgeslagen en zo snel mogelijk ontvet. De verse darmen werden bevochtigd en vastgeknoopt aan een pen. Met de ene hand werd de darm gespannen en met een mes in de andere hand werd het buitenste vlies en aanhechtend vet afgeschraapt. Gescheurde en beschadigde delen werden verwijderd. De schraapsels werden verkocht aan een zeepziederij. De afgeschraapte darmen werden in een half met water gevuld vat geworpen en dan stuk voor stuk binnenste buiten gekeerd, waarbij men op moest passen dat de darm niet scheurde. Na het omkeren werden de darmen in bosjes met één aan elkaar gebonden waarna een rottende gisting volgde die ’s zomers twee tot drie dagen vergde en in de winter vijf tot acht dagen. Ze werden daartoe in tonnen opgeslagen. Bij te snelle gisting werd azijn toegevoegd om het gistingsproces af te remmen.
Na deze eerste gisting worden de darmen in een bak met water geweekt, waarna het binnenste slijmvlies gemakkelijk verwijderd kon worden. Dit was vrouwenarbeid.
Daarna volgde een tweede rotting door de darmen weer in water te leggen dat geregeld werd geroerd en ververst. Dit duurde twee tot drie dagen.
Het overgebleven middelste darmvlies moet worden gedroogd. Eerst werd de darm aan een zijde dichtgeknoopt en dan met een mondstukje opgeblazen. Aan het andere eind werd dan een andere darm vastgebonden waardoor de opgeblazen darm op spanning bleef. Dit proces werd herhaald tot een lange ketting ontstond. Daarna werd de ketting in water ondergedompeld om te controleren of de darmen lek waren.
De lekjes werden evenals eventuele scheuren afgebonden. De zo ontstane ketting werd buiten op houten stellingen gedroogd. Blootstelling aan wind, regen, vorst en directe zonneschijn moesten daarbij worden voorkomen.
Na droging werden alle bindsels en niet opgeblazen stukken verwijderd en de lucht uit de resterende stukken geknepen.
De goede stukken darm werden in een gesloten kast gezwaveld om het ontbindingsproces definitief te stoppen, daarna gebundeld. Ze zijn dan klaar voor de verkoop.

Waren de darmen bestemd om er snaren of pezen van te maken dan verliep het verwerkingsproces iets anders. Na het voorweken werden ze aan de buitenkant geschraapt, opnieuw geweekt, nageschraapt en opnieuw geloogd. Hierna worden ze door een nauwe ring heen en weer getrokken om ze soepel en glad te maken. Daarna naait men een aantal darmen aan elkaar.
Voor dikke pezen of snaren worden een variërend aantal van zulke einden in elkaar gedraaid, twee maal gezwaveld en gedroogd.
Voor dunnere snaren, bijv. zweepkoord wordt een zo’n eind getwist en gelijk op een frame gespannen.
Voor de dunste snaren (ten behoeve van de klokkenmaker) worden de darmen na het aaneennaaien over een houten bal, waarin meerdere mesjes waren gezet, getrokken. Enkele op die manier gevormde repen werden in elkaar gedraaid.

Bron:
A. den Ouden, Oude techniek (boek, uitgave van de Archaeologische Pers Uitgevers, Eindhoven).
(website: www.alexdenouden.nl)

Deken

Geestelijke in de Rooms-Katholieke kerk, staande aan het hoofd van een decanaat, boven een pastoor. Buiten de R.K.kerk stond de deken aan het hoofd van een gilde(van een ambacht), dan wel een schuttersgilde of een broederschap(bestaande uit leken).

Dekenfestonneerster

De dekenfestonneerster omboorde de randen van de wollen dekens nadat deze waren geweven.

Dekenstikker, dekenstikster

Stikker, resp. stikster van de vroeger veel gebruikte gestikte of gewatteerde dekens, bestaande uit twee lagen textiel, waarvan de bovenkant veelal voorzien was van een bedrukking, gevuld met o.a. textielafval of kapok, doorgestikt met speciale naaimachines om de vulling op zijn plaats te houden.

Dekker (dakdekker)

Het ambacht van dekker is het dekken van gebouwen, dat wil zeggen gebouwen van een dakbedekking voorzien.
Naar de verschillende manieren van dakdekken onderscheidde men koper-, lei-, lood-, riet-, stroo- en zinkdekkers. De koper- en looddekker, hadden tot taak " de voorseyde kappen en verder dak.... door het herdecken met coper oft loot op de bequaemste wijze van het inlecken te preserveren." 1)
De leidekkers (vroeger ook wel leiendekker, leyendecker, leydecker en lejdekker genoemd) geven "aan de leijen den vereischten vorm, zij slaan er de spijkergaten in, sorteren dezelve in twee of drie soorten naar de dikte, en leggen dezelve steeds zoo ver over elkander, dat de onderliggende laag voor het minste voo 2/3 der lengte van de leyen door de bovenliggende gedekt wordt." 2)
De proef om na de gezellentijd als meesterleidekker tot het gilde toegelaten te worden, vergde de nodige tijd. "Dat niemand over het doen van een Proef langer sal mogen besig zijn of werken, als ....3)
Een oudere omschrijving zegt: "De rietdekker is een ambachtsman, wiens werk het is huizen, boerderijen, hooibergen en molens met riet te dekken. Het dakspan word hierbij bedekt met rieten schoven, die vervolgens door den Rietdekker glad aangeslagen...worden. Het riet (en ook stro) wordt hierbij met een twijg of teen, de derwisch aan de dakroeden gebonden.
De strodekker dekt huizen met stro. Per vierkante meter strodak heeft men daarvan twaalf kilogram nodig." 4)

Iets uitgebreider komt dit op het volgende neer: Het werk van de rietdekker is altijd overgegaan van vader op zoon en van meester op knecht. Het vak kenmerkt zich door sterk streekgebonden werkmethoden. Elke streek en bijna iedere rietdekker kende/kent zijn eigen manier van werken met de daarbij behorende gereedschappen.
Dit gereedschap bestaat uit een dekstoel of dekklauw om op te staan, vroeger met één, later met twee haken, boomhaken om een balk op te leggen waarop de rietdekker eveneens kon/kan staan.
Verder dekslagen, dekspanen, drijfborden of kloppers om het riet gelijk te slaan, twijghaken, rechte naalden, ronde naalden of halve manen, een mes en 'knechten'. De bossen riet worden door een lat op hun plaats gehouden met behulp van deze knechten. Als het riet losgesneden, opgeklopt en met een draad vastgezet is, kan die lat er weer af tot de volgende rij.
Men begint bij de onderste laag, door eerst een dunne laag riet over de panlatten te spreiden. Daar op worden de rietbossen naast elkaar gelegd, waarover weer een lange ijzerdraad (bandgard, vroeger was dit een wilgenteen). Het riet wordt losgesneden, gelijk gewreven en opgeklopt. Vervolgens wordt een dunnen draad met de twijghaak door de rietlaag gehaald, om de panlat en de gard heen, met een tang aangetrokken en vastgezet Vroeger gebeurde ook dit met behulp van een twijg of wilgeteen. Dit om de ongeveer dertig centimeter.
De rietdekker controleert ook het vrijgekomen houtwerk (panlatten) en vervangt en/of repareert ze. Ook metselwerk aan de schoorsteen of het aanbrengen van vorstpannen behoort tot zijn werk
.

1) Bontmantel, Reg. v. Amst. 1, 189, 1683
2) Pijtak 319
3) Handv. v. Amst. 1387 b van 1691
4) Handboek der Pionierk. 1, 69

Delver

De zand-en grinddelver baggerde de grondstoffen voor wegenaanleg, steenfabricage (en later betonbouw) uit de rivierbodem. Oorspronkelijk en beperkt gebeurde dit eeuwenlang met behulp van de hand- of de hijsbeugel, waarbij gebruik werd gemaakt van menselijke spierkracht.
een beugel bestond uit een lange stok met onderaan een ijzeren ring (de eigenlijke beugel), waaraan een zak of net was bevestigd.
beugelaars voor de Amsterdamse stadspoorten
Door de stok tegen de schouders te laten rusten kan de delver of baggeraar zijn twee handen gebruiken om op de bodem zijn beugel vol te trekken, die daarna op te tillen en in een schuit of op de wal te legen.
Voor het baggeren op wat grotere diepte moest de beugel door twee mannen bediend worden. Al vrij gauw werd een eenvoudige installatie geplaatst met een lier of katrol, waarmee de beugel vol werd getrokken en meestal ook boven water getild.
Ook werd grind onder meer op de Veluwe gedolven, waarlangs vroegere waterlopen grindafzetting plaats had gevonden. Nadat men een groot gat had gegraven om bij de grindhoudende laag te komen werd de grindhoudende grond uitgeschept en met kracht tegen een soort schuinstaande zeef, de zogenaamde horde, geworpen. Het zand verdween door de zeef en het grind bleef over. Dit was de droge grinddelving. 1)

Een heel andere vorm van delving was het darinkdelven, ook wel moeren genoemd, in Zeeland.
Het was een vorm van vervening, soms binnendijks, maar vooral buitendijks. Het veen werd uit de grond gespit, op hopen te drogen gezet en vervolgens verbrand. De as ging dan naar de zoutketen, waar er met toevoeging van zeewater wit zout uit werd gewonnen.
Hoewel er een goede afzetmarkt bestond, zodat ook de prijzen, die men maakte, gunstig waren, was de landvernieling, vooral buitendijks, dusdanig riskant voor de zeeweringen, dat de overheid in de eerste helft van de zestiende eeuw aan het darinkdelven een einde heeft gemaakt. 2)

1)  Diepers en delvers, geschiedenis van de zand- en grondbaggeraars, H. van Heiningen, 1991, Zutphen
2) Het bruine goud, S. van der Hoek, 1984, Amsterdam

Desertwerker

In de 17de en 18de eeuw liet men in de hogere kringen de feestmalen graag op met o.a. suikerwerken, gemaakt van een soort suikerpasta, dragant.


Destilleerder
Ook distilleerder of distillateur.
Zie ook 'Brandewijnbrander'.

Iemand, die zijn beroep maakt van het distilleren van sterke dranken.

In 1622 werd, zoals daar reeds werd vermeld, door Broer Jansz te Amsterdam uitgegeven: "een constich Distilleerboek, inhoudende die rechte ende waerachtige Conste, om allehande Wateren, Cruyden, Bloemen, Wortelen, ende alle andere dingen te leeren distilleeren, op 't alderconstichst beschreven door M. Philippum Hermanni". 1). dit was een Antwerpse apotheker. Het boek was vooral bedoeld als handboek voor collega's, want in het begin voltrok het distilleren zich nagenoeg uitsluitend ten behoeve van de geneeskunst.
Wijn is daarbij lange tijd de enige basis geweest voor alcohol. In niet-wijnproducerende landen werd er ook geëxperimenteerd met andere grondstoffen. Waar men al had ontdekt dat bepaalde graansoorten reeds werden gebruikt voor het brouwen van bier werd graan (voornamelijk gerst, tarwe, rogge en boekweit) geleidelijk eveneens in toenemende mate als grondstof voor het distilleren van alcoholische dranken gebruikt. het produkt heette eigenlijk ten onrechte coornwijn, maar vooral de naam brandewijn bleef in gebruik.
Caspar Coolhaes, predikant en hoogleraar in de godgeleerdheid werd op gegeven ogenblik ten gevolge van hevige twisten over kerkelijke zaken in zijn predikambt geschorst. Hij koos, om de kost voor zich en zijn gezin te verdienen, blijkens twee resoluties van de Staten van Holland (1590), het ambacht van stoker van gedistilleerd zoals anijs, venkel en jenever. (Men had op gegeven ogenblik ontdekt dat de smaak van de uit koren gestookte brandewijn verbeterd kon worden door bij de bereiding jeneverbessen toe te voegen.)
In een boekje zette hij niet alleen uiteen om welke redenen hij tot dit bedrijf zijn toevlucht had genomen, maar ook welke soorten dranken hij stookte en aan welke boeken hij zijn recepten had ontleend en voor welke kwalen zij bebruikt konden worden.

Bijvoorbeeld
"Aqua angelica, angelica water, tegen het fenijn"
"Aqua Boraginis, Bernagie bloemen water, drijft melancholie, sterkt het hart"
"Aqua Zodoariae, Zitwarwortel water, sterkt de memorie. zoo men een druppelken daer van in de ooren doet, so brenget den mensch het gehoor wederom en doodet de worm daerin, verdrijft de luysen, neten, schurfheyt enz."
"Aqua Cuminis, cummyn olie, bevordert de digestie." 2)

Vooral in tijden van misoogst en oorlog zagen de overheden met lede ogen dat zoveel graan in drank werd omgezet en namen daar maatregelen tegen. Zo werd in het begin van de zeventiende eeuw door de Staten-Generaal bepaald dat het stoken van brandewijn uit alle graansoorten verboden was. In 1606 werd het verbod weer opgeheven. maar ook later kwam men met soortgelijke bepalingen. De Magistraat van Doesburg liet bijvoorbeeld in 1699 de helmen van alle aldaar aanwezige distilleertoestellen verwijderen. De stokers konden deze alleen terugkrijgen als ze onder ede verklaarden bij het branden van "genever geen koorngoed te gebruiken" 3)
Tweehonderd jaar na de publikatie van het boek van Hermanni schrijft Dr. S.F. Hermbstädt in zijn boek: De brandewijnstokerij (=alcoholstokerij) vormt tegenwoordig een van de belangrijkste vormen van plattelands bedrijvigheid voor alle bewoners van de meer noordelijker gelegen staten voor wie het genot van de wijn door dat van de brandewijn vervangen is.
In het begin van de negentiende eeuw is men begonnen het distilleren te vervolmaken. Als grondstof gebruikte men ondermeer granen als tarwe, rogge, gerst, haver en boekweit, maar ook mais, erwten, bonen, linzen en aardappelen konden als zodanig dienst doen. 4)
In ons land betekende de drankwet van 1881 voor vele bedrijven de doodsteek. Het daarbij ingevoerde vergunningstelsel dreef tezamen met andere beperkingen het vaak overmatige jenevergebruik steeds verder terug, zodat de afzetmogelijkheden aanzienlijk verslechterden.

1) De uithangteekens, Mr. J. van Lennep en J. ter Gouw 2, pag. 252
2) Oude Tijden 1870, pagina's 125-127
3) Oude ambachten en bedrijven achter Rijn en IJssel, J.W. Petersen en W. Zondervan, Zutphen 1972
4) Chemische Grundsätze der Kunst Branntwein zu brennen, dr S.F. Hermbstädt, Berlijn 1823

Deurwaarder

De gerechtsdeurwaarder is een openbaar ambtenaar, belast met de taken die bij of krachtens de wet, al dan niet bij uitsluiting van ieder ander, aan deurwaarders, onderscheidenlijk gerechtsdeurwaarders zijn opgedragen of voorbehouden. In de volksmond wordt vaak de term “deurwaarder” gebruikt.
Naast de gerechtsdeurwaarder bestaat echter ook de belastingdeurwaarder. Een belastingdeurwaarder kan in dienst zijn van de Rijksbelastingdienst. Ook kan deze in dienst zijn van een lagere overheid zoals een gemeente of een waterschap. Tevens assisteert hij bij rechtszaken.

Diamantbewerkers
Ook diamantwerkers

In India werden diamanten een paar eeuwen voor het begin van onze jaartelling reeds voor verschillende doeleinden gebruikt. In de middeleeuwen waren het voornamelijk de Spanjaarden, de Portugezen en de Venetianen, die het handwerk van diamantslijpen beoefenden en over Europa verspreidden. Toen de Spanjaarden een vierhonderd jaar geleden de havenstad Antwerpen veroverden, weken onder meer ook diverse diamantbewerkers uit naar Amsterdam. Vanaf het eind van de zestiende eeuw kwamen de diamanthandelaars en -bewerkers dus voor in de Noordelijke Nederlanden, speciaal in Amsterdam. Naast de sierdiamant nam (en neemt) ook het gebruik van industriële diamant hand over hand toe. Tot rond 1820 was het diamantbewerken vooral thuiswerk. In 1822 werd de eerste 'paardenfabriek" in werking gesteld, waarbij paardenkrachten de vroegere 'molendraaisters' vervingen. In 1840 kwam de eerste stoomslijperij in bedrijf.
Van 1750 tot 1790 liep het aantal diamantbewerkers terug van zo'n 600 tot nauwelijks 200. In de tijd van malaise kon de niet-joodse handwerksman niet op tegen zijn joodse collega's, die met  een lager loon genoegen namen en bij het thuiswerk vaak hun hele familie inschakelden. Om ze daarom uit de branche te weren stelden ze dat de niet-joden de joden een examen zouden afnemen. Deze poging tot discriminatie vond geen genade bij het stadsbestuur daar : 'de Jooden de negotie van de diamante hier ter stede hebben opgerecht'.

diamantslijperBij het diamantbewerken onderscheidt men verschillende funkties:
diamantzager, die achtkantige ruwe diamanten in de gewenste vorm zaagde;
diamantklover(kloofster), die de diamant de vorm van een zuiver kristal geeft en de onzuivere gedeelten verwijderd;
diamantsnijder(snijdster), die de gekloofde diamant door schuren en wrijven de grondvorm geeft;
diamantslijper, die de diamant de uiteindelijke vorm geeft, waarbij de
diamantversteller de te slijpen diamant telkens zo in de dop vastzet, dat het te slijpen vlak boven ligt.

De illustratie van Jan Luiken laat zien, dat de beweegkracht van de slijpsteen inderdaad door een vrouw, de molendraaister,  werd geleverd. Dit werk werd ook door kinderen verricht.

Literatuur:
Woordenboek der Nederlandsche Taal, Sdu, Den Haag 1993
Grote Winkler Prins Encyclopedie, Elsevier, Amsterdam 1968
Amsterdam, City of Diamonds, N. van der Zwet  Slotenmaker, Diamond Foundation Amsterdam 1986.
Vier eeuwen diamant, Roelie Meijer en Peter Engelsman, Uniepers, Amsterdam 1986.

Diefhenker
Ontleend aan dieb(s)hencker.

Persoon die dieven ophangt, beul.

Diefleider 

Dienaar van de schout, belast met het aanhouden en ter terechtstelling voeren van dieven, andere misdadigers en wetsovertreders. (Diefleiderschap is het ambt van diefleider).

Dienstbode

Thans vooral vrouwelijk persoon, die bij een ander in loondienst is om huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Vroeger was dit begrip uitgebreider: 'Dat onder sodanige domestique dienstboden begrepen te zyn alle staatjuffrouwen, gouvernants van mesnage ofte kinderen, inwonende naeysters, minnens, opsienders, secretarissen, pedagogen, pages, kamerdienaars, hof- ende stalmeesters, comtoir-, winkel- ende kelder-knegts, winckel-dochters of meysjens, koetsiers, hoveniers, ende generalyk alle andere knechts, jongens ende maagden, hoedanig die ook mochten werden genaamt, soo wanneer deselve maar in dienst en kost van ymand zyn, ofte dat andersints het kostgeld apart, ofte met ende beneffens 't loon in eene massa bedongen of begrepen is,' 1)
'Om te beletten de desorders ende confusien voort-comende uyt causen dat de Knaepen, Maerten ende andere Dienst-boden hun dickmaels verhueren aen twee of dry diverswche Meesters,' 2)

1) Utr. Placaatb. 2, 890a, 1692.
2). Vl. Placcaertb. 4, 407, 1703.

Dienstman
Ook dienestman.

Dit was geen beroep maar een funktie. Deze hield in dat de betreffende persoon jegens een persoon of lichaam, dat wil zeggen jegens de bezitter van zekere goederen of rechten, meestal krachtens een leenband, verplichtingen had, in het bijzonder tot het verrichten van gewapende dienst. Dit was vooral van toepassing op de een aanzienlijke stand vormende, maar aanvankelijk onvrije vorstelijke en bisschoppelijke beambten of de uit deze beambten voortkomende stand 1)

1) Zie ook: 'De adel door de eeuwen heen' (II), W.H. Morel van Mourik, Ons Erfgoed 1994 nummer 4, pag.

Dieper

Aannemer van rivier- en baggerwerken.
Afgeleid van diepen, het dieper maken, uitdiepen: Die keuren, op die waeteren en het diepen ende onderhoudt van dien gemaekt 1).
Een van de methoden was het gebruik maken van de stroom door water op te stuwen en dat dan te spuien. Soms maakte men daarbij gebruik van 'krabbelaars' of 'mollen'. Reeds in de stadsrekening van 1435 zijn kosten opgevoerd om een mol van nieuwe ijzeren tanden te voorzien. Deze mollen of krabbelaars waren scheepjes, waarbij uit de bodem ijzeren eggen werden neergelaten. Deze dienden om de grond los te woelen, zodat deze gemakkelijk kon worden weggespoeld.
Als bij de delvers is ook bij de diepers waarschijnlijk de beugel het oudste werktuig geweest.
In de zestiende eeuw begon men gebruik te maken van moddermolens, waarbij de modder met behulp van tredmolens, door mankracht aangedreven werd opgebaggerd. De modder werd in een schuin liggende goot omhooggeschoven door een daarboven draaiende eindeloze keting waaraan plankjes zaten. Die goot (of ladder) liet men met een eind naar de bodem zakken an als de schoepenketting dan draaide kon men de modder over het boveneind van de goot in een schuitje laten lopen. Dit systeem werkte goed in niet te diepe en modderige wateren zoals het IJ en de Amsterdamse grachten. Naast de door menskracht aangedreven moddermolens ontstond er ook een constructie, waarbij de tredwielen vervangen werden door een rosmolen, aangedreven door paardekracht. 2)


Moddermolen op menskracht, zeventiende eeuw
Moddermolen op paardekracht

1) Bijdragen Hist. Genootschap 24, 120, anno 1564.
2) Diepers en delvers, H. van Heiningen, Walburg Pers  Zutphen 1991.

Dijk-

Lang was de regel van kracht: Wie 't water deert, die 't water keert. Met andere woorden: De eigenaars, waarvan de landerijen aan water lagen (zee of rivier, of andere waterloop) moest voor de bedijking en het in stand houden van die bedijking zorgdragen. Soms stond daar het recht van landaanwas tegenover. Die eigenaren waren echter niet steeds in staat hun stuk dijk goed te onderhouden. Ze konden dan een mestvork of spa in de dijk steken, waarmee ze afstand van hun land en plichten deden. Het land werd dan verkocht aan iemand of organisatie, die dat onderhoud wel op zich kon nemen. Zo heet in Schiedam een wijk Spaland, welk woord nog aan dit gebruik herinnert.
Geleidelijk aan groeide het besef dat ook anderen van die dijken profiteerden en eigenlijk medeverantwoordelijk waren. Zo zijn er naast voorschriften betreffende het aanleggen en het onderhoud van dijken organisaties ontstaan, die zich bezighielden met het waterbeheer, waaronder ook het beheer van dijken viel: de waterschappen (in Groningen zijlvesten genoemd). Grotere watertschappen worden ook wel hoogheemraadschappen genoemd. In Holland en Zeeland, waar al vroeg een sterk gezag was, hebben de graven reeds sedert de dertiende eeuw de zorg voor de waterstaatsbelangen met kracht ter hand genomen. Door het groeien van deze organisaties ontstonden verschillende functies en beroepen, hetzij als volledige, hetzij als neventaak. In verschillende oude stukken kan men allerlei regelingen en voorschriften tegenkomen. Enkele voorbeelden zijn: 'In der Schouwe (sullen) wesen eenen Dyckgreef, seven Dyckheemraden (het dagelijks bestuur), gekozen door de ingelanden (de stemgerechtigden), eenen Dyckschrijver, ende eenen Dyckbode". 1) 'Een Polder .... , die onder 't oppzigt staat van eenen Dykgraaf, drie Dijksgezworens, eenen Penningmeester en eenen Boekhouder.". 2)
Zo kent men onder meer in alfabetische volgorde de volgende beroepen en functies:
- Dijkbaas, opzichter over een dijk.
- Dijkbode, de beambte die onder meer aanzeggingen doet en gelden ophaalt voor een dijkbestuur; 'Den Boode van yder Dorp (sal) het Boodeampt, als Dyksbode, gedurende den tyd van twee jaren waarnemen.' 3)
- Dijkgraaf. Deze is voorzitter van het dagelijks bestuur van het waterschap. Tegenwoordig wordt hij telkens voor zes jaar benoemd door de Kroon. In het oosten en zuiden van het land wordt hij watergraaf, in Groningen dijkschepper genoemd.
- Dijkmeester, ambtenaar belast met het toezicht op de werkzaamheden aan een dijk. 'Tot Dyckmeesters te stellen goede, getrouwe, experte persoonen, hun dies verstaande, omtrent den dyck woonende ende redelyck gegoet.' 4)
- Dijkmeter, ambtenaar belast met metingen op de dijk. 'Den Dykboode, die mede is Dykmeter,' 5) 'Item, sal als Dykmeter voor het doen van de tienjarige metinge, genieten de somme van hondert guldens,' 6)
- dijkrechter (-richter), overheidspersoon belast met toezicht over dijken (dijkgraaf). 'Dijkrichter en heemraden van Oostzaan erlangden die machtiging, 19 Augustus 1802, van het Departementaal bestuur.'
- dijksschepen, lid van een dijksbestuur, dijkheemraad.
- dijkschrijver, secretaris van een dijksbestuur. 'In geval sy sich daer over in der vrundtschap niet en konden verghelijcken, sulle sy .... ten beyden zijden aan handen des Dijck-schrijvers overleveren memorie. 7)
- dijkwerker (dijker), de arbeider, die het werk aan de dijken verricht(te). (Eten als een dijker)

1) Geref. Dyckr. van Tielre ende Bommelrewaert
2) Tegenw. Staat der Ver. Nederlanden, 2, pag. 187
3) Handv. van Assendelft, pag. 299, 1719.
4) Utr. Placaatb. 2, 68b, 1553.
5) Utr. Placaatb. 2, 84a, 1650.
6) Utr. Placaatb. 2, 84b, 1650.
7) Geref. Dyckr. van 't Rijck van Nijmegen V,3.

Dischmeester

Dischmeester komt in twee betekenissen voor: Tafelmeester en armmeester.
'Datmen gheen Kercke, Heyligh Gheest, Disch, ofte Arm-meester voor die Jaerschaere nemen zal, die .... 1)

1) Vl. Placcaerdtboek 3, 32, van 1646.

Dobbelmeester 

Ambtenaar belast met het toezicht op dobbel- en hazardspelen.

Dobbelsteenmaker
Ook terling- of teerlingmaker genoemd.

Claes Cornelisz, 'terlingmaker' aan de oostzijde van de Nes te Amsterdam. In 1585 aangeslagen voor f 1,--

Dokter
(Medicus)

In de zestiende en zeventiende eeuw waren er nog weinig dokters en die weinigen oefenden hun praktijk vooral in de grote steden uit. Zo telde Gouda, toch een stad met zo'n twaalfduizend inwoners geen enkele medicus, zodat de vroedschap de burgemeester verzocht tot elke prijs een stadsdoctor aan te trekken.
Eerst in 1575 begon de opleiding tot medisch doctor in ons land. Voordien moesten zij hun wijsheid elders op doen, hoewel ook daarna wel elders werd gestudeerd. In de eerste plaats was de dokter vooral in de beginperiode een theoreticus, die zijn kennis ontleende aan de boeken van Hippocratus en Galenus. De laatste heeft in de tweede eeuw veel geschreven. Aan het reeds bekende voegde hij veel toe en hij vatte het samen in een systeem, dat tot in de zestiende eeuw de medische wetenschap beheerst heeft, hoewel het bijna zeker is, dat hij zelf nooit een menselijk lichaam ontleed en bestudeerd heeft. Eerst Andreas Vesalius (Andries van Wesel), een Vlaams anatoom die leefde van 1515 - 1564, bracht daar verandering in. Hij studeerde te Leuven, daarna anatomie in Parijs. Van 1536 af was hij terug in Leuven, waar hij lessen in anatomie gaf. Eind 1537 promoveerde hij te Padua, waar hij ook anatomie doceerde. Zijn op eigen bevindingen steunend hoofdwerk is 'De humani corporis fabrica libri septem', met houtsneden van Jan Steven van Kalkar, dat in 1543 verscheen. Dit boek, waarvan ook spoedig in verschillende talen een verkorte versie verscheen (Epitome), geldt als het eerste moderne boek over de anatomie van de mens.
De medicus uit de beginperiode was een theoreticus, waarvan de kennis vooral op boekenwijsheid steunde. Eerst in de eerste helft van de zeventiende eeuw werd hij geconfronteerd met de zieke mens in de kliniek.
Geen arts zou zich in die begintijd veroorloven de geneeskunde praktisch uit te oefenen. Op zijn voorschrift werd het handwerk uitgevoerd door de chirurgijn en de vroedvrouw. Bij bevallingen, waarbij instrumentaal ingrijpen nodig was geschiedde dat door een gespecialiseerd chirurgijn, de vroedmeester. (In Delft en waarschijnlijk ook elders was ook de verzorging van de patienten in het pesthuis taak van een chirurgijn).

Was men onder meer onbekend met ziekteverwekkers en het overbrengen door ongedierte als ratten, muizen en vlooien, ook de verdere medische kennis was in de begintijd nog zeer gering. Ziekten, waarmee men destijds te maken had, waren onder meer pest, cholera, syfilis en malaria.
Hoewel een universitaire opleiding in de Noordelijke Nederlanden eerst in 1575 begon, werd reeds op 28 januari 1461 in Amsterdam een keur uitgevaardigd, waarvan het eerste artikel als volgt luidt: "..dat van nu voortaan niemand binnen deze stad, wie hy zy, eenige medicynen laxatieven, vomitieven, alteratieven, of eenige andere middelen of dranken, van wat natuur die wesen mogen, ordineeren mogen of die ingeven zal mogen, of praktiseeren, tenzy dat hy Doctor of Licentiaat gepromoveerd zy in eenige fameuse Universiteit, of dat hy alvorens geexamineerd zal zyn by de Doctores of medicynen hier ter stede praktiseerende, daertoe by den Gerechte dezer stad geordoneerd zynde, en by de voorzegde Medicyns proeve van zyne scientie en versochtheid gedaan sal hebben, en dat op boete van zes Caroliguldens zoo dikwyls hy ter contrarie".  Ook in andere steden waren overeenkomstige bepalingen van kracht.

Literatuur onder meer:
Medicyns, vroedwyfs en chirurgijns, dr. H.L. Houtzager, 1979, Amsterdam.
Oude- en Nieuwe Gasthuis, 1252-1977, G.G. Kunz, 1977, Delft.
Chirurgijns, Vrije Meesters, Beunhazen en Kwakzalvers, dr. M.A. van Andel, 1981, 's-Gravenhage.

Dolster

Een vrouw die buitendijks op het wad pieren stak voor de vissers. Als gereedschap gebruikten zij een drietenige greep (soort vork) om de pieren te steken. Dit zware werk verrichten zij ten behoeve van vissers die onder meer met hoekwand visten. Dit was een lange lijn met daaraan een aantal haken. Op iedere haak werd zo’n pier bevestigd. Voor één schip waren zo’n 6000 pieren nodig.

Bron: Het streekdrachtenboek, uitgave Waanders in samenwerking met het Nederlands Open Luchtmuseum

Doodgraver

doodgraverPersoon wiens ambt het is doden te begraven.
'De Kosters ofte Doodgravers, die gewoon zijn het recht of onkosten van het Begraven van de Dooden te ontvangen.." 1)
Het schijnt dat in de regententijd ook doodgraver een ambt was met een aanzienlijke jaarwedde, althans in Amsterdam. Het eigenlijke werk gebeurde dan door anderen. 2)

Vroeger werd ook in kerken begraven, wat alleen de meer gegoeden zich konden veroorloven. Napoleon verbood dit reeds en na 1825 zou het niet meer voorkomen. Dit verbod werd in de hand gewerkt door de lucht die deze graven verbreidden (Vandaar de term rijke stinkerds). 3)

1) Groot Placaatboek 4, 900 b, 1695
2) De Nederlanden, pagina's 30,31,  's-Gravenhage 1841
3) T.V.uitzending van Gewest tot Gewest: Grafstenen die tot de verbeedling spreken d.d. 16-8-1994.

Draaiers (draaijers)

De kunst om onderscheiden ruwe stoffen, door een daartoe geschikt werktuig, rond te bewegen en er dan, met beitels, eenen bepaalden vorm aan te geven, noemt men draaijen en de uitoefenaars dezer werking heeten draaijers.
Het kunstwerktuig, waarmede de rondbeweging geschiedt, noemt men draaibank, en is almede uitgevonden door Dedalus, welke nagenoeg 300 jaren voor J.C. in het voormalig Griekenland leefde. De werktuigen der draaijers bestaan hoofdzakelijk uit eenen langen, veerkrachtigen staak aan eene koord verbonden, welke koord om het voorwerp der draijing heenloopt, hetwelk dan door treden met den voet rondgeslingerd wordt en dan door eenen stil-rustende beitel in de handen des werkmans zijnen vorm moet erlangen, - of uit een groot rad, over hetwelk een snaar loopt, die ook tevens het voorwerp rondbeweegt - en welk rad, of ook met de voet des werkmans, of door eenen afzonderlijken draaijer moet rondbewogen worden. Deze laatste soort noemt men kunstdraaistellen, en werken veel gemakkelijker, sneller en zekerder, dan de eerste, eenvoudiger soort. Het voorwerp, dat men draait, loopt in twee ijzeren puntjes, terwijl de werkmeester den beitel moet besturen, om zijn voorgestelde doel te bereiken.
De ruwe stoffen, waarin de draaijer werkt, zijn: hout, been, ivoor, notenschalen, ijzer, koper, tin, lood enz. Hiervan vervaardigt hij: stoelen, knoppen, nappen, koppen, vaatjes, messenhechten, vorkenhechten, beitelhechten, hamerstelen, knoopen, de inwendige deelen van uurwerken, koffijpotten, ketels; zelfs de zware molenassen, de ankers der schippers en de nog zwaardere luidklokken worden gedraaid, Door middel van de draatstellen bewerkt men allerlei voorwerpen schoon, glad, effen en smaakvol, hetgeen door andere werktuigen niet mogelijk is. De kunstdraaijers verdienen, door de schoone en smaakvolle gewrochten van hunnen arbeid, onze bewondering en achting; terwijl zeker niemand, die eenigen smaak voor het kunstige en schoone bezit, het nut van hunne bezigheid zal ontkennen of betwijfelen. 1)

Ook iemand, die rond aardewerk draait met behulp van een pottenbakkersschijf.
'Wanneer de stoffen ... alle vereischte bewerkingen ondergaan hebben komen ze tot den Draaier en Vormer om ze verder de begeerde gedaanten te geeven...' 2)

1) Korte en eenvoudige beschrijving van de voornaamste standen, beroepen, bedrijven en bbezigheden in de menschelijke maatschappij, uitgegeven door M. Smit, 1843, pagina's 72,73.
2) Handw. 3,47.

Drapenier

In 1514 verklaarden de burgemeesters van Delft dat ".... de principale neringhe daer de stede bij staet, es brouwerie en de draperie.".. Belangrijke middelen van bestaan, niet alleen in Delft, maar ook elders.
Het is niet onwaarschijnlijk dat daarbij in de vroege middeleeuwen de 'wullewerckers' zelf hun wol inkochten via het lokale aanbod. Geleidelijk aan nam de vraag toe en ook ging men hogere eisen aan de geweven stoffen stellen. Het inkopen werd daardoor tijdrovender en stelde hogere eisen aan de financiële middelen, vooral toen men onder meer Engelse wol ging gebruiken. Daarbij kwam dat de wol alleen in bepaalde steden verhandeld mocht worden. In het laatst van de dertiende eeuw was Dordrecht een stapelplaats voor Engelse wol, later Brugge en omstreeks 1350 werd dat Calais, dat in 1346 door de Engelsen op de Fransen was veroverd. Voor Engeland was dat een ideale situatie, omdat zo een scherpe controle op tollen en uitvoerrechten uitgeoefend kon worden, waardoor de inkomsten van de Engelse koning veilig gesteld waren.
Dit alles heeft bevorderd dat de beter gesitueerde wevers en ook kooplieden de wol inkochten. De deelbewerkingen als wassen, spinnen, weven en vollen werden door hen uitbesteed aan loonwerkers. Zo werden reeds in de veertiende en vijftiende eeuw in de Zuidelijke en later ook in de Noordelijke Nederlanden de zelfstandig werkende ambachtslieden verdrongen door mensen, die zich in dienst van anderen, de drapeniers(later verkort tot drapiers) of lakenreders, stelden.
In handvesten en placaatboeken uit uiteenlopende steden komen bepalingen voor, die van toepassing waren voor deze drapeniers. Als vestigingsplaatsen voor de wolnijverheid in de Noordelijke Nederlanden waren vooral bekend Tilburg, dat destijds geen stad was en zo buiten de gildebepalingen viel, waardoor aldaar concurrerende prijsvorming kon ontstaan en Leiden. Na de val van Antwerpen in 1585 gaf de stroom vluchtelingen, ervaren in de moderne technieken een nieuwe impuls aan de saaiweverij, de "nieuwe draperie" en in de zeventiende eeuw was Leiden zelfs de eerste textielstad van Europa. Verschillende andere steden als Amsterdam, Delft en Utrecht hebben eveneens lakenindustrie gekend. In verschillende steden herinneren straatnamen nog aan dit oude ambacht. In Brabant (dat destijds als wingewest werd beschouwd) verplaatste dit 'wollewerck' zich tegen het einde van de achttiende eeuw naar het platteland, waar de arbeidskosten belangrijk lager waren.
Een achttiende eeuwse anonymicus schrijft in "De Koopman VI", pag. 248: "Daer is naauwlijks één handwerk, één Affaire te bedenken - die zoo geschikt is om veele menschen teffens en inzonderheid arme lieden aan een bestaan en aan brood het brood te helpen, dan de weeverijen; en wel inzonderheid die van de Lakenen, omdat daar nog zooveele andere kostwinningen aan verknogt zijn, buiten zelfs de verscheidene behandelingen van de wolle en het daar van gesponnen garen, vermits de zoo verscheiden behandelingen van de wol, van scheiden en dan van broeyen, wasschen, droogen enz. vlaaken, ploozen. smouten en schrobbelen, kammen enz. nog eer ze nog tot de sponders komt,  vervolgens van kaarden, spinnen, haspelen, strengen en winden, bevoorenzij naar 't weefgetouw gaat; dan van weeven, dan moppen, vollen, broeyen, reinigen, nogmaals moppen en zuivering, weder vollen, wederrouwen en wederscheeren, en zoo aan den verwer overgeeven, zonder hier te spreken van verwingen in de wolle zelf."
Volgens Carleton in zijn Lettres, mémoires et négociations, pag. 113 zouden in Holland  rond  1642 zo'n 25.000 stukken laken zijn afgeleverd. Volgens Kalff brachten negentig weefgetouwen tezamen wekelijks een vijftigtal stukken laken voort. Een stuk was 40 el lang en 65 pond zwaar.

Literatuur onder meer:
Delft, een verhaal van de stad en haar bewoners, D. Wijbinga, Rijswijk 1984.
Stof uit het Leidse Verleden, zeven eeuwen textielnijverheid onder redactie van J.K.S. Moes en B.M.A. de Vries.
De cadans van de getouwen. Heren en knechten in de Nederlandse textiel, A. Buter, Amsterdam/Brussel 1985.
Huiselijk en maatschappelijk leven van Amsterdam in de zeventiende eeuw, prof. dr. G. Kalff. pag. 197-203, Amsterdam 1911.
58 miljoen Nederlanders, 1977.

Drijver
Zie ook meekrapteler.

Iemand, die personen of dieren voortdrijft. De drijver werkte onder meer bij de meekrapproduktie in het stamphuis, waar de meekrapwortels fijngestampt werden. De stamper werd aangedreven via het principe van de rosmolen door drie paarden, die voor de beweegkracht zorgden. Deze aandrijving werd later vervangen door de stoommachine en de drijver door de stoker-machinist.1) Bij de jacht drijven de drijvers het wild op.

1) Zuid-Holandse Studiën deel VIII, pag. 144, Voorburg 1959.

Drogist

De drogisten werden in de zestiende eeuw materialisten genoemd. Zij werden stelselmatig buiten de gilden van de apothekers en cruydeniers gehouden. Toch verkochten ze veel kruiden, al dan niet op recept. In oorsprong staan cruydenier en drogist dicht bij elkaar.
Drogisten waren zij, die uit de drie natuurrijken, doch hoofdzakelijk uit het plantenrijk die ruwe stoffen verzamelden en de eerste bewerking deden ondergaan, welke voor de genezing van mensen en dieren dienstig geoordeeld werden of waaraan door de geneeskundigen een herstellend vermogen toegekend werd.
"De geneeskundige planten enz. bijeen te brengen; dezelve te droogen of op andere wijzen tegen bederf te behoeden; daaruit vervolgens aftreksels, geesten, zouten enz. te bereiden, ten einde deze geneesmiddelen aan apothekers, geneesheeren, of heelmeesters te verkoopen : dit alles behoort tot hun vak. Hieruit laat zich dus gemakkelijk begrijpen, dat tot dit beroep eene grondige kennis van de eerste stoffen, derselver behandeling en bewaring, bereiding tot geneesmiddelen, en derhalve ook van de scheikunde, alsmede oplettendheid, ondervinding en kunstvaardigheid vereischt worden.
Het vak van Drogist is zeer naauw aan dat van apotheker verwant; doch is hiervan onderscheiden, doordien de apotheker veeltijds van de drogisten de eerste geneeskundige voortbrengselen ontvangt en dezelve daarna aan  eene verdere scheikundige bewerking, samenstelling of ontbinding onderwerpt ; alsmede, dat de apotheker de onderscheidene bestanddeelen der geneesmiddelen, zoo als dezelve door de  geneesheeren zijn voorgeschreven, bereidt, ondereen mengt, kookt en tot gebruik in gereedheid brengt, hetgeen niet regtstreeks tot het gebied der drogisten behoort. ook wordt van den apotheker meerdere kunde geëischt; terwijl hij mede aan een streng toeverzigt onderworpen is en van alles naauwkeurig aanteekening moet houden, waarvan de drogisten vrijgesteld zijn. Hieruit volgt dus, dat het altijd veiliger is, om met de voorschriften der geneesheeren naar den apotheker, dan naar den drogist te gaan. ...." 1)

1) Korte en eenvoudige beschrijving van de voornaamste standen, beroepen en bezigheden in de menschelijke maatschappij. Uitgave M. Smit, 1843, pag.'s 52, 53.

Droller (drolster)

Arbeider of arbeidster aan een verdeelstoel of drolmachine, dat wil zeggen een werktuig, verdeelmachine, waarin de katoen een laatste bewerking van het voorspinnen ondergaat (vermoedelijk op de klank af gevormd naar het Engelse drawing-frame). 1)

1) Woordenboek der Nederlandsche taal, derde deel, tweede stuk, kol.. 3413 en 1315, Den Haag 1993.

Drooger
Ook droger.

Bij diverse vormen van voortbrenging kwam een droogfase voor.
Zo waren er bij voorbeeld visdrogerijen, drogerijen voor geneeskundige- en aromatische planten en drogerijen van ossebloed.
In de Beschrijving van Leyden is sprake van "twee ghesworen Drogers, wiens ampt ende offitie is alle 'tkeurgoet, twelck .... ter Camere sal werden gebracht, op haren Eedt nat te maecken, te crimpen, ende weder te drooghen."
Ook bij de meekrapteelt 1), die te gelegener tijd aan de orde komt, kent men de dro(o)ger. "Tot de verrichtingen in de (meecrap-)stoof zijn doorgaans negen menschen in dezelve: te weten: de Drooger, deze is het opperhoofd en genoegzaam als eenige die door zijne kunde en oplettendheid aan de krap hare waarde geven kan en moet....."

1) Zuid-Hollandse studiën, deel VIII: A.G. de Groot, Meekrap in Zuid-Holland, pag. 139 t/m 173. Voorburg, 1959.

Drooggasterijhouder
(ook drogasterij of droge gasterij)

Houder van een inrichting waar men de gelegenheid geeft iets te eten en te drinken, maar niet om alleen gebruik van dranken te maken.
"Dat alle Drooge-gasterij-houders, die de gaende ende komende Man om gelt by de maeltijdt ofte anders logeren, voorts aen van Wynen ende Bieren Tappers Impost sullen betalen .... als andere Tappers," 1)

1) Groot Placaatboek 1, 1641 (v. 1604).

Droogmeester

Degeen, die het bewind der Visdrogerijen heeft. Zo sprak men vroeger over 'Droogen-Haring, Bocx-Haringh oft Ty-Bucking 1).
Ook kende men 'droogen schol en scharren' en 'Drooge of Stokvisch', welke vermoeelijk ook in ons land werd gedroogd.

1) Groot placaatb. 1,2368 (circa 1600)

Droogscheerder (doekscheerder)

De droogscheerder maakte deel uit van de lakennijverheid. Hij 'schoor' of eigenlijk knipte het gedroogde laken glad door de uitstekende vezels te verwijderen met een grote schaar, die de hele breedte van de scheerdis bestreek. Het weefsel werd daartoe eerst geruwd met
behulp van de stekels van de kaardebol, die men daartoe speciaal kweekte. De beste kwaliteit laken werd aan beide kanten bewerkt. Deze soort heette vroeger scaerlaken. De lakens uit Den Bosch ("Bussche" lakens) waren in de veertiende eeuw om hun kwaliteit reeds gezocht in verschillende Europese landen. Het gildewezen 1) zorgde dan ook voor een intensieve kwaliteitsbewaking. De droogscheerder bijvoorbeeld, die doorwerkte bij lamp- of kaarsllicht kreeg een stevige boete als men hem betrapte.


droogscheerderdroogscheerderdroogscheerder 1568

1) De gilden waren niet overal gelijk georganiseerd Zo kende men in Den Bosch een kleermakers en droogscheerders gild, maar in andere plaatsen worden ze niet apart genoemd, maar maakten bijvoorbeeld deel uit van dat der lakenbereiders of vormden een gilde met de lakenververs .

Lit: De kadans van de getouwen, Adriaan Buter, Amsterdam/Brussel 1985
Huiselijk en maatschappelijk leven van Amsterdam in de zeventiende eeuw, prof. dr. G. Kalff, pag 198. Amsterdam 1911.

Drossaard, drossaert (later drost)

Titel van een voormalig rechterlijk en bestuursambtenaar ten plattelande. In de Placcaten van Brabant bijvoorbeeld wordt gesproken van "Diversche drossaardijen, schoutetschappen, meyerijen en andere diergelijcke officien van justicie 1) en in het Gelders Placaatboek van "De Bailleurs, Proevoesten, Drossaten, Schoutetten ende andere Officiers van Justitie".2)
In zijn ambtsgebied was de drost de justitiële gezagsdrager namens de soevereine macht; dat is in de middeleeuwen de vorst en ten tijde van de Republiek bijvoorbeeld de Staten van Holland. Een van de bekendste drosten in de eerste helft van de zeventiende eeuw is de drost van Muiden, P.C. Hooft.

1) Place, van Brabant 4,166 (1642)
2) Geld. Placaatboek 1, 505 (1570)

Drosseerder, drosser, drosseerster, droster

Man, resp. vrouw die een drosseermachine bediende.

Drosseermachine rond 1900 (D. Grothe/E.H. Ekker, Mechanische technologie, 4e dr. 1898)
De klossen met het voorspinsel staan in twee of meer rijen in een rek; het grove garen loopt
tussen de rekrollen door, wordt tot het vijf- tot tienvoudige gerekt, daarna door de vleugelarmen
op de klosjes onder gewonden.

Drukker

Men onderscheidt verschillende drukkers naar de door hen gevolgde techniek:

Hoogdruk.

Hierbij wordt in de meeste gevallen direct van het lettermateriaal en eventueel van cliché’s enz. gedrukt op verschillende soorten persen (degel- t/m meerkleuren rotatiepersen)

Diepdruk.

De beelddrager is hier een koperen cylinder, waarin de letters en afbeeldingen langs fotochemische worden aangebracht.

Steendruk.

Vlakdruktechniek, waarbij een lithosteen als beelddrager dienst doet.
Momenteel nog gebruikt door beeldende kunstenaars.

Vlakdruk (offsetdruk).

Hier wordt van een vlakke beelddrager gedrukt, waarbij het drukbeeld inktaantrekkend en de rest van de drukplaat vochtaantrekkend is.

Zeefdruk.

Met behulp van een rakel wordt de inkt door de opengedeelten van de zeef op het onderliggende papier gedrukt.

Duin-

Duin-funkties en beroepen, die zowel elders voorkwamen, maar ook in duinstreken, waarbij aan de uitoefening soms speciale funkties werden gekoppeld. Zo kent men onder meer:
de duinmaaier, die maaiwerkzaamheden in de duinen verrichtte. Jan van de Mije, geboren te Zandvoort op 4 december 1786 bijvoorbeeld was landbouwer en duinmaaier aldaar. 1)

Verder:
De duinman, als variatie van de huisman (=boer), die in de duinstreken landbouw beoefende en ook de duinen (met helm) beplantte. Als nevenfunktie was hij soms tevens duinopzichter, die het toezicht in een bepaald duingebied had.
De duinmeyer of duinhouder, pachter van een stuk duingebied, die eveneens vaak tevens als duinopzichter fungeerde, die tegen overtredingen had te waken.
Duingrond was en is geschikt voor het verbouwen en kweken van bepaalde gewassen als duinzandaardappelen en bollen, zoals ook nu nog gebeurt.
Zo sprak men reeds in 1604 van duinkrochten oftewel duinakkers 2)

1). Jaarboek C.B.G., deel 30, pag. 177, Den Haag 1976.
2). Woordenboek der Nederlandsche Taal, deel III, kol. 3591.

Dwangbeveldrager

Persoon in dienst van een fiscale of financiële administratie ten behoeve van de overheid of semi-overheid als bijv. waterschapsbesturen en belast met het uitreiken en incasseren van dwangbevelen.

Aangetroffen in Zuidelijk gedeelte van Nederland en in België.