Aalvrouw 

Vrouw, die met aal ventte (o.a. in Amsterdam) Deze vrouwen waren zeer bedreven in het levend villen van de alen.

Aannemer

  1. O.a. aannemer van de verlichting der straten, van publieke werken e.d.
  2. Functie bij de postdienst.
Aanplakker 

Verzorgde bekendmakingen van openbare brieven, afkondigingen, ambtelijke besluiten en dergelijke door middel van aanplakking van biljetten op openbare plaatsen.
Een aanplakker werd ook wel reizende bode genoemd.

Aanpikkerateur

  1. Kraanhulp, ook wel aan- en afhoeker, is/was werkzaam bij het laden en lossen met behulp van een hijskraan om de lasten aan de kraan te bevestigen, of los te maken.
  2. Persoon, die moest zorgen dat de wagons van het spoor los- dan wel aangekoppeld werden. Staand tussen twee wagons, die aangehaakt moesten worden moest hij de koppeling tot stand brengen: Als de koppeling van de ene wagon over de neus van de andere schoof moest hij de schroefsluiting bevestigen en de luchtrem aansluiten, een en ander in samenspel met de machinist.

Aanspreker

AansprekerAansprekerEen persoon, die de familie en vrienden van de overledene ter begrafenis nodigt, diens dood aan de huizen aanzegt en verder met de bediening der begrafenis belast is. Hij wordt ook Nodiger, Boodschapper, Doodbidder, Lijkbidder, Groefbidder of Leedaanzegger genoemd. De titel "aanspreker" is van de vroegere gilden afkomstig. Iedere gildeknecht was de aanspreker van zijn gilde. Bij de lijkstatie ging hij, als leider van de rouwstoet, vóór de baar uit. Later, toen in de grote steden men dikwijls geen lid meer was van een gilde, waren er andere personen nodig om het werk te verrichten, wat anders de gildeknecht deed. En ofschoon het eigenlijk geen "aan-spreken" meer was, maar een bekendmaken, bleef de oude titel toch in zwang 1). Een voorbeeld van zo'n gilde-aanspreker is het begrafenisbriefje van het Sint Lucasgilde te Haarlem.
"Tegen Woensdagh den 23sten Maert A°
1661 nae den middagh ten twee uuren precys, werd U.E. ter begraeffenis gebeden met mr. Pieter de Molijn, schilder op de oude gracht over de stoofsteegh, als vrient in huys te komen met de Lange mantel, Groote Kerck (middelkerk no. 79" 2).

1) De Oude Tijd, jrg. 1874, pag. 162/163. (OT).
2) A. van der Willigen Pz. Geschiedkundige aanteekeningen over Haarlemsche schilders, Haarlem 1866.

Aapjeskoetsier

Koetsier van een aapje = huurrijtuig

Aardemeter

Controleerde de klei, vroeger aarde genoemd, op kwaliteit voor de aardewerk-industrie.

Aardetrapper

In de aardewerkindustrie mengde men verschillende soorten aarde(klei) tot de juiste kwaliteit werd bereikt. Dit mengen werd gedaan door aardetrappers. Op een houten vloer trapten zij de klei tot grote koeken. Dat gebeurde blootsvoets, zodat oneffenheden goed gevoeld konden worden.

Aardewasser

AardewasserKlei, vroeger aarde genoemd, bestemd voor de aardewerkindustrie moest na aankomst eerst gewassen en gezuiverd worden. Dit werd gedaan door aardewassers, die meestal buiten de stadsmuren werkzaam waren vanwege de grote watervervuiling die het wassen veroorzaakte.

Aardewerkschilder

Voor het beschilderen hadden de pottenbakkers aardewerkschilders in dienst. Schilderen op de ongebakken glazuurlaag vereiste grote vaardigheid want de glazuurlaag zoog/zuigt de verf snel op, zodat correctie niet meer mogelijk is. Voor seriewerk maakte men gebruik sponzenNaast het pottenbakkersmerk vindt men vaak ook de vermelding van degeen die het product beschilderde. Dit was gespecialiseerd werk want de aardewerk- of porseleinschilder moest werken met kleurstoffen die tegen de temperaturen tijdens het bakken bestand waren.

Bron:
J. Matusz, Delfts aardewerk (1977)

Aardewerkventer 1590Aardewerkventer

Rondtrekkend verkoper van aardewerk.

Aardvletter

Vletschipper die met een vletschip aarde en/of klei vervoerde.

Aardwerker

Aardwerk is het verwerken van aarde of grond ten behoeve van huizenbouw, dijken, sloten/kanalen, vestingwerken enz. Een aardwerker is een arbeider, die grondwerk verrichtte. Tegenwoordig grondwerker genoemd. Het was een zwaar en slecht betaald handwerk. Bij het graven van bijvoorbeeld een bouwput stond men dikwijls tot aan de enkels in het grondwater. Het begrip "aardwerker" was tot in de negentiende eeuw nog in gebruik. Zo was Cornelis van der Aar, geboren te Heemstede 27 januari 1796, toen hij 28 juli 1824 aldaar trouwde met Pieternelletje van Muyen, aardwerker van beroep.

Bronnen:
F. van Geldorp, Hun naam was.... Van der Aar, pag. 63, Delft 1989.
Moordrecht in Touw 1947.

Accijnsmeester

De accijnsmeester was belast met de inning en registratie van accijnzen (belastingen).

O.a. vermeld in het Gilderechtboek Groningen, 1594.

Accishuysmeister
Zie ook accijnsmeester.

Huismeester die zich met de accijnzen (belastingen) bezig houdt.

1894 - Stadrechten van Nijmegen – Oude Vaderlandsche rechtsbronnen pag. 361.
Achterleenman

Het woord “achter” voor leenman wordt meestal weggelaten. Oorspronkelijk soldaat in dienst van een leenheer. Hij ontving geen soldij maar een stukje erfelijk land van de leenheer. De leenheer zelf was meestal ook leenman en in dienst van de graaf of een bisschop. Nakomelingen van een (achter)leenman noemden zich vaak welgeborenen.

Achtermeid

Dienstbode op een boerderij, die werkzaamheden verrichtte ten behoeve van het bedrijf. Voor de huishouding waren er de boven- en/of keukenmeid.

Adelborst 

Jongeling behorende tot de adel dan wel het patriciaat, die als aspirant-officier wordt opgeleid tot officier bij de Vloot der Verenigde Nederlanden en later de Koninklijke Marine.

1611,1613 Gilderechtboek Groningen.

Aderlater 
Zie chirurgijn

Administrateur

Administrateur van o.a. de Weeskamer. Voerde de administratie.

1636- Gilderechtboek Groningen.

Admodiateur 

Een soort rentmeester. Hij was verpachter van landerijen, in dienst van de Domeinen en Geestelijke goederen.

Adsisent - Assistent

Politieagent, Diender

Advocaat

AdvocaatRechtsgeleerde. Voordat in het verleden iemand tot de balie werd toegelaten, werd hij eerst door de president of door een van de Raden van den Hove "eerstiglijk, getrouwelick ende sonder simulatie" ondervraagd.
Het ging hierbij om het volgende:

1. Of hij met goede manieren, verstande ende rijp en raede begaafd was;
2. Of hij uyt wettelijken huwelicke geprocreëerd
was.
3. Of hij van de Christelijke Religie was.

4. Of hij gheleert was, den tijd, daertoe
gheordineert, ghestudeert hebbende: ende of hij eenigh teeken van toekomende neerstigheyd is thoonende.
5. Of hij in de Rechten gepromoveert is,
ende in wat plaetse hij zijnen titel verkregen heeft 1).

Vervolgens moest de advocaat de eed afleggen. Deze eed hield in "getrouwheid aan den stadhouder, eerbied voor de Magistratuur, goede zorg voor de practijk, en dat hij geen zaak zou aannemen die onregtvaardig was".
Die eed moest jaarlijks hernieuwd worden binnen dertien dagen na de eerste gerechtsdag. Een termijn, voor hen die elders woonden, met nog twee dagen verlengd, alles "op poene van een gouden carolus gulden".

Rechtsgeleerd  raadsman in en buiten proces, verdediger in civiele- en strafzaken, dateert reeds uit het oude Rome. 2)

Advocaat komt ook voor als familienaam.

1) De Oude Tijd, jrg. 1874, pag. 321.
2) 1603, 1631 (2x), 1656 Gilderechtboek Groningen.

Afbaarder

Hiermee werd de persoon aangeduid die

  1. die bij de schelpenvisserij oesters en mossels ontbaardde.
  2. in metaalgieterijen de overtollige uitsteeksels verwijderde van de voorwerpen die uit de gietvormen kwamen.

Afbraakkoper

Sloper.

Afdoender 
Zie ook vilder.

Een afdoender is hetzelfde als vilder, verwerker van dode dieren. Deze beroepsaanduiding vooral gevonden in het zuiden van ons land en in België.
Aangezien het een vuil beroep was trok de afdoender zijn vuilste kleren aan. Daarom werd een haveloos en slordig gekleed iemand ook wel als afdoender betiteld.
Mathias Ponts (1690), vader van 9 kinderen, was zowel vinder of afdoender als bokkenrijder. Voor dit laatste is hij veroordeeld.
Naast de huiden, ook van katten en honden (dit laatste o.a. om geprepareerd te worden tot kleedje), werd zo veel mogelijk van het dode dier hergebruikt.

In België wordt een afsnijder van hopranken ook wel afdoener genoemd.
Affuitmaker 

Maakte onderstel waarop de loop van een kanon rust en dat diende om de vuurmond tijdens het schieten stabiliteit te geven.

Aflegger, vr. aflegster

De persoon, die lijken aflegt, d.w.z. ontkleedt en ze kleedt ( bijv. doodshemd) om gekist te worden.

Afschrijver 

Copiïst of Kopiïst. Maakte afschriften van documenten.

Afsetter
Ook afzetter, verluchter.

  1. Zowel het kleuren van kaarten als het aanbrengen van het schrift daarop werd in de zestiende tot de achttiende eeuw als beroep uitgeoefend. Dit afschilderen gebeurde op allerlei niveau's, waarbij hun werk zich niet alleen tot landkaarten en plattegronden beperkte. Ook allerlei ander prentwerk werd door hen van kleuren voorzien. We kennen van artistiek en technisch perfecte inkleuringen tot het routinematig aanbrengen van kleuren langs grenzen en in kartouches en kompasrozen.
    In het notarieel archief 112, folio 216v, notaris J.F. Bruyningh in het gemeente archief te Amsterdam komt de tekst voor van een contract. Op 1 januari 1609 verbindt Carel Gallier (met zijn jongen) zich voor een jaar met Jacob Morgenrood te Amsterdam om het "afzetten off d''affschilderinge van alderley cunste, caerten, globes en hetgeen daartoe behoort" te leren. Dit in werkweken van dinsdag tot zaterdagavond van 's morgens zes  uur tot 's avonds acht uur!


  2. Persoon die houten of stenen beelden beschilderde zoals de religieuze beelden, die een belangrijke rol vervulden in het Rooms-Katholieke leven.

Literatuur: Prof. dr. Ir. C. Koeman, Geschiedenis van de kartografie van Nederland, Alphen a/d Rijn 1983.
J.A.J.M. Verspaandonk, Het Hemels prentenboek, Hilversum 1975 pag. 11.

Afslager

Persoon, die bij een openbare verkoping belast is de afslag te regelen. Het afslagerschap behoorde in het verleden tot die ambten, waarmee mannen van aanzien zich graag lieten bekleden.

Zo bijvoorbeeld de Amsterdammer Jacob Bicker Raye.
"Op den 14en Februarij 1736 hebben de Heeren Burgemeesteren de persoon van Jacob Bicker Raye beëdigd, en voor reek: van d' Heer Burgermr. Scott, aangesteld tot Afslager van de Oude Vischmarckt". De afslager genoot "twee en een half percento van het suyvere provenu van de verkogte Vis". En dat was een bedrag, dat aardig kon oplopen. Zo bedroeg het in de maand maart 1741 ƒ 27051 en negen stuivers. Er waren dagen waarop voor meer dan ƒ 2000.-- werd verkocht. In maart 1756 werd een goede zalm voor één gulden per stuk verkocht. Zodoende kon de 2½ % voor de afslager een aardige bron van extra inkomsten vormen 1) .

1) De Oude Tijd, jrg 1871, pag. 312/313.

Alchimist

Beoefende een primitieve vorm van scheikunde. Hij probeerde onedele metalen om te zetten in goud o.a. door middel van de steen der wijzen. Als voorloper van de chemie was de alchimist van belang voor het opdoen van praktische kennis. De alchimist werd verdrongen door de natuurwetenschappen.

Alias

Liefhebber, speelman

1609 -  1611 – Vlissingen.

Altarist 
Zie vicaris.

Aluinmaker, -koker, -zieder

Bereider van aluin. Dit kon/kan gewonnen worden uit in de natuur voorkomende mineralen als aluinschilvers of worden vervaardigd door het vermengen van klei of bauxiet met zwavelzuur. Aluin in opgeloste toestand werd gebruikt door papiermakers en leerlooiers, in de verfindustrie als beits. Verder als gorgeldrank of in de vorm van aluinstaafjes waarmee men de huid na het scheren behandelde.

Ambachtsbewaarder 

Lokale bestuursfunctionaris van een kleine bestuurskring(ambacht = vrije heerlijkheid)
Ambachtsheer 

Hij bezat het recht van lage jurisdictie en de heerlijke rechten in zijn ambacht.
Die rechten waren o.a. het aanstellen van een schout, het recht van tol, jacht, (wind)molens, visserij, eendenkooi, zwaandrift, aanwas enz.
Gewoonlijk voerde de ambachtheer de naam van zijn heerlijkheid achter zijn geslachtsnaam.

Ambtman

1594 en 1683 Gilderechtboek Groningen.

Ankerkuilvisser

Visser die in de rivieren aasvis ving met behulp van een kuilnet, dat met behulp van een anker in de rivierbodem vastgezet was.

Ankerslager
Ook ankersmid genoemd.

AnkersmederijDit is iemand die scheepsankers maakte. Echter is het ook mogelijk, dat het een smid was, die muurankers vervaardigde. Muurankers werden vroeger ook dikwijls in de vorm van een jaartal gesmeed en gebruikt aan de voorgevel van een gebouw. Met muurankers werd de balklaag aan de muur verankerd.
Antycksnijder

Deze sneed voornamelijk beelden en figuren in hout op zijn “antycks”, d.w.z. naar het voorbeeld der Ouden die men trachtte te evenaren. (Op Majorca heb ik rond 1975 iemand ontmoet die dit beroep ook nog uitoefende en o.a. religieuze beelden uit oud hout sneed, die gretig door antiquairs werden gekocht.)

Apotheker

Een apotheek was van oudsher een werkplaats en winkel waar geneesmiddelen werden toebereid en verkocht. Het werk van de apotheker was "'t prepareren der medicamenten". De apothekers moesten daarom "de Latijnse tale redelicker wijse verstaan"1). Dat de inkomsten van de apothekers onderling nogal eens konden verschillen, blijkt bijvoorbeeld bij twee apothekers te Alkmaar. Cornelis van den Berg werd in 1723 voor Fl. 3500,-- eigenaar van "De Witte Roos" aan de westzijde van de Mient te Alkmaar. Daar vestigde hij zijn apotheek. In 1742 werd zijn jaarinkomen geschat op Fl. 1200,--. Een andere apotheker, Fredrik Fooy, kocht 26 januari 1734 aan de zuidzijde van het Verdronkenoord "Het Vergulde ABC" voor Fl. 1100,--. Het jaarinkomen van deze apotheker werd in 1742 geschat op Fl. 600,--. De helft minder dus!

Bronnen:
1) Mr. J. van Lennep en J. ter Gouw, De uithangteekens I, pag. 107, Amsterdam 1868 (v Lennep en TG).
2) Hans Koolwijk, Alcmaria, Historisch-genealogisch dagboek 1722-1759, pag. 5 en 23, z.p. en z.j. (Alcmaria).
3) H.A. Bosman-Jelgersma, Vijf eeuwen Delftse Apothekers, 1979, Amsterdam. (Zeer uitgebreid proefschrift).1628 (2x), 1631(2x)
4) Gilderechtboek Groningen.

Appel(en)meter, vr. appelmeetster

  1. Beambte belast met de kwaliteitscontrole van appels.
  2. Persoon die appels met behulp van een ton met een bepaalde inhousmaat afmeette om de hoogte van de voor die vruchten geldende accijns vast te stellen.

Appelkoopster

Koopvrouw in appelen. In Amsterdam was dit bijvoorbeeld Lijsbeth Aerts, die "appelcoopster" was. Zij was de weduwe van de Utrechtse schuitenvoerder Dirck Dircksz. Lijsbeth woonde in het Appelmansteegje op de Appelmarkt. Zij overleed in 1587. Haar nalatenschap bedroeg ƒ 2418.-. Voor die dagen een flinke som 1) .
In Leiden verkocht Aeltgen Hendricxdr. appelen. Zij was de weduwe van Cornelis Boenensz. en woonde in 1581 op de Mare
2).

1) Dr. J.G. van Dillen, Amsterdam in 1585, Het kohier der capitale impositie van 1585, pag. 151, Amsterdam MCMXLI (Dillen).
2) Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie 1968, pag. 178 (JbCBG).

Apprêteur, appreteerder

Iemand die met behulp van appret papier, karton of textiel behandelde: het versterken met vulstoffen.
Als appretuurmiddelen werden/worden o.a. stijfsel, lijmsoorten en gelatine gebruikt.

Arbeider 

Loontrekkend werkman, dagloner.
Iemand die in dienst van een ander (zware) arbeid verricht(te).
Armboogschutter, armbostier, armbrostier 

Boogschutter.
Armborstmaker, armbrostier, ook bogemaeker 

Vervaardiger van kruis- en handbogen. Ook vervaardigde hij de pijlen.
Arm(en)meester 

Lid van een burgerlijk of parochiaal armbestuur, ook charitaatsmeester genoemd.

Artillerie(y)meester
Ook wel busmeester genoemd.

Persoon in dienst van een stad, belast met het toezicht op de ammunitie en de wapens.

1646 Gilderechtboek Groningen
1894 Oude Vaderlandsche Rechtsbronnen pag. 371

Artsen, militair

Artsen voor krijgsmacht hadden eigen opleiding en corps.

In Ons Amsterdam nr. 10 van 1977 (pagina's 295-297) stond een artikel over 'de muur van Oostmeyer', die in de nacht van 17 op 18 oktober 1877 door studenten van het Medisch Militair Studentencorps 'Mavors Medicator' is omgehaald. Mijn grootvader, arts C.J. Kleijn (1854-1918) was lid van dit corps in de periode 1876-1881. Hij zal zeker bij deze gelegenheid aanwezig zijn geweest als tweedejaars student. Ik beschik uit die periode over drie studentenalmanakken van hem, namelijk 'Bloemlezing 1853-1877 uit den Militair Studenten Almanak van het Corps Mavors Medicator', en de almanakken van dat corps voor de jaren 1877 en 1878. Een aantal gegevens hiervan, voor een klein deel gesteund door mondelinge overlevering, lijken mij het vermelden waard. Dit te meer omdat uit een voetnoot bij bovengenoemd artikel blijkt dat er enige vaagheid heerst over de situatie destijds van de 'pillenschool'.

In de bloemlezing van 1877 staat een artikel over de opleiding der militaire artsen van 1815 tot 1877, waarbij zelfs enkele gegevens over de napoleontische periode vermeld worden. In het kort blijkt hieruit het volgende. Onder Lodewijk Napoleon werden de militaire artsen opgeleid bij het militaire hospitaal te Leiden. In 1815 werd dit hospitaal speciaal ingericht tot kweekschool voor militair geneeskundigen. In 1822 werd dit vervangen door de kweekschool te Utrecht. Terwijl in Leiden de studenten vrijwel geheel aan de universiteit studeerden, werd in Utrecht meer apart onderwijs gegeven, zij het dat dit ten dele door hoogleraren van de universi­teit geschiedde. De abituriënten van de Utrechtse opleiding moesten dan ook aanvullende examens afleggen om de bevoegdheid tot burgerlijke uitoefening van de geneeskunde te krijgen. Sinds 1841 werden aan deze school naast art­sen voor het leger ook artsen voor de vloot en voor het koloniale leger opgeleid. De studenten van deze echte 'pillenschool' werden volledig gesalarieerd. Ook na de overplaatsing naar Amsterdam. In 1877 en 1878 was het salaris ƒ 400,-- per jaar plus aanzienlijke premies bij het halen van examens: ƒ 600,-- bij ieder examen. De hoogste autoriteit, de Inspecteur van de Militaire Geneeskunde ontving ƒ 5500,-- per jaar.

In 1865 werd bij de nieuwe wet voor de genees-, heel- en verloskundige praktijk, ingediend door Thorbecke, een amendement aangenomen waarbij de titel van arts vereist werd gesteld voor het bij de Nederlandse krijgsmachtonderdelen dienende geneeskundig kader. Dit was vooral van belang omdat de meesten na afloop van hun contract overgingen naar de burgerpraktijk. In 1868 werd de Utrechtse school opgeheven en werd bij Koninklijk Besluit bepaald: 'dat de aan­staande Officieren van Gezondheid hun studiën zouden maken te Amsterdam; met de professoren van het Amsterdamse Athenaeum als docenten en onder toezicht van een militairen Chef en een aan dezen toegevoegd personeel van vijf Officieren van Gezondheid der Landmacht en één militairen apotheker', aan welk personeel later nog een dirigerende officier van gezondheid van de marine als sous-chef werd toegevoegd.
Het verkrijgen van de titel 'medicinae doctor' werd facultatief gesteld, maar het verkrijgen van de titel van arts 'imperatief'. Dit was een gevolg van het feit, dat destijds alleen de abituriënten van een gymnasium tot de doctorspromotie werden toegelaten. De abituriënten van de toen nog vrij nieuwe h.b.s., waaronder mijn grootvader, mochten wel in bepaalde faculteiten van de universiteit studeren, maar kregen niet het ius promovendi. In de jaren na 1868 studeerden de medisch-militaire studenten in feite geheel aan het Athenaeum en na 1877 aan de universiteit van Amsterdam. Mijn grootvader was er onder andere trots op dat hij scheikunde had geleerd van de beroemde Van 't Hoff.
In de academische vakanties waren zij verplicht om dienst te doen bij het krijgsmachtonderdeel waarbij zij waren aangesteld. Voor opa was dit de marine, dus destijds Den Helder en Hellevoetsluis. Zij droegen ook tijdens de studie een uniform waarop zij blijkbaar trots waren; opa is tenminste door een van zijn meer artistiek begaafde vrienden geschilderd in dit uniform, een portret in olieverf dat op mijn studeerkamer hangt. Ook lieten zij zich zoals ons familiear­chief bewijst, in het uniform fotograferen.

Mavors Medicator
Het medisch militair studentencorps Mavors Medicator werd al in de Utrechtse periode opgericht, maar blijkbaar bestond het toen vrijwel alleen op papier. Wel werd, al lang voor de verkiezing van een regulair corpsbestuur, namelijk sinds 1853, met enkele kleine onderbrekingen jaarlijks een almanak uitgegeven. De almanak voor 1878, de laatste die ik in mijn bezit heb, is dan ook de 26e jaargang.
In 1877 bestonden naast elkaar aan onze universiteit het 'burgerlijke' Amsterdams Studenten Corps en het militair-medisch corps, die blijkbaar een redelijk goede verstandhouding met elkaar hadden. Dit schijnt mede een gevolg te zijn geweest van het feit, dat het A.S.C, er tegenop zag zo'n groot aantal medici in zijn gelederen te krijgen: de almanak van 1877 vermeldt 152 leden van de medische corps, zodat de vrees bij de aantallen studenten van die tijd niet geheel ongerechtvaardigd lijkt. Uiteraard zullen er ook andere overwegingen een rol gespeeld hebben, die niet door de militair-medische schrijver van de Bloemlezing vermeld worden.
Mavors Medicator had zijn eigen sociëteit Machaon, die volgens de Almanak 1877 (uitgegeven eind 1876) toen al 29 jaren bestond, sinds 1847. Uit die Almanak 1877 blijkt, dat men blijkbaar pas in 1876 met de sociëteit verhuisd was naar de Munt. De groentijd 1875 had nog plaatsgevonden in de bovenzaal van de 'Koningskroon' in de Plantage. Het jaarverslag geeft aanduidingen over financiële problemen die men blijkbaar in de loop van 1876 (het verslag loopt van 1 oktober 1875 tot 1 oktober 1876) had gehad ten gevolge van de verhuizing naar de Munt.

Het corps telde verder elf corpsgezelschappen, waaronder een schermgezelschap, een muziekgezelschap, een schaakgezelschap en vier regionale gezelschappen: Frisia, Zeelandia, Noord-Braband en Insulinde.
De almanakken bevatten, naast veel officiële gegevens, ook een grote hoeveelheid mengelwerk: verhalen en gedichten. Ook de nu nog in studentenalmanakken voorkomende korte puntige 'Varia' (Olla Podrida, Mixed Pickles) zijn aanwezig.

Uit het verslag van 1877 blijkt verder, dat het corps in deze tijd officieel als bevriend corps werd erkend door het A.S.C, en blijkbaar ook door het Groningse en het Delftse studentencorps. Voor wie nog steeds uit zijn studententijd een liefde voor deze almanakken heeft overgehouden, zijn deze uitgaven van een eeuw geleden zeker het doorkijken waard.
De almanak van 1878, waarin het verslag over de periode van 1 oktober 1876 tot 15 oktober 1877, zou wel eens de laatste kunnen zijn geweest. (Mijn grootvader studeerde pas in 1881 af. Uit zijn aanwezigheid bij veel latere reünies van oudleden - 1909 en 1910 in respectievelijk Americain en in het Vondelpark - blijkt dat hij steeds een actief lid van zijn vereniging geweest.) In het verslag 1876-1877 wordt namelijk vermeld, dat er op 12 januari 1877 door de Koning een commissie werd ingesteld om een onderzoek te doen naar de positie van de militair-medische opleidingen. De schrijver van de Bloemlezing 1853-1877 zinspeelde ook al op een wens om tot een vrije universitaire studie voor de toekomstige officieren van gezondheid te komen. (Opvallend is overigens, dat in deze tijd de universiteiten alle met de titel 'hogeschool' worden aangeduid). Volgens mondelinge overlevering viel het jaar van afstuderen van opa ongeveer samen met de opheffing van de speciale militair-medische opleidingsorganisatie en fuseerde het corps Mavors Medicator toen met de Amsterdams Studenten Corps, dat nog steeds, samen met de Amsterdamse Vrouwelijke Studenten Vereniging, bestaat.
Auteur A.P.A. Vink
Na de militaire tijd (eventueel in onze ex-koloniën)  vestigde een aantal zich als huisarts.

Bron:
Hoofdzakelijk, Ons Amsterdam, jrg. 33, mei 1981

Artsenijmenger 

Uitoefening der artsenijmengkunst is het bereiden en tot geneeskundig doel afleveren van geneesmiddelen. In Voorgeslacht deel 3, pag. 202 wordt opgemerkt dat destijds de chemie de artsenijmengkunde nog zo goed als geen ondersteuning leverde, maar vooral op zoek was naar een middel om onedele metalen te veranderen in goud en zilver.

Aschkooper

Handelaar in potas. Potas (kalium-carbonaat) werd vroeger uitgeloogd uit hout-as en weleer in potten verzonden. Potas werd onder andere gebruikt als onderdeel van de zeepfabricage. Vandaar dat askopers dikwijls tevens zeepzieders waren. In Amsterdam was dit Evert piersz. Swart "Aschkooper op 't Water, in 't Yserhuis, waar de drie Astonnen uithangen". Hij was tevens zeepzieder en makelaar. In 1585 betaalde hij f 7.-- belasting 1).
Eveneens te Amsterdam, ook op 't Water (Damrak), tegenover de Korenbeurs in "'t Wapen van Schagen" was Nanningh Florishz. Cloeck askoper en zeepzieder. Hij werd in april 1567 in de Oude Kerk te Amsterdam gedoopt.
Het huis "'t Wapen van Schagen" (Damrak 44) werd in 1594 zijn eigendom 2).

1) Dillen pag. 105
2) Jb. CBG 1988, pag. 114
N.B. Informatief over de verwerking van vuilnis en afval en hun verwerking (in Alkmaar) is  “Van ‘vulliscuyl’ tot Huisvuilcentrale”, Auteur G.N.M. Vis, Uitg. Verloren, 1996.

As(ch)molenaar

Exploitant van een as(ch)molen. In as(ch)molens werd hoofdzakelijk potas vermalen. Dit product werd verkregen uit berkenhout dat eerst werd verbrand. Naast potas werd ook weedas (as van eikenhout), kalk en soda geproduceerd. Deze producten werden gebruikt voor het bleken van garen, dat grote aftrek vond bij de zeildoekweverijen. In een publicatie van W.F.Camp uit 1837 wordt o.a. over koolasmortels gesproken. Het is mij echter niet bekend waar en hoe deze koolas werd geproduceerd. Binnen de grenzen van Krommenie zijn twee as(ch)molens actief geweest. Dit waren rosmolens, aangedreven door paarden.

Bron:
Molendatabase
W.F. Camp, Proeven nopens het bindend vermogen van onderscheidene metselspecien

Aschman

Vuilnisman

Bron:
WNT

Aschwerker
Zie Aschkooper.

Bereider van potas.

Askramer

Een (kleine) handelaar die de afvoer van as (vuilnis) regelde.

Assayeur
Zie essayeur.

Keurmeester van goud en zilver.

Assessor

Is een persoon die de voorzitter terzijde staat, toegevoegd bestuurlid (vooral in de Academische Senaat, in studentenvereniging en kerkvergadering)

Bron:
WNT

Assuradeur 
Vroeger ook assureur en asssureerder.

Iemand die zijn beroep maakt van het verzekeren tegen brand, ongevallen, gevaren ter zee ed. nu in ver vorm van verzekeringsmaatschappijen.
Astrologist 

Astroloog, hield, houdt zich bezig met de leer van de invloed van de hemellichamen op het lot en aanleg van de mensen, kunst van het opstellen van horoscopen.
Asvaarder 

De asvaarders hadden in steden met grachten tot taak as en huisvuil af te voeren naar een aangegeven stortplaats.
Aventurier 
(Avonturier, storier)

Beroepsomschrijving, die o.a. voorkomt op de Zeeuwse eilanden en Goeree, maar o.a. ook te Delft. Een avonturier is daar dan een rondreizend koopman. In de Delftse Keuren van 1537 werd de 'Çaeckbrugge' aangewezen als standplaats waar: "aventuyrers mit eenighe vreemdicheit" hun koopwaar aan de man mochten brengen. Van Bleyswijk zegt hier over: "De Kaeckbrugge, die van ouds tot veelerhande, nu seldsame waren, was gedestineert, en na 't schijnt, veeltijds door Quack- ofte Lapsalvers (die men anders avonturiers noemt) geoccupeert en beslagen wierd". (pag. 668). Boitot (pag. 580) haalt ook een keur aan met betrekking tot deze brug: "Ende alsoo die Kaeck-brugge over veel Jaeren geschickt is, omme gebruyckt te werden bij seecker diversche persoonen, te vente brengende stoer Seel-hout, Speck, Bruyn-vissche, vers Berren-Speck, ende by drinck-glasen verkoopers ende gelycke auenteurossers, welllcke Brugge nu sulcx dagelicx geoccupeert word by die Storiers die hem genesende sijn mit Salfven, Peter-olien, ende ander diversche auenteursschen kruyen, dat men die selve Brugge niet bequamelijcken gebruycken en mach…".

Azijnmaker

Azijn is een kruid- en conserveringsmiddel met als essentieel bestanddeel azijnzuur, gewonnen door de zogenaamde azijnzure gisting uit alcoholische vloeistoffen of door verdunning van gezuiverd azijnzuur of azijnessence. In Alkmaar was Frans Voorhout azijnmaker en tevens kaarsenmaker op het Rissevoort. Frans Voorhout was getrouwd met Dieuwertje Pater en stierf 7 april 1731 "nalatende zijn weduw en 3 kinderen"1).
Ook in Haarlem kon men een 'azijnbrouwerij' vinden. Het was "De Boog". Daar begon in 1564 Johannes Noppen met de vervaardiging van bierazijn. Dit bedrijf werd later door zijn zoon Jan Noppen overgenomen. Drie eeuwen lang zou de zaak in de familie blijven. Na 1887 takelde de brouwerij echter af en werd toen door een ander bedrijf overgenomen 2).
Zie ook zoutkeet De Blauwe Hand in Purmerend, zoutkeet en azijnmakerij.

1) Hans Koolwijk, Alcmaria, Historisch-genealogisch dagboek 1722-1759,pag. 89,Alkmaar z.j.(Koolwijk)
2) F.Allan, Geschiedenis en beschrijving van Haarlem; van de vroegste tijden tot op onze dagen, IV pag. 604, Haarlem 1874-1888 (Allan).